Het narratief (n.a.v. Kavanaugh) (VI – intermezzo)

Waarom vordert deze serie zo langzaam, met horten en stoten? Zeker, een persoonlijk verlies heeft in het afgelopen half jaar mijn schrijflust vaak geblokkeerd. Maar dat is niet alles. Al weet ik prima wat ik wil zeggen, al kan ik me aardig uitdrukken (zij het volgens een regelmatig terugkerend commentaar: wel wat al te compact), juist het huidige thema voedt een verlammende onmacht. Het is alsof je voor de wateren van de Rietzee staat en de keus lijkt: verdrinken of door Farao’s leger in stukken gehakt worden. Je kunt geen kant op, al weet je dat er eigenlijk maar één richting is: vooruit. (Dat is de strekking van Luthers De servo arbitrio, een boek dat ik met vreugde heb vertaald.) Je wil vertrouwen dat het water zal wijken, maar de van achteren als donderwolken aanstormende paarden en strijdwagens doen de grond onder je voeten al dreunen en als je over je schouder kijkt, flitst en blikkert het onheilspellend over de hele breedte van je blikveld.

Maar goed, er zijn rimpelingen die beloven dat er zich vóór ons een pad tussen de watermuren zal vormen. Laat ik het maar even over zo’n rimpeling hebben, misschien helpt dat.

Tijdens een Trump-rally in Bossier City (Louisiana) noemde senator John Kennedy zich gisteren “een trotse deplorable”. U weet misschien dat deplorables een van Hillary Clintons minachtende termen was voor “de helft van de” – maar de strekking was onmiskenbaar: alle – Trump-aanhangers. (Zie op deze site nog eens aflevering 3 van Victor Davis Hanson: The Case for Trump, 4 april jl.) Het is een geuzennaam geworden. Het doet me goed dat ook senatoren zeggen: hier, bij deze mensen, wil ik staan en niet daarginds bij de keurige Republikeinen van het type Mitt Romney, laat staan bij al die tirannieke Democraten. Eén mogelijke en goede reactie op het narratief “Trump-aanhangers zijn zielige figuren” is inderdaad: “Ik laat me door iemand als jij, Hillary Rodham Clinton, graag zielig noemen! Het maakt alleen maar dat ik des te vastberadener zal staan voor mijn overtuigingen.”

Voor deze houding is Trump zelf, in heel zijn verschijning en optreden, momenteel de belangrijkste inspiratiebron. Hij maakt dat onder meer duidelijk in zijn reactie op het impeachment-verhaal zoals dat verteld wordt door de Democraten en hun roeptoeter, media als The Washington Post en CNN. Bij ons bieden kranten als Trouw en het AD alsmede de publieke omroep een wat minder kreterige, maar overigens onkritische versie van precies dat verhaal. Wat doe je ertegen? Canadese commentator Mark Steyn ziet het bij Tucker Carlson op Fox zo:

“In deze situatie stáát de president daar eigenlijk gewoon en zegt: ‘Toe maar, kom maar op! — Al zou je het doen [nl. de afzettingsprocedure voortzetten] dan nog zou ik in november meedoen en de verkiezing winnen’ — Zo doe je dat. Dit is waarom mensen op hem gestemd hebben: je achterban wil dat een kandidaat weerwerk geeft.”

Het zijn niet alleen Amerikaanse kiezers achter Trump of weifelachtige, met het bestaande verbonden, Republikeinen die uit die houding moed putten om hun rug te rechten. Ook voor mij is het een hart onder de riem. Vervolgens kan ik dan weer wat beter de schijnbare almacht van het “Trump-is-vreselijk”-narratief in Nederland relativeren. Ja, Trouw doet het slecht, maar binnen die redactie is Sije Slager een klein beetje minder erg dan Bas den Hond. De NRC is weer evenwichtiger dan Trouw. En in Leon de Winter (De Telegraaf) hebben we in elk geval één columnist die resistent lijkt tegen wat in de VS heet het Trump Derangement Syndrome. Zo krijg ik wat lucht.

“Aha!”, is hier de Pavlov-reactie van links waarop ik mag rekenen: “U valt voor een sterke man! U loopt in uw beklagenswaardige (deplorable!) verwarring en onzekerheid achter een populistische rattenvanger aan!” Ook dat een populair narratief – maar vooral een denkstoplap. Als de geschiedenis zich al herhaalt, dan in elk geval niet letterlijk. De grootste dreiging voor de humaniteit in Amerika en in Europa is ditmaal niet het autoritarisme van solitaire dictatoren. Veel gevaarlijker is het autoritarisme van krachtige ideologische stromingen en groepen, die aanhoudend druk uitoefenen op onderwijs, nieuwsvoorziening, rechtspraak en wetgeving. Kijk voorbij het politieke naar het culturele. De politiek immers ligt stroomafwaarts van de cultuur, volgens het adagium van Andrew Breitbart.

Kijk naar wat senator Kennedy tijdens de rally in Louisiana noemde: “de latte drinkende, avocado-toast etende insiderselite”. Kijk naar de Amerikaanse universiteiten, waar de klassieke opvatting van de vrijheid van meningsuiting uitdrukkelijk wordt aangevochten door docenten en studenten. Kijk hoe hetzelfde geldt voor de onschuldpresumptie (= je wordt geacht onschuldig te zijn totdat je schuld aan een misdrijf wettig en overtuigend bewezen is). Kijk hoe dat opgeven van westerse kernwaarden zich van daaruit verbreidt in pers, bestuur, wetgeving, rechtspraak. Kijk hoe niet alleen de familie Biden, maar ook internetgigant Google en de Amerikaanse basketbalbond, de NBA, tegen het totalitaire China aanschurken als het goed is voor hun portemonnee.

Donald Trump is tegenover dat alles een symbool van verzet. Zijn herverkiezing in 2020 – wie weet! – zou mij goed doen. Een nog belangrijker rimpeling in de doodswateren vóór ons is het groeiend verzet van veel conservatieve jongeren in de VS tegen de cultuur die ik schetste. Ik wijs nog eens op Candace Owens en haar gasten:

https://www.prageru.com/candace/

Het narratief (n.a.v. Kavanaugh) (5)

Het schrijven met een beschuldiging aan Kavanaughs adres kreeg vanwege het doorspelen aan de FBI meteen vertrouwelijke status. Pas na een paar dagen vernam Kavanaugh uit de pers de gelekte details:

In de brief stelde de vrouw dat tijdens een ontmoeting op een feestje Kavanaugh haar neergehouden had en dat hij gepoogd had haar te overweldigen. Ze beweerde in de brief dat Kavanaugh en een klasgenoot van hem, die beiden gedronken hadden, de muziek in de kamer luider zetten om haar protesten te overstemmen en dat Kavanaugh zijn hand over haar mond legde. Ze slaagde erin zichzelf te bevrijden. Al vond het incident tientallen jaren geleden plaats en waren de drie betrokkenen minderjarig, de vrouw zei dat de herinnering voor haar een bron van niet aflatende stress was geweest en dat ze daarom psychologische hulp had gezocht.

Eindelijk kon Kavanaugh reageren met een categorische en ondubbelzinnige ontkenning. Hij kreeg steun in een verklaring van zesenvijftig vrouwen die hem sinds lang kenden, veelal van jongs af aan, vrouwen ook met zeer uiteenlopende politieke en maatschappelijke opvattingen, die zijn karakter en in het bijzonder zijn respectvolle omgang met vrouwen loofden. Nu brak de oorlog op sociale media uit en de vrouwen van de verklaring kregen van alles over zich heen.

Van een journalist die een artikel voorbereidde voor de Washington Post vernam Kavanaugh voor het eerst de naam van de vrouw die hem beschuldigde: Christine Blasey Ford, een psychologiedocente aan een sterk feministisch georiënteerde universiteit in Californië. Ze had ruim vijfendertig jaar geleden een meisjesschool bezocht in de buurt van de jongensschool van Kavanaugh. Hij herinnerde zich haar niet, een jeugdvriend die hij opbelde wel. Diens indruk van Ford was niet gunstig geweest en ook in de volgende weken kwamen er over haar achter de schermen verhalen los die men in een laster- en smaadcampagne goed had kunnen gebruiken. Van die tactiek werd echter welbewust afgezien: om ethische redenen en omdat men op die benadering zou worden afgerekend. Dat laatste zou terecht zijn geweest. Alleen gold het niet in omgekeerde richting: in de loop van de strijd intensiveerden de progressieve media hun zoektocht naar alles wat ook maar enigszins het beeld van Kavanaugh onsympathiek kon maken, daarmee de deur openzettend voor valse beschuldigingen.

Hier zien we de kracht van het ideologisch narratief: zijn vrouwen een slachtofferklasse “die het niet meer pikt” en mannen hun historisch bevoordeelde onderdrukkers, dan ontstaat er een dubbele maatstaf voor verdacht maken en besmeuren: in de ene richting is het een strijdmiddel dat we (eventueel met tegenzin) moeten gebruiken ter wille van een nobele zaak; in de andere richting is het blaming the victim, het slachtoffer op de koop toe ook nog eens de schuld geven, een uitvloeisel en voortzetting van de onderdrukking. Vrouwen zijn dan in het algemeen bij voorbaat slachtoffer en daarom in elk bijzonder geval hoogst waarschijnlijk slachtoffer. Het woord “slachtoffer” wordt inderdaad in zaken van beweerde seksuele misdragingen veelal van meet af aan gebruikt voor de vrouwelijke klaagster, alsof de feiten al vaststonden. En is een klacht eenmaal afgewezen of zelfs bewezen vals te zijn, dan nog blijft men de betrokken vrouw “slachtoffer” noemen, ongeacht hoe diep en duurzaam de beweerde “dader” door de aantijgingen beschadigd is.

De valse beschuldigingen waar de media bijna om vroegen kwamen natuurlijk en werden met dodelijke ernst behandeld. Dat wil zeggen: de toon was dodelijk ernstig, sensationeel, gelardeerd met opgelegde verontwaardiging. Een andere vorm van ernst, de traditioneel journalistieke kritische benadering van bronnen, zeker van al te smeuïge verhalen met een geur van partijdigheid, stond al langer bij het oud vuil.

Het Washington Post-artikel van Emma Brown is hiervoor bewijsstuk nummer één. De schrijfster had Blasey Fords jeugdvriendin Leland Keyser benaderd, omdat die volgens Ford op het betreffende feestje aanwezig was geweest. Het bleek dat Leland Keyser Kavanaugh indertijd nooit ontmoet of gekend had en zich van een feestje als beschreven niets herinnerde. Leland Keyser was tegenstander van de benoeming van Kavanaugh – maar ze had een geweten en wilde er niet om liegen. Een gewetensvolle en professionele journalist vermeldt een dergelijke ontkenning van het verhaal van haar bron. Zo niet Emma Brown, is achteraf gebleken: zij verzweeg in haar artikel het hele bestaan van Leland Keyser, nu eerlijkheid daarover niet in haar en Fords kraam te pas kwam.

Wederom de werking van het narratief: het naar het niveau van propaganda afzakken van de journalistiek – niet in de laatste plaats van bladen als de New York Times en de Washington Post, die vijftig jaar geleden bij uitstek als kwaliteitskranten mochten gelden en op die reputatie (in)teren – zou een thema op zich moeten zijn in de discussie; maar door de kracht van het dominante narratief is het vrijwel onmogelijk de aandacht van redacties of van een groter publiek daarbij te bepalen. Zij die dat in de kwestie Kavanaugh wel deden of het te midden van de anti-Trump-hysterie trachten te doen worden in het spraakmakende progressieve deel van de VS al gauw betiteld als “uiterst rechts” of erger.

(wordt vervolgd)

Het narratief (n.a.v. Kavanaugh) (4)

Het was voor de Democraten moeilijk Kavanaugh ergens op te pakken, al zochten journalisten koortsachtig naar incidenten die vlekken zouden geven op zijn smetteloze reputatie. Men probeerde het met een creditcardschuld die hij eens had opgelopen toen hij voor een hele groep toegangsbewijzen voor een honkbalwedstrijd had gekocht. Dat werd uiteraard weggelachen. Onder de hashtag #KavanaughScandals vermaakte men zich op Twitter met berichten als “Hij heeft eens vergeten een videoband terug te spoelen alvorens hem terug te brengen naar de videotheek”. De discussie was voorlopig dus nog min of meer gezellig, al onderstreepte men van ter linkerzijde graag twee dingen: Kavanaugh was een gevaar voor Roe vs. Wade en hij zou president Trump ongetwijfeld beschermen als het Hooggerechtshof beslissingen moest nemen inzake het lopende onderzoek van Robert Mueller. In het begin van de Obama-regering had hij namelijk een stuk geschreven waarin hij bepleitte een president voor de duur van zijn regeerperiode niet lastig te vallen met zulke onderzoeken (waarmee hij terugkwam van zijn eigen eerdere opvatting daarover).

Er vonden uitvoerige een-op-een besprekingen plaats van Kavanaugh met de senatoren die zitting hadden in de justitiecommissie. Ook was hun een enorme hoeveelheid documenten uit zijn tijd in het Witte Huis onder Bush ter beschikking gesteld waarmee ze hun beeld van de kandidaat nader konden invullen. De Democraten speurden daarin naar iets waarover ze Kavanaugh konden laten struikelen, de Republikeinen hoopten de discussies ermee uit de buurt te houden van Roe vs. Wade en flink saai te maken voor het grote publiek, als dat straks de uitzendingen van de openbare hoorzittingen zou volgen.

Meteen bij de eerste van die zittingen was het niet leuk meer. Democratische commissieleden vielen de voorzitter reeds tijdens zijn welkomstwoord herhaaldelijk in de rede met een verzoek om opschorting van de zitting in verband met de genoemde grote hoeveelheid documentatie; in de zaal zaten vrouwen in kostuums uit de film The Handmaid’s Tale, een dystopie over een extreem vrouwonderdrukkende samenleving; herhaaldelijk moesten de besprekingen onderbroken worden om schreeuwende en tierende leden van het publiek uit de zaal te verwijderen.

In de volgende dagen ging het weliswaar rustiger toe, maar niet te missen was het streven van de Democraten de kandidaat ergens op te pakken. Dat was echter het soort ondervraging waarop Kavanaugh goed was voorbereid en dat in de oefensessies ongetwijfeld een hoofdrol had gespeeld. Senator Kamalah Harris – kan uit Californië iets goeds komen? ja, zie alleen maar Victor Davis Hanson, over wiens Trumpboek ik eerder berichtte; maar mevrouw Harris, met haar passief-agressieve politieke correctheid en gespeelde verontwaardiging alsmede haar altijd maar weer uitspelen van haar sekse en huidskleur, vertegenwoordigt alles wat in het geografische en ideologische midden van Amerika weerzin wekt tegen de zuidwestelijke kuststaat – Kamalah Harris dan zette een heuse perjury trap op, een “meineed-val”. Wij kennen dat niet zo, maar in de VS is het zo verbreid als hondenpoep. Een ondervrager – een congreslid, een FBI-agent, een openbaar aanklager – probeert jou te verleiden tot een uitspraak die bij nader toezien onwaar blijkt. Het doet er weinig toe of alleen je geheugen je even in de steek gelaten heeft of dat de vraag zelf misverstand kon wekken – als ze je echt hebben willen, is het gotcha! Meineed! Had Kavanaugh over het onderzoek van Mueller ooit contact gehad met iemand van de firma van Trumps persoonlijke advocaat?, was Harris’ vraag. Kavanaugh was even in de war gebracht: doelde de senator op iemand in het bijzonder? Hoe kon hij weten wie er in de afgelopen twee jaar allemaal korter of langer bij de betreffende firma hadden gewerkt? Al zorgt een rechter, zoals Kavanaugh, natuurlijk ook in privégesprekken altijd voor terughoudendheid in zaken waar hij ambtshalve nog wel eens mee te maken kan krijgen, niemand in Washington sprak niet over het onderzoek, dus het was sowieso oppassen geblazen. Kavanaugh vermeed in eerste instantie een rechtstreeks antwoord. Zoiets ziet er niet goed uit voor een lekenpubliek. Waarom zo ontwijkend en aarzelend? Maar iedereen achter de tafel van de senatoren wist heel goed dat dit de enige verstandige tactiek was. Kavanaugh zou een slechte praktijkjurist zijn als hij volmondig “ja” of “nee” geantwoord had. Met de gewekte indruk van “draaien” had Harris niet meer dan een waardevolle troostprijs binnengehaald. Kavanaugh zou hier niet struikelen, maar de op strenge toon ondervragende Kamalah had zichzelf nationaal op de kaart gezet: goed voor haar latere gooi naar het presidentschap.

Dit illustreert al ons thema. Als eenmaal de narratieven zijn neergezet: “Kandidaat zal, eenmaal benoemd, optreden als advocaat van de president” en: “Vrouwen laten hun tanden zien”, dan krijgen de feiten vanzelf een bepaalde kleur. Wie lééft in zulke narratieven, gaat gemakkelijk mee in de hoopvolle bewondering waarmee een columniste van de Washington Post van het voorval berichtte: met haar “kunde van openbaar aanklager” (wat zij inderdaad geweest was) werd Harris “op slag een heldin van de Democraten”. En ongetwijfeld dragen de televisiebeelden dan bij tot dat effect. Mij viel op, dat het voor de eerste indruk reeds verschil maakte vanuit welk camerastandpunt je de ondervraging gepresenteerd kreeg. In eerste instantie zag ik alleen een fragment waarbij Kavanaughs gezicht niet in beeld was, dat van Harris wel. Daarbij maakte de ondervraagde meer de indruk te “bungelen” dan toen ik later zijn gezicht er bij kon zien: toen was echt duidelijk dat zijn woorden niet die van een betrapte zondaar waren, maar dat hij over elk woord nadacht, bedacht op een boobytrap. Het bewijst dat het begrip “beeld” zijn betekenis houdt naast “verhaal” of “narratief”.

Goed, Kavanaugh was er niet ingetrapt. Het team dat hem ondersteunde ging koortsachtig aan het werk om uit te zoeken wie er bij de firma Kasowitz, Benson & Torres werkten of in de laatste jaren gewerkt hadden en op welke persoon senator Harris mogelijk gedoeld had. Op grond van dat zoekwerk kon Kavanaughs antwoord de volgende dag ondubbelzinnig luiden: “Nee, senator, ik heb niet met advocaten van de bedoelde firma over het Mueller-onderzoek gepraat.”

De zittingen bleven doorspekt met onaangename en soms bizarre momenten, maar wat er van het begin af aan in gezeten had leek steeds meer te worden bewaarheid: de commissie zou langs partijlijnen verdeeld blijven over Kavanaugh en dus een positief meerderheidsadvies afgeven aan de voltallige Senaat. Te voorzien was dat hij ook daar op een kleine meerderheid kon rekenen en dan was de tijd gekomen voor taart en limonade voor de kinderen en een welgemeend dankwoord voor de velen achter de schermen die in de afgelopen tijd net zoveel slaap tekort waren gekomen als de kandidaat zelf. (Zo moest deze tussen maandagmiddag 10 september en de volgende woensdagavond nog 1287 schriftelijke vragen beantwoorden, vier van de Republikeinen, de rest van de Democraten – meer dan alle schriftelijke vragen die in het verleden aan kandidaten gesteld waren bij elkaar opgeteld. Zijn team had de vragen gegroepeerd en met nog andere ingrepen Kavanaughs taak beperkt tot het essentieel inhoudelijke.)

En toen gebeurde het. Senator Dianne Feinstein, ranking member, d.w.z. leider van de minderheid in (in dit geval) de justitiecommissie, kwam opeens met het bericht dat zij een zeer vertrouwelijke brief van een burger had ontvangen, waarover ze nu niets kon zeggen, maar die zij had doorgegeven aan de FBI. Ze had de brief al meer dan zes weken in haar bezit, maar noch commissievoorzitter Grassley noch Kavanaugh op de hoogte gesteld. Had ze dat wel gedaan, dan was er ongetwijfeld een vertrouwelijk gehouden onderzoek ingesteld om de beschuldiging van seksueel wangedrag – want daarom ging het – op haar merites te beoordelen en er vervolgens ofwel mee voor de dag te komen ofwel haar als kennelijk ongefundeerd of onbewijsbaar terzijde te leggen. Die weg had Feinstein, die tot dan altijd een goede, vertrouwensvolle werkrelatie met Grassley had gehad, bewust niet gekozen.

Zo had ze een hoop tijd gewonnen – nogmaals: dat was een streven van de Democraten – en hadden zij en haar partij in hoge mate het initiatief aan zich getrokken. Wat in de weken daarna volgde was een drama, niet alleen voor Kavanaugh en de zijnen – ik heb mijn redenen om niet toe te voegen: “en voor de betrokken vrouw, Christine Blasey Ford” – maar ook voor de rechtstaat. Het is moeilijk uit te maken wat in dat opzicht bedreigender is: de hysterische haat van links die in de volgende weken in deze kwestie zou losbarsten of de, door Trump terecht zo genoemde, heksenjacht tegen de president. Beide zijn in elk geval symptoom van ernstige ziekte van de westerse cultuur. En beide illustreren de kracht van het ideologische narratief.

(wordt vervolgd)

Het narratief (n.a.v. Kavanaugh) (3)

Komen we nu tot de bewogen geschiedenis van september en oktober 2018 rond de beoogde benoeming van Brett Kavanaugh. Voor de feiten leun ik (zonder voortdurende verwijzing met paginanummers) op het voortreffelijke boek van Mollie Hemingway en Carrie Severino: Justice on Trial. The Kavanaugh Confirmation and the Future of the Supreme Court, Regnery Publishing 2019. Het munt uit door een streven naar feitelijkheid, bij een eerlijk erkende conservatieve overtuiging van de auteurs. Hoe hoog en hoe lang het ook op de bestsellerslijst van de New York Times heeft gestaan, op de inhoud is door de liberal, dat wil heden ten dage zeggen: de anti-Trump media – New York Times, Washington Post, CNN, MSNBC enz. – nooit serieus ingegaan. Dat is des te pijnlijker omdat deze media een kwalijke hoofdrol hebben gespeeld in de, steeds duidelijker als zodanig onthulde, karaktermoord op Kavanaugh.

Aanvankelijk waren de aanvallen op de door Trump voorgedragen Kavanaugh niet persoonlijk. Voor feministische kritiek bood hij weinig grip. De assistenten die hij als rechter had gehad waren in meerderheid vrouwen. Zoals veel mannen met alleen dochters – hij heeft er twee: Margaret en Liza – ging hij nadrukkelijk mee in het streven vrouwen een extra zetje te geven. Ik vermoed zelfs dat hij weinig oog had voor de nadelige gevolgen voor jongens en mannen van het almaar doortrekken van die ideologische lijn, iets waar al decennia lang alle aanleiding voor bestaat (zie het werk van Christina Hoff Summers). Hoe dat zij, over de vrouwen in zijn leven weidde Kavanaugh nogal uit in de speech waarmee hij de nominatie voor het Hooggerechtshof door president Trump aanvaardde: zijn moeder, die rechter was; Elena Kagan, thans een progressief lid van het Hooggerechtshof, die de conservatieve Kavanaugh indertijd had aangenomen aan de in overweldigende meerderheid progressieve rechtenfaculteit van Harvard; zijn vrouw en dochters; de meisjes-basketbalteams die hij coachte.

De opsomming wekte ter linkerzijde enige wrevel. Het was ook wel iets te veel van het goede, maar daar had bij een progressieve kandidaat wellicht geen haan naar gekraaid. Op zijn minst was de irritatie dan anders van aard geweest: Republikeinen, en conservatieven in het algemeen, worden door links Amerika geacht vrouwvijandig te zijn, zoals ze bij voorbeeld ook niet zwart mogen zijn. Denk aan de bewering van Hillary Clinton dat vrouwen die in 2016 op Trump gestemd hadden dat uit gehoorzaamheid aan hun echtgenoten en vaders hadden gedaan: zelf denkende vrouwen stemden natuurlijk op haar! Wie zulke narratieven doorbreekt krijgt het voor zijn kiezen, in de VS veel meer dan hier. Het venijn van sommige latere aanvallen op Kavanaugh – “de beschuldigingen van seksueel wangedrag plaatsen zijn enthousiasme voor het meisjesbasketbal in een ander licht”, “het coachen van meisjes moet hem verboden worden”: dat soort dingen – kondigt zich achteraf bezien al aan in die vroege kritiek op zijn vrouwvriendelijke braafheid.

Maar echt belangrijk voor de tegenstanders van de nominatie was het gegeven dat een conservatief de bejaarde Anthony Kennedy zou vervangen, die weliswaar onder Ronald Reagan was aangesteld, maar in het verleden liberaal had geoordeeld over zaken als abortus en homo-huwelijk. De gevreesde ruk naar rechts was niet per se verbonden aan de persoon van Brett Kavanaugh. Sommige betogers voor het gebouw van het Hooggerechtshof droegen borden met de namen van andere kandidaten die eerder rondgezoemd hadden: #StopKethledge, #StopHardiman. De persberichten der verontrusten lagen al klaar en ook die werden soms niet tijdig bijgewerkt. De organisatoren van de Vrouwenmars lieten een verklaring uitgaan tegen “Trumps nominatie van XX voor het Hooggerechtshof”. In een persbericht van een andere organisatie werd Kavanaugh aangeduid met “zij”, kennelijk omdat men op de nominatie van Amy Coney Barrett had gerekend. Die gold inderdaad als een sterke kandidaat. Bij haar benoeming als federale rechter, enkele maanden eerder, had zij van Democratische zijde te horen gekregen dat zij te katholiek was om een goede rechter te kunnen zijn. Dat zou haar ongetwijfeld opnieuw voor de voeten geworpen worden, maar daar stond tegenover dat zij als vrouw praktisch immuun was voor beschuldigingen in de #MeToo-sfeer, zoals men die voor willekeurig welke mannelijke kandidaat verwachtte.

Na de voordracht door de president is de procedure: de vaste Senaatscommissie voor justitie hoort de kandidaat en geeft dan aan de voltallige Senaat (2 senatoren voor elk van de vijftig staten) een met de voordracht instemmend of een negatief advies, waarna de Senaat de benoeming voltrekt of afwijst. Ooit speelden partijtegenstellingen daarbij een ondergeschikte rol, maar die tijd ligt onmiskenbaar achter ons. Ditmaal was de verwachting dat de kandidaat het met minimale meerderheid zou halen: de Republikeinen hadden een meerderheid van 51 tegen 49, een paar Democratische senatoren moesten vrezen voor hun herverkiezing als ze tegen Kavanaugh stemden. Belangrijk is verder dat er in november verkiezingen voor het Congres zouden zijn. Slaagden de Democraten er op een of andere wijze in de procedure daar overheen te tillen, dan zouden de getalsverhoudingen wellicht in hun voordeel veranderen.

(Even over de uitkomst van die verkiezingen in november. In de Senaat versterkten de Republikeinen hun positie, in het Huis van Afgevaardigden verloren ze hun meerderheid. Het is niet onaannemelijk dat de uitslag in beide huizen gunstiger zou zijn geweest voor de Republikeinen als Robert Mueller vóór die tijd zijn (toen al vaststaande) conclusie bekend had gemaakt dat zijn in mei 2017 begonnen onderzoek geen bewijzen van collusie van de Trumpcampagne met Poetins Rusland had opgeleverd. Dat hij deze bevinding achter de kiezen hield tot vier maanden na de verkiezingen is maar één van de vele indicaties dat het onderzoek, inclusief het daaruit resulterende rapport, primair een politieke hit job was.)

(wordt vervolgd)

Het narratief (n.a.v. Kavanaugh) (2)

Voor ik op het kortstondig hernieuwde publicitair offensief tegen Kavanaugh inga, moet het eerst gaan over de gebeurtenissen van een jaar geleden en over de inzet van het conflict.

De VS kennen twee politieke partijen die ertoe doen, de Democraten en de Republikeinen. Beide hebben hun vleugels en stromingen. De Democratische Partij is meer en meer het thuis voor velen met, kort gezegd, een progressieve agenda. Sommigen van hen zouden de VS willen hervormen naar het beeld van een Europese verzorgingsstaat, anderen willen het klimaat tot programmapunt nummer één maken, weer anderen willen de vrijheid van meningsuiting (in de VS vastgelegd in het eerste amendement op de Grondwet) beperken voor niet-progressieve opvattingen (dit laatste verlangen leeft vooral op universiteitscampussen en bij internetgrootmachten als Google en Twitter). Een van de belangrijkste items voor progressieven is de vrijheid voor een vrouw om een abortus te ondergaan.

Elk van de vijftig staten van de VS heeft zijn eigen wetgeving aangaande abortus, maar het Congres kan in beginsel marges vaststellen waarbinnen die wetgeving moet blijven. Echter, dat is voor die gekozen wetgevers een heikele zaak. De kwestie ligt nu eenmaal uiterst gevoelig. Als landelijk de wetgeving vanuit Washington geliberaliseerd zou worden, zou de achterban van een lid van het Huis van Afgevaardigden of van een senator bij de volgende verkiezingen zijn ongenoegen kunnen laten blijken. Mogelijk gevolg: een breuk in een beoogde loopbaan als beroepspoliticus. Nee, men brandt zijn vingers niet aan de abortuskwestie.

Daarom kwam het goed uit dat het Hooggerechtshof in 1973 zich uitsprak over de abortuswetgeving van resp. de staten Texas en Georgia, waarin een fundamentele beslissing viel: het Hof oordeelde met ruime meerderheid (zeven tegen twee) dat het recht op abortus in de Grondwet besloten lag. “Besloten” of “door de vinders er eerst in verborgen”, daarover zijn de meningen verdeeld: de rechters beriepen zich met name op het veertiende amendement, dat de persoonlijke vrijheid van het individu tegenover de overheid wil waarborgen. Men refereert aan de twee beslissingen met de aanduiding van de procespartijen in een van de twee zaken: Roe v. Wade.

De beslissing is omstreden gebleven, niet alleen om haar inhoud, maar minstens evenzeer om haar constitutioneel gehalte. Moet over een kwestie als deze niet beslist worden door de gekozen vertegenwoordigers van het volk? Kan de ongekozen rechter een streep zetten door de democratisch tot stand gekomen wetgeving van een bepaalde staat? Dat kan, als de Grondwet het gebiedt. Maar mag je in de Grondwet met haar amendementen betekenissen inlezen die de opstellers van die teksten indertijd nooit bedoeld of voorzien hebben, wellicht hartstochtelijk zouden hebben afgewezen? Goed, laat de gedachtewereld achter die teksten deels verouderd zijn. Is het dan wederom niet aan de wetgever om die teksten, volgens de daarvoor aangewezen procedures, te veranderen of aan te vullen?

Lange tijd had het Hooggerechtshof een overwegend liberaal karakter. Dat was een garantie voor het in stand blijven van Roe v. Wade en voor nieuwe beslissingen in progressieve zin. (Zo werd in 2015 een verbod op het homohuwelijk ongrondwettelijk verklaard.) Waar de benoeming van een uitgesproken conservatieve rechter in het hoogste rechtscollege dreigde, bleken Democratische politici bereid zeer hard toe te slaan. De zonder meer unfaire aanval van senator Edward Kennedy op kandidaat Robert Bork bracht in 1987 zelfs een aanvulling op het Engelse woordenboek: to bork someone. Rechter Clarence Thomas werd in 1991 uit het niets van de zijde van een oud-medewerkster geconfronteerd met beschuldigingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dat het persoonlijk ressentiment van de vrouw, Anita Hill, een andere bron had dan zij beweerde – het was de intuïtie van velen. De beschuldigingen als zodanig waren enerzijds lachwekkend (“Is dat een schaamhaar in mijn cola?” zou Thomas eens gevraagd hebben), anderzijds berekend op reputatieschade.

President Trump heeft tot nu toe twee keer een kandidaat voorgedragen voor het Hooggerechtshof. De benoeming van Neil Gorsuch (januari 2017) was in de Senaat – die uiteindelijk beslist, na advies door de vaste commissie voor justitie – weliswaar inzet van politiek armpje drukken, maar echt persoonlijk en vuil werd het niet. Gorsuch zou immers de plotseling overleden Antonin Scalia vervangen: een conservatief voor een conservatief. In rechtsfilosofische termen: een textualist voor een originalist – in beide gevallen wil men dicht bij de oorspronkelijke zin van de opstellers van een wetstekst blijven. Gorsuch voor Scalia, dat was geen ruk naar rechts, eerder een lichte verschuiving naar links.

Maar toen, in juni 2018, diende de tweeëntachtigjarige opperrechter Anthony Kennedy zijn ontslag in. Met een nieuwe benoeming, ongetwijfeld andermaal van een conservatief, zou het liberale overwicht pas echt verdwijnen, althans precair worden. Die laatste nuancering is wel nodig. Een rechterlijke instantie beslist immers per geval en volgens de gegeven wet – een rechter moet daarbij niet zelden tegen zijn persoonlijke politieke overtuigingen ingaan. Die overweging was echter geen geruststelling voor progressief Amerika.

De voorgestelde kandidaat was Brett Kavanaugh, een bekende naam in het Washingtonse. Eind jaren negentig was hij lid geweest van het team van onafhankelijk aanklager Kenneth Starr, dat het rapport had opgesteld op grond waarvan president Clinton een afzettingsprocedure moest ondergaan. Als medewerker van president George W. Bush leerde hij zijn latere vrouw Ashley kennen, die Bush al in zijn tijd in Texas terzijde had gestaan. Kavanaugh had op het moment van de voordracht twaalf jaar zitting gehad in het Hof van Beroep van het District of Columbia (d.i. Washington), een belangrijke functie die kon gelden als springplank naar het opperrechterschap. Zijn behoudende rechtsfilosofie was zeker niet extreem. Ze liet flink ruimte voor het principe dat nieuwe rechterlijke beslissingen in de lijn van voorafgaande moeten liggen, mits die niet evident onhoudbaar zijn. Dat is onder meer van belang als het gaat om Roe v. Wade. Niettemin, velen hadden het gevoel dat wellicht de dagen van Roe v. Wade geteld waren. Dat verklaart veel van wat zou volgen.

(wordt vervolgd)

Het narratief (naar aanleiding van Kavanaugh) (1)

En ja hoor, het was weer raak. Eerst maar eens de versie van het verhaal die de NOS-site gaf op zondag 15 september jl. (22:20 uur). Ik zeg er bij dat er tot nog toe op die site geen aanvulling op, laat staan correctie van het bericht verscheen. Dat is een heel verschil met de VS, waar de focus snel verschoof van de berichte zaak naar de berichtgeving. Zowel de New York Times als de auteurs van het door die krant gepromote boek waarin de “nieuwe beschuldiging” staat zijn zwaar onder vuur komen te liggen. En ditmaal toonden niet alleen conservatieve medestanders van Brett Kavanaugh zich verontwaardigd.
Goed, eerst het woord aan de buitenlandredactie van de NOS:

Trump verdedigt rechter Kavanaugh na nieuwe beschuldiging seksueel wangedrag

President Trump heeft het opnieuw opgenomen voor Brett Kavanaugh, de rechter bij het Amerikaanse Hooggerechtshof die in verband is gebracht met seksueel wangedrag in zijn studententijd. Aanleiding is een nieuwe beschuldiging aan het adres van Kavanaugh.
Kavanaugh was nog kandidaat-rechter toen hij vorig jaar onder vuur kwam te liggen nadat drie vrouwen hem hadden beschuldigd van seksueel overschrijdend gedrag. Nadat een Senaatscommissie hem erover had ondervraagd, stemde de Senaat in met een krappe meerderheid in met zijn aanstelling.
The New York Times publiceerde gisteren een artikel met daarin een nieuwe aantijging. Een oud-studiegenoot aan Yale stelt dat Kavanaugh op een studentenfeestje zijn geslachtsdeel in de hand van een studente drukte. Het voorval zou zijn gerapporteerd aan de FBI en Senatoren, maar nooit zijn onderzocht. Daarop riepen drie Democratische presidentskandidaten, Kamala Harris, Elizabeth Warren en Julian Cástro, op de rechter af te zetten. Trump wil daar niets van weten en adviseert Kavanaugh aangifte te doen van smaad. Ook zou hij graag zien dat het ministerie van Justitie hem verdedigt. Hij spreekt op Twitter van “verzonnen verhalen”, “valse beschuldigingen” en “leugens”.
– Dan volgen de tweets van Trump. Het bericht gaat verder: –
Vorig jaar zei toenmalig studiegenoot Deborah Ramirez dat Kavanaugh in de jaren 80 op een feestje zijn geslachtsdeel voor haar gezicht had gehouden. Daarvoor had Christine Ford, een oude bekende van de rechter, laten weten in de jaren 80 als tiener te zijn betast door een “stomdronken” Kavanaugh. Ze werd op bed geduwd en ontsnapte toen een vriend ingreep. Ook Julie Swetnick beschuldigde hem van seksueel wangedrag in zijn studiejaren.
Kavanaugh heeft de beschuldigingen altijd ontkend. Vorig jaar sprak hij tegen de Senaatscommissie van pogingen tot “karaktermoord”. Op het artikel van gisteren in The New York Times heeft hij nog niet gereageerd.

Laat het bericht bij u eerst maar een beeld vormen van wat er aan de hand is. Want dat is waar ik het eigenlijk over wil hebben: hoe de media door selectieve (in dit geval deels ook feitelijk onjuiste) berichtgeving en de toonzetting daarvan een verhaal ingang doen vinden, dat op zijn beurt past in een groter verhaal. De verhalen versterken elkaar dan. Je kunt spreken van “beelden” en “beeldvorming”, zoals ik zojuist deed. Maar het begrip “verhaal” is vaak passender om het dynamische aspect, het feit dat je er als hoorder of lezer “in komt”, in betrokken raakt, deel van wordt. Ik zal ook de term “narratief” gebruiken. Dat lijkt alleen een lelijk synoniem van “verhaal”, maar de betekenis is specifieker: een verhaal dat men breed ingang tracht te doen vinden om de overtuigingen van mensen te beïnvloeden.

Zowel de handelwijze van de New York Times in dezen – als gezegd: inmiddels in de VS zelfs van ter linkerzijde scherp veroordeeld – als die van de NOS-site verdienen onze aandacht. In beide gevallen hebben journalisten getracht bepaalde narratieven te versterken. Het betreft het grotere verhaal: “vrouwen zijn in onze samenleving vanouds overgeleverd aan mannen: die hebben de macht en misbruiken haar”; en daarbinnen het kleinere verhaal: “Kavanaugh is zo’n man (of lijkt het op zijn minst te zijn) en hoort daarom niet in het Hooggerechtshof thuis.” In beide gevallen werden klassieke journalistieke zorgvuldigheidseisen terzijde geschoven, en daarmee ook meer algemene, fundamentele ethische beginselen. Een persoonlijke beschadiging, moreel van dezelfde orde als een lijfelijke verkrachting of mishandeling, werd niet alleen voor lief genomen, maar als effectief strijdmiddel bewust nagestreefd.

U denkt misschien: “Nou nou, als ik het bericht zo lees, geeft het toch geen aanleiding tot zulke grote woorden. Het is toch nogal wat als er telkens weer zulke beschuldigingen opduiken…” Als dat uw primaire reactie is, zitten we meteen bij de kern van het probleem.

(wordt vervolgd)

Wat is christelijk ? (5)

Na heel veel Trump keer ik kort terug naar een ander thema. In de vorige afleveringen daarover ging het over de toeëigening van het evangelie en “het christelijke” door een deel van de samenleving, een toeëigening die bepalend is geweest voor ons land in de tijd van industriële revolutie, verzuiling en ontkerkelijking. Ik besprak onder meer een Trouw-column van Stevo Akkerman waarin deze zijn hoon uitstortte over een stukje Bijbelse theologie dat Thierry Baudet ten beste had gegeven in de Tweede Kamer en tevens de loftrompet stak over de “echte” christenen die de prutsende amateur Thierry hadden gecorrigeerd. “Gecorrigeerd” naar het inzicht van Akkerman dan, die kennelijk meende door zijn herkomst uit een gereformeerd milieu wel kijk op te hebben deze dingen.

Vanaf het begin van de miniserie “Wat is christelijk?” speelde er door mijn hoofd een andere uiting van zitzak-christelijkheid (voor dit begrip zie aflevering 3). Ik wilde er aansluitend aan aflevering 4 over schrijven, want het sloot naadloos aan bij het stuk over Akkermans column. Maar ik kon er niet toe komen. De ergernis, de frustratie over zoveel arrogante onnozelheid van vooraanstaande kerkelijke figuren zat te diep. Maar goed, nu bijt ik daar dan doorheen.

Het gaat om een manifest dat in februari 2017 verscheen en dat, ondertekend door een aantal bekende namen uit theologisch en kerkelijk Nederland, zich richtte tot “onze politici in campagnetijd”. In maart zouden er namelijk verkiezingen voor de Tweede Kamer zijn. Daarbij zou Forum voor Democratie twee zetels veroveren. Nadrukkelijk werd er door deze partij, door de PVV, door de SGP en door sommigen in andere christelijke partijen gewezen op het historisch christelijke karakter van onze nationale en van de Europese cultuur. Dat schoot bij veel weldenkende progressieve christenen in het verkeerde keelgat en dat moest de wereld weten. Vandaar het door Alain Verheij geredigeerde manifest, waarin alles wat ik eerder onder de titel “Wat is christelijk?” aanwees als niet te pruimen, ja, strijdig met het evangelie, nog eens welsprekend geëtaleerd werd. Ik citeer eerst dat document, inclusief de lijst van eerste ondertekenaars (de vet geprinte woorden zijn dat ook in de tekst zoals ik die op het internet vond: https://www.petities24.com/christelijke-cultuur). Daarna volgt mijn commentaar.

Aan onze politici in campagnetijd.

Hier een bericht terug vanuit de christelijke cultuur.
Wij hebben uw
flirts gezien, en zijn blij met de hernieuwde waardering voor onze mooie traditie. Om de renaissance van onze relatie in goede banen te leiden,
laten we graag eerst even
onze kant van het verhaal horen.Het is beter om naar elkaar te luisteren, dan over elkaar te praten. Als u na het lezen van deze vijf stellingen nog steeds met ons verder wilt, zien wij uit naar vier mooie politieke jaren na 15 maart.

1. Boezemvrienden worden we (gelukkig!) nooit.
Een kerk is geen politieke partij, en een politieke partij is geen kerk.
Dat moet je ook niet willen, daarvoor hebben we de scheiding van kerk en staat.
Als die twee te veel bij elkaar op schoot gaan zitten, krijg je een politieke of religieuze dictatuur
waar niet God of het volk, maar alleen de machthebbers mee gediend zijn.
Of de zetels nou naar links of naar rechts gaan, de kerk zal altijd haar eigen koers varen.
En daarin niet bang zijn om kritisch tegenover de regering te staan waar het evangelie daarom lijkt te vragen.
In de bijbel woonden de beste profeten ver weg van het paleis, voor ieders bestwil.

2. Ons koninkrijk is niet van hier.
Christenen zijn geen stemvee. Hun koninkrijk is niet van hier, hun koning is niet van deze aarde.
Dat kun je dromerig noemen (letterlijk: het hoofd in de wolken) of staatsgevaarlijk (want Jezus had geen boodschap aan Caesar).|
ltijd zullen we onze handen en woorden inzetten voor een betere versie van de grond waarop onze voeten staan.
Altijd zullen we ons inzetten om het beloofde koninkrijk in godsnaam alvast wat gestalte te geven in het land waar wij leven.
Altijd zullen we verbinding zoeken met de naasten.
En toch blijft het zo dat je de christelijke cultuur onmogelijk kunt mobiliseren als politieke kracht.
Ons koninkrijk is een groteske utopie – te radicaal voor de compromissen van uw coalities,
te allesomvattend voor uw landsgrenzen, te veeleisend voor uw verantwoordelijke beleidsmakers.

3. ‘Christelijk’ is een uitnodiging, geen afgrenzing.
Iedereen mag bij de christelijke cultuur horen. Jood, Griek, man, vrouw, koning, slaaf.
Zo zei een van onze oprichters het ongeveer, de apostel Paulus.
Deze christelijke jood met een Romeins paspoort schreef dat in het Grieks.
Christen word je niet door ras of uit geboorte of vanwege je historie.
Christen mag je zijn door de genadige adoptie van een liefdevolle hemelse vader.
Dat uitnodigende karakter zit diep verankerd in de christelijke cultuur.
Overal waar die term gebruikt wordt, moet er een welkom klinken.
Jezelf ‘christelijk’ noemen om daarmee hele groepen anderen buiten te sluiten is geen optie binnen onze traditie.
Zelfs niet als die ander geldt als concurrent of zelfs bedreiging:
‘Heb uw vijand lief’ is een vuistregel die wij wonderlijk (soms pijnlijk) genoeg hebben meegekregen van onze Heer zelf.

4. De christelijke cultuur is barmhartigheid.
Wie ‘christelijk’ mag heten en wie niet, vertelt Jezus aan de hand van een verhaal over schapen en bokken.
De schapen (de christenen) staan aan Jezus’ rechterhand en mogen daar staan omdat ze hongerigen voedden,
dorstigen te drinken gaven, vreemdelingen opnamen, naakten kleedden en zieken en gevangenen bezochten.
Meer dan alle geloofsstellingen, meer dan alle kerkgang of kerkgeschiedenis
is dit het fundament van alle christelijke cultuur: de barmhartigheid.
Heb God lief boven alles en behandel een ander zoals je zelf behandeld wilt worden –
dat is het hart van de Wet en de profeten, en dus het hart van de christelijke traditie.

5. De christelijke moraal maakt het politici onmogelijk.
Wie de Bergrede of andere woorden van Jezus wil doorvoeren als politiek program, loopt al snel gillend weg.
Wraak wordt ondergeschikt aan het toekeren van de andere wang.
Vergeving moet tot in het oneindige worden herhaald.
Als een ander iets van je eist, moet je niet weigeren maar juist het dubbele geven.
Daar valt geen politiek op te bedrijven.
Het is een open uitnodiging naar gewelddadige profiteurs om een weerloze cultuur omver te lopen.
Eeuw in, eeuw uit hebben fans van Jezus het gezegd: ‘Dit kunt u toch niet menen!’
– Maar hij meende het serieus genoeg om het in praktijk te brengen en zich te laten verraden,
bespotten, bespugen, mishandelen en kruisigen.
Politici die met de christelijke cultuur flirten hebben de plicht om zich tegelijkertijd rekenschap te geven
van dat eerste voorbeeld van de ‘eerste christen’.

Tot slot
Wij passen ervoor om ingezet te worden voor holle campagne-retoriek,
om als stemvee te worden opgetrommeld, om de symbolische stok te zijn waarmee anderen worden weggeslagen.
Dat druist recht tegen het hart van het christendom in, dat wereldwijd open is,
grenzeloos barmhartig en lokale politieke beslommeringen ver overstijgt.
Aan de andere kant juichen we het toe – dat de christelijke traditie zoals christenen die zelf verwoorden, meer ruimte krijgt in het politieke spel en in het maatschappelijk gesprek.
Laat kinderen weer iets leren over die dwarse idealist die Jezus Christus was.
Laat hen leren wat geloven betekent, zodat zij met begrip kunnen opgroeien in een multireligieuze samenleving.
Laat hen leren waar de alomtegenwoordige christelijke symboliek in onze geschiedenis echt naar verwijst,
zodat ze beschermd worden tegen opportunistisch misbruik ervan.
Leef het hen politiek voor, zodat al het mooie dat de christelijke cultuur voorstaat, meer gerealiseerd zal worden.
Tot zegen voor alle volken, zoals de oude woorden dat zo mooi zeggen.

Eerste ondertekenaars

Minella van Bergeijk – Hoofdredacteur Eva Evangelische Omroep
Geert Jan Blanken – Hoofdredacteur TV Evangelische Omroep
Erik Borgman – Theoloog van het Jaar 2012
Mark de Boer – Directeur Ark Mission / Ark Media
Frank Bosman – Meest spraakmakende theoloog 2011
Wim de Bruin – Predikant Christelijke Gereformeerde Kerken
Jurjen ten Brinke – Kerkpionier Hoop voor Noord Amsterdam
Karin van den Broeke – Preses Protestantse Kerk in Nederland
Miranda Klaver – Antropoloog en Theoloog Vrije Universiteit
Rolinka Klein Kranenburg – Pionier-dominee Protestantse Kerk in Nederland
Mirjam Kollenstaart-Muis – Predikant Protestantse Kerk in Nederland
Gerard de Korte – Rooms-Katholiek bisschop van het bisdom Den Bosch
Arjan Lock – Directeur Evangelische Omroep
Hendro Munsterman – Rooms-katholiek theoloog en journalist Nederlands Dagblad
Janneke Nijboer – Pionier-dominee Protestantse Kerk in Nederland
Rebecca Onderstal – Pionier-dominee Protestantse Kerk in Nederland
Stefan Paas – Hoogleraar missiologie en interculturele theologie Vrije Universiteit
Bram Rebergen – Directeur Youth for Christ Nederland
René de Reuver – Scriba Protestantse Kerk in Nederland
Joost Röselaers – Algemeen secretaris Remonstranten
Willem Smouter – Preses LV Nederlands Gereformeerde Kerken
Janneke Stegeman – Theoloog des Vaderlands
Marco van der Straten – Hoofdredacteur Visie en Geloven Evangelische Omroep
Joris Vercammen – Aartsbisschop van de Oudkatholieke kerk
Rikko Voorberg – Pionier-theoloog
Anne Westerduin – Directeur Uitgeversgroep Royal Jongbloed


Alain Verheij (tekst)

“Hier een bericht terug vanuit de christelijke cultuur.”
Daar begint het al mee. Van der Staaij en Baudet beroepen zich op het diep door het christendom bepaalde karakter van onze cultuur, maar de ondertekenaars van het manifest staan in die cultuur, stellen zij: in wat alleen authentieke christelijke cultuur mag heten. Het manifest is weliswaar zo geschreven dat de ondertekenaars zich altijd kunnen verschuilen achter: “we hebben het tegen alle politici”, maar er kan geen misverstand ontstaan over de primaire schietrichting. Zowel de publieke discussie van die tijd als de woordkeus van het manifest zelf zorgen daarvoor. De gedachte is kennelijk: in hun hoedanigheid zoals die blijkt uit toevoegingen aan hun namen hebben de ondertekenaars een bijzonder recht van spreken en heeft hun woord een bijzonder gewicht, ook tegenover de SGP (immers een politieke partij en geen kerkvorst, beroepsgodgeleerde of christelijke uitgever), om van een buitenstaander als Baudet maar niet te spreken. “De christelijke cultuur” is van ons, laat dat goed duidelijk zijn: als u, politici, roept van over de slotgracht, dan roepen wij terug vanaf de weergang achter de kantelen. Daar zult u het in eerste instantie mee moeten doen. Ik wees in aflevering 3 op een andere mogelijke reactie dan dit dappere roepen. De grondhouding zou – vooral tegenover zgn. cultuurchristenen – kunnen en moeten zijn (in mijn woorden van toen): “Ja (…) we bevinden ons samen in dezelfde situatie: tegenover God die ons ontmoet, geconfronteerd met eeuwen van verkondiging. Wij zijn blij dat we elkaar daarin vinden (…) het is goed dat u zich de christelijke traditie niet laat afpakken door de groepen die zich haar hebben toegeëigend.”

Op de “ons”-en-“wij”-toer gaat het verder: “onze mooie traditie”, “onze kant van het verhaal”, “Als u na het lezen van deze vijf stellingen nog steeds met ons verder wilt”. Immers, “Wij hebben uw flirts gezien” – proef dat zinnetje: u bent in het flirt-stadium, wij zijn de ernst van het huwelijk aangegaan. Ken uw plaats!

Als uitleg van stelling 1, “Boezemvrienden worden we (gelukkig!) nooit”, volgt een kort betoog over de scheiding van kerk en staat, die een al te intieme relatie van kerk en politieke partijen dient uit te sluiten. En bij stelling 2, “Ons koninkrijk is niet van hier”, heet het: “Christenen zijn geen stemvee”. Los van het feit dat een bekende uitspraak van Jezus hier in een handomdraai een uitspraak van “ons” wordt (zonder een Pilatus in de buurt, wel zo veilig), is het op zich juist gezegd. Maar het roept voor wie iets weet van geschiedenis en kerkgeschiedenis vragen op, die men ten onrechte laat liggen.

In het verleden was er namelijk beslist wél boezemvriendschap tussen de ARP en de Gereformeerde Kerken, tussen de RKSP en later de KVP en de Rooms-katholieke Kerk. Kerkleden waren wel degelijk stemvee. Kerkelijke en politieke leiders mobiliseerden ongegeneerd het evangelie daartoe en dat heeft de politieke en kerkelijke geschiedenis van Nederland diepgaand bepaald. De “christelijk-sociale leer” is zowel onderdeel van het door ondertekenaar bisschop De Korte te verdedigen leercorpus van de kerk van Rome als centraal element in de ideologie van de christendemocratische politieke traditie. En nog altijd zou ik niet graag de kerkleden de kost moeten geven die ervan uitgaan dat een christelijke partij voor een gelovig mens de default-optie is en behoort te zijn.

Het manifest probeert, als gezegd, enigszins de schijn op te houden dat het zich uitdagend richt tot politici in het algemeen, voor zover die zich op de christelijke traditie beroepen. Waarom dan niet met zoveel woorden uitgesproken dat de kerk in het verleden, met significante uitlopers tot in het heden, het juist op dit punt zelf fout gedaan heeft en dus geen recht heeft hoog van de toren te blazen? Immers, de kerken voedden een sfeer waarin “christelijke politiek” een vanzelfsprekende concretisering van het geloof leek, als dat al niet expliciet gezegd werd. Waarom niet met zoveel woorden uitgesproken dat men bij nader inzien, en ook voor het heden, christelijke partijvorming als zodanig reeds een stap in de verkeerde richting vindt? En als het in zulke partijen, zeg: in CDA en CU, slechts gaat om “christelijkheid” in een afgeleide, culturele zin – waarom ook dat dan niet met naam en toenaam uitgesproken? En dan weer met het oog op Baudet c.s.: waarom zouden die zich niet op een historisch christelijk karakter van Nederland en Europa mogen beroepen, waar een ondertekenaar als ds. René de Reuver afkomstig is uit de hervormde traditie, die vaak over Gods weg met Nederland theologisch heel uitvoerig kon (en her en der nog altijd kan) oreren?

Het antwoord op al deze vragen is: het is veilig flink doen tegen SGP en FvD, maar niet tegen CDA en CU. Dat laatste is op den duur niet goed voor de opbrengst van de actie Kerkbalans en het verwijdert je van het (weliswaar verdeelde, maar zeer reëel bestaande) brede midden van de politiek – en dus van de macht. Als u zich al afvroeg waarom het would-be profetische van het manifest zo gekunsteld, zo onwaarachtig klonk – hierom dus.

” ‘Christelijk’ is een uitnodiging, geen afgrenzing” en “Jezelf ‘christelijk’ noemen om daarmee hele groepen anderen buiten te sluiten is geen optie binnen onze traditie”. Prachtig hoor. Het klinkt zelfs sterk naar dingen die ik hier zelf eerder schreef. Maar zichzelf in strikte zin “christelijk” noemen, dat doet een Baudet nu juist niet. Hij zegt alleen: er is een culturele neerslag van kerk en christendom die we niet moeten verkwanselen. En dan: afgrenzen en buitensluiten is precies wat het manifest van a tot z zelf doet – niet door Christus af te grenzen van “ons”, het Woord van zijn beoogde hoorders (was het maar waar), maar uitgerekend door “ons”, de echten, te stellen tegenover de anderen. “De zuivere christelijke traditie, dat zijn wij, die hier aan het woord zijn” is de onmiskenbare teneur. Je voelt het gewoon onder de oppervlakte van de woorden trillen: mensen die op het gezicht een vergelijking maken van de Islam zoals die zich heden ten dage manifesteert met het Christendom zoals dat onze mentaliteit en instellingen heeft bepaald en die daarbij op iets anders uitkomen dan “het zijn allebei Abrahamitische religies en de Islam is een religie van vrede” moeten liefst hun mond houden. Wat denken ze wel, die nieuwkomers op ons erf? En als ze niet hun mond houden, zullen wij het kerkvolk in elk geval voor hen waarschuwen. (Want zo is het natuurlijk: over het hoofd van “onze politici” en bepaalde politici in het bijzonder heen wordt een ruimer gehoor aangesproken en dat zal zich – je voelt het vertrouwen bij wie zo diep geïnspireerd zijn door de Dwarse Idealist – toch zeker laten gezeggen door het stemmenkoor van goede herders, van Van Bergeijk tot Westerduin.)

Tegen het eind van het manifest worden wij gewaarschuwd tegen “holle campagneretoriek” en “opportunistisch misbruik” van “de alomtegenwoordige christelijke symboliek in onze geschiedenis” (de uitdrukking is niet geheel doorzichtig). Alleen: dan hebben we al enkele mooi klinkende algemene termen gehoord over “barmhartigheid” en “christelijke moraal” die, duidelijk gericht als ze zijn tegen ieder die niet een bepaalde orthodoxie aangaande de immigratieproblematiek onderschrijft, met enig recht “hol” en “opportunistisch” mogen heten. Als politici die “met de christelijke traditie flirten” dat alleen mogen doen wanneer ze duidelijk de eerste christenen als voorbeeld nemen – alsof dat voorbeeld ons in onberispelijke helderheid voor ogen stond, maar goed, laten we eens de dwars idealistische denktrant volgen, die altijd zo goed weet wat een ander moet doen en laten – waarom dan geen duidelijke eis gesteld aan de paus: laat de muur rond Vaticaanstad afbreken en verschaf ieder die er binnenkomt een onbeperkt verblijfsrecht, laat ze desnoods met bussen van de kusten van Zuid-Italië brengen? Waarom niet dáár begonnen, als toch ook het oordeel begint bij het huis Gods (1 Petrus 4:17)? Waarom in plaats daarvan, roepend van tussen de kantelen, de zogenaamd “onechten” beleren? En waar is iets te bespeuren van de vraag of die flirtende onechten misschien op bepaalde punten scherp gezien hebben en ons wellicht iets te zeggen hebben van Godswege? Die gedachte is kennelijk bij Verheij en de ondertekenaars nooit in ernst opgekomen, laat staan doordacht. Dat maakt het hele manifest zo hol, zo ongeloofwaardig.

Zo, nu is het eruit.

Voor wie minder gauw klaar is met immigratieproblematiek en cultuurchristendom – anders gezegd: voor wie niet met Verheij, De Reuver, De Korte en andere “echten” wil zitten in de kring der zitzakkers, raad ik aan:

Douglas Murray: The Strange Death of Europe: Immigration, Identity, Islam (2017).

Sla vooral de introductie door de interviewer Rod Liddle niet over: bijzonder geestig.
Van 33:00-39:42 over Europa’s geestelijke crisis, met aandacht voor het verschil tussen West- en Oost-Europa. Meteen daarna vanaf 40:05 over de tendens van kiezers om te vragen om een lager tempo van immigratie en het negeren daarvan door bestuurlijke elites.


Pasen 2019

Met Pasen waren in onze kerk in ‘s-Heer Hendrikskinderen de lezingen: Jesaja 51:6-11 (“Vreest niet voor de smaad der stervelingen, wordt niet verschrikt vanwege hun beschimpingen”), Johannes 20: 1-18 (Maria Magdalena, die “dacht dat het de tuinman was”) en Lucas 24: 13-35 (de Emmaüsgangers). Ze werden omlijst door de liederen 659 (“Kondigt het jubelend aan”) en 630 (“Sta op, een morgen ongedacht”).

In de uitleg en verkondiging zoals ik die waagde, zult u de invloed opmerken van mijn lectuur en schrijverij van de laatste tijd:

Lieve gemeente,

Pasen is vreugde. Vandaag is een dag van vreugde.
Maar wat maakt de vreugde van deze dag nu zo diep, alomvattend?

Het eerste antwoord is natuurlijk: het gaat om de overwinning op de dood – grotere woorden bestaan niet. En als dat méér is dan woorden, als het waar is… Dat moet wel de grootste vreugde zijn.
Zelfs al komt de dood soms als een verlossing: er is iets wat nóg sterker is dan deze verlossing, nóg meer een bevrijding.

Toch is dat allemaal nog te algemeen, gemeten aan de Bijbel.
Er is meer over te zeggen.

Ik zal een geschiedenis vertellen die een beetje herinnert aan de gestalte van Jezus.
Daarna gaat het weer uitdrukkelijk over Jezus zelf.
Hopelijk is dan nog wat duidelijker waarom er bij de leerlingen én schrik én vreugde is als de opgestane Heer hun verschijnt – en waarom de vreugde zo diep is – verdiept door
de schrik, zoals het licht uit het donker breekt: en het werd avond en het werd morgen.

In een land hier ver vandaan waren twee groepen mensen.
De ene groep deed zaken met de hele wereld, was goed met moderne dingen zoals computers, genoot van het leven, keek vooruit. En de toekomst straalde: deze mensen zagen de hele mensheid al gelukkig worden, iedereen zou iedereen omhelzen: blank en bruin en rood en geel; mannen, vrouwen en allerlei variaties daarop…
De andere groep had altijd gedacht: als je maar wilt werken en je leeft fatsoenlijk, dan kun je in dit land een goed leven hebben. Maar waar zij woonden (het was een groot land) ging dat verhaal niet meer op. De dingen die zij vroeger maakten, bij voorbeeld auto’s, werden in het buitenland goedkoper gemaakt. Dus hun fabrieken waren dicht en zij hadden geen werk. Het goede leven van vroeger was voorbij. Als zij vooruit keken, zagen ze enkel een grauwe mist.

De eerste groep keek naar de tweede en vond dan: “Wat zijn die mensen dom, dat ze niet net zo’n modern leven leiden als wij. En wat gaan ze ouderwets, om niet te zeggen achterlijk, met elkaar om, mannen en vrouwen bij voorbeeld, helemaal niet geëmancipeerd. Weet je, het is natuurlijk hun bekrompenheid waardoor ze zo falen. Het is hun eigen schuld. Je hoort ze nooit over die mooie toekomst van ‘blank en bruin en rood en geel; mannen, vrouwen en alle variaties’ – dus ze zullen wel iets tegen mensen met een andere huidskleur hebben; en de mannen zullen wel de baas spelen over de vrouwen en dat soort dingen – bah, wat een nare mentaliteit”

De tweede groep dacht niet zoveel na over de eerste. Maar ze hoorden wel op de radio en de tv hoe die groep over hen dacht: “Bekrompen, achterlijk, hekel aan mensen met een andere huidskleur…” Dat hoorden ze over zich zeggen, dag in dag uit, week in week uit, jaar in jaar uit. Het maakte ze moedeloos en verdrietig, maar wat konden ze doen? Zij werden niet zomaar uitgenodigd om op de tv weerwoord te geven – en die anderen waren zo vreselijk, zo vreselijk overtuigd…

Toen mocht het land een nieuwe president kiezen. Er waren twee kandidaten.

De ene kandidaat zei dingen als: “Kijk, die ene, die moderne groep doet het goed. Die andere zou daar eens een voorbeeld aan moeten nemen. Maar dat doen ze niet. Ze zitten maar te mopperen dat het vroeger beter was, toen hun fabrieken nog open waren. Ze willen de mooie toekomst niet, waarin blank en bruin en rood en geel, mannen, vrouwen en alle variaties samen gaan. Treurig hoor… Lelijk ook van ze.”

De andere kandidaat was een wat vreemd type. Een merkwaardige blauwe gloed over zijn huid en haar waarvan je je afvroeg of het wel echt was en altijd gekleed in hetzelfde soort pak, met een heel grote rode vlinderdas, links en rechts tot halverwege zijn schouders. Hij had ook een wat twijfelachtig verleden, financieel en toestanden met vrouwen. En hij was schat- en schatrijk. Laten we hem Dagobert noemen – al was hij volstrekt niet gierig.
Dagobert zocht de mensen van de tweede groep op, de verliezers, die zogenaamd zo bekrompen waren en de veelkleurige toekomst niet genoeg omhelsden. En hij sprak tot ze in hun eigen taal: eenvoudig, rechttoe rechtaan, zoals je praat als je met elkaar aan de keukentafel zit. Hij zei niet: “Het is allemaal jullie eigen schuld”, maar hij zei: “Het is gewoon niet eerlijk dat jullie werk je afgepakt is. Jullie hebben gelijk dat je daar bitter over bent. En als de tv en de krant je een trap na geven met hun praatjes over een veelkleurige toekomst en dat jullie zo bekrompen zijn, dan zijn die krant en die tv jullie vijanden: ze trappen jullie op het hart.” Hij praatte niet alleen maar zo om hun stemmen te winnen. Nee, hij zei: “We gaan er samen iets aan doen!” – en je voelde dat hij het meende.

De mensen van de verliezersgroep dachten: “Dát is onze man.” Ze voelden: die rare snuiter is anders dan de anderen, hij stelt zich niet boven ons. Hij geeft ons hoop dat we uit onze situatie bevrijd kunnen worden. Het is geen noodlot dat onze rol is uitgespeeld.

De mensen van de andere, de succesgroep riepen: “Wat een vreselijke man! Met zijn blauwige huid en zijn veel te grote vlinderdas en zijn affaires – en nu zoekt hij die achterlijke groep foute, foute mensen op.” En ze maakten hem hetzelfde verwijt als ze die mensen maakten: dat hij natuurlijk niet van mensen met een andere huidskleur hield.

En hoe reageerde Dagobert? Hij verontschuldigde zich niet. Hij ging ook niet omstandig uitleggen dat hij heus wel voor een veelkleurige toekomst was. Hij zei alleen: “Onzin, die verwijten, klopt niets van. Punt.” En hij bleef ongenuanceerde dingen zeggen – maar waarvan veel mensen dachten: “Ja, maar hij heeft wel een beetje gelijk!”

U had het al verwacht: Dagobert werd president.
En hij maakte veel ernst met zijn beloften aan de zogenaamde verliezers. Velen van hen kregen weer moed en werk. Of moet ik zeggen: werk en moed.

Dagobert had tot het hart gesproken van mensen die alleen nog maar minachting ondervonden. Hij had alle smaad op zich af laten komen die ook zij al jaren op zich af zagen komen.
En daarmee had hij het goede gedaan. Ja, het éne goede.
De mensen van de succesvolle groep voelden dat ook wel – diep van binnen konden ze het niet ontkennen. En dat was nu zo onverdraaglijk. Nu stonden ze onverbiddelijk voor de keus: toegeven dat Dagobert de kern geraakt had, wezenlijke dingen zuiver had gezien en gezegd – of zich verharden, zich overgeven aan hun haat. En dat laatste gebeurde. Ze konden het idee niet loslaten dat zij superieur waren aan die andere groep mensen. Het was een verslaving geworden. En daarom werd ook hun haat een obsessie, een verslaving.

Ze hadden aan de goede kant gestaan, dachten ze altijd – en nu voelden ze dat ze juist daarmee al die tijd het verkeerde hadden gedaan: ze hadden zich verheven gevoeld en anderen geminacht. Die rare snuiter, met zijn veel te grote vlinderdas, die dubieuze figuur met zoveel grote, grote fouten, die had het aan het licht gebracht. Die had de vertrapte harten bespeurd – en tot die harten gesproken.

Wat een schrik! voor de enen.
Wat een vreugde! voor de anderen.
Een vreugde veel inniger dan dat toch wat goedkope visioen van “blank en bruin en rood en geel; mannen, vrouwen en alle variaties”.
Onder de schrik roerde zich die vreugde, die door de schrik heen wilde barsten. Maar dan moest ook die illusie barsten dat jij goed was en die anderen slecht.
En bij velen, in dat verre land, werd de schrik niet tot vreugde, maar tot haat.

En nu terug naar Jezus.
Hij heeft gesproken tot het hart van de scharen.
“De scharen”, heet het telkens weer in de evangeliën: de grote menigte van vermoeide en belaste mensen. Ze stromen naar hem toe – en voor de officiële leiders van het volk is dat bedreigend. Er is toch al de tempel als het hart van het volksleven? Er zijn toch al de Farizeeën en Schriftgeleerden die de weg wijzen?
Wat is het toch, tussen die Jezus en de scharen? En de tollenaars en zondaars?
Wat wil die populist, met zijn eigenwijze kijk op de Schriften?

Maar ze kunnen niet ontkennen: hij spreekt tot het hart van mensen, die zich gehaat voelen als tollenaars, geminacht als zondaars, die chaotisch verstrooid en belast zijn en vooral zo moe, zo moe…

Hij spreekt tot vertrapte harten.

Maar was dat niet precies wat de God Israëls altijd gedaan had, de God van de uittocht uit de verdrukking?
Maar dan deed die vreemde snuiter, die Jezus, wat zij hadden moeten doen, zij, de leiders van het volk. Zij stonden aan de goede kant, dachten ze altijd, maar nee: dit was het, wat deze man deed.
Wat een schrik!

En hun schrik wilde geen vreugde worden, verhardde zich tot haat. De smaad die ze altijd gericht hadden tegen de zondaars en de tollenaars en de schare die de wet niet kent – die smaad deden ze nu ten volle neerdalen op Jezus’ hoofd.
Ze zouden laten zien hoe onmogelijk het was wat die man deed en wilde.
Ze zouden laten zien hoezeer de scharen zich vergist hadden met daar achteraan te lopen. Want blijf er maar eens in geloven, als je hem daar ziet hangen tussen twee moordenaars – de smadelijke dood van slaven en opstandelingen.

En zo is het gebeurd.
Met de dood van Jezus is zijn smaad volledig. De opgang naar Jeruzalem werd de meest totale afgang. Vooral ook omdat het een van de zijnen was die hem overleverde en omdat al de zijnen wegvluchtten of zeiden: “Ik hoor niet bij hem, hoor!” Zelfs de scharen riepen: “Kruisig hem!” Er was geen mens meer, die hier geen goddeloze bleek.

Maar juist die uiterste vernedering – dat einde waarin dood en smaad samenvallen – was ook Gods uiterste solidariteit. Alle smaad liet hij op zich aanlopen, waar wij terugweken en een lege plaats open lieten. Op die plaats is Gods Zoon, is God zelf gaan staan.
Pas achteraf, als dat volbracht is, kan tot ons hart het diepste gezegd worden wat dat hart nodig heeft. En de stem die het zegt, kan alleen de stem van Jezus zelf zijn, die niet tot zwijgen is gebracht.

En zo gebeurt het: de gestalte van Jezus gaat spreken.
Hij wordt zozeer onze gastheer dat we voelen: waar hij het brood breekt, wordt ons leven zelf gevoed – hij heeft zichzelf voor ons gebroken.
Het gaat allemaal zozeer spreken dat ons horen zien wordt.
We gaan zien dat we blind waren met ons altijd maar aan de goede kant staan.
Wat kun je dan anders dan omkeren op de weg van je mismoedigheid, wég van wat de Schrift “zonde” noemt.

De Emmaüsgangers zijn mismoedig. Ze keren Jeruzalem weer de rug toe: daar had het moeten gebeuren, maar daar is het definitief misgegaan.
Ze herkennen Jezus eerst niet – zoals alle mensen in de wereld vergezeld worden door Jezus, maar ze herkennen hem niet.
Wij herkennen hem niet.
Onze blik is bevangen: we wéten al hoe het zit, we wéten waar we de goeden en de slechten te zoeken hebben.
En ook alles wat de Schriften leren over God dringt maar steeds niet tot ons door. Al beweegt er daarbij wel iets, diep van binnen. Ons mismoedige hart is brandende. Er wil iets naar buiten.

En dat wordt naar buiten geroepen als God Jezus’ stem bevrijdt uit de stilte van de dood.
Tot op de huidige dag en tot in de verste toekomst zullen mensen die stem telkens weer horen. En ze zullen zien, wat eerder niet te zien was, toen het allemaal nog niet volbracht was: dat ze waarachtig tot in de hoogste hemelen niet veracht worden, maar gezien en bemind zijn.

Dat is de diepte, het alomvattende van de vreugde van Pasen.
Niet alleen dat de dood het laatste niet is – al is dat al veel.
Maar dat de dood die ons wilde opsluiten in onze wereld van smaden en gesmaad worden, vernederen en vernederd worden – dat die dood overwonnen is.
Hij zou wel willen, maar hij kan niet verhinderen dat ons hart bereikt wordt en hoort:
“Je bent bemind, eeuwig bemind. Sta niet meer samen met hen die oordelen aan de goede kant, maar sta op tot een nieuw leven. Laat dit de wereld weten! En zie de wereld hierop aan, dat Jezus haar al vergezelt. Verheug je bijvoorbeeld, als die man in dat verre land met zijn grote vlinderdas mensen moed geeft. Maar vooral: voel de moed die geboren wil worden in je eigen hart. Alles wat daar brandde aan verlangen mag uitbreken in vreugde.”

In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest

Victor Davis Hanson: The Case for Trump (slot)

Sinds de voltooiing van Hansons boek is er alweer het een en ander gebeurd.

Leek bij de Congres-verkiezingen van 2018 het verlies voor de Republikeinen in het Huis van Afgevaardigden aanvankelijk beperkt te blijven tot 30 zetels (p. 366), volgens de definitieve telling gaat het om 42 zetels. Dat is weliswaar nog ruim beneden het verlies van de Democraten bij de eerste midterms onder Obama in 2010 (63 zetels) en onder Clinton in 1994 (53 zetels), maar het ligt ruim boven het gemiddelde van 25 voor de partij van de zittende president tijdens een eerste termijn. Belangrijker is dat hoe dan ook de Democraten het Huis nu beheersen en vastbesloten zijn onafgebroken, tot november 2020, daarvan gebruik te maken om de president te bedelven onder onderzoeken en bij iedere stap de voet dwars te zetten.

Belangrijke wetgeving met een sterk politieke lading, zoals de eerdere belastinghervorming, is vanaf nu niet meer mogelijk. De centrale verkiezingsbeloften omtrent de grensmuur met Mexico en een alternatief voor Obamacare zijn daarmee klemgereden. Hervorming van de gezondheidszorg lijkt Trump wel te kunnen opgeven. Het aanvankelijk impopulaire Obamacare wordt inmiddels door een meerderheid van de bevolking omhelsd als “tenminste iets”. Wat “de muur” betreft is er wellicht iets te regelen via executive orders, presidentiële maatregelen, zeker gezien de omvang van de grenscrisis. Maar Trumps manoeuvreerruimte blijft hier formeel staatsrechtelijk misschien wel groot, maar politiek beperkt.

Een opmerking tussendoor. Het was Obama, die na het verlies van de meerderheid in het Congres zijn toevlucht nam tot het middel van de executive order (“Ik heb hier een pen en een telefoon!”). Trump zet deze trend voort en levert daarmee een bijdrage aan het verschuiven van beleid van het Congres naar de uitvoerende macht. Voor het gat waardoor de wetgevende macht haar verantwoordelijkheid naar de ene kant liet weglekken naar een activistische rechter – een trend die onder Trump enigszins gekeerd werd door de toegenomen bezetting van de federale rechterlijke macht met behoudende figuren – is nu aan de andere kant een gat ontstaan. Dat is geen winst voor wie hecht aan het grondplan van de Constitutie. Het zal conservatieven op korte termijn niet voldoende vervreemden van de president, gezien de vaak zwakke binding ter linkerzijde aan diezelfde Constitutie. Maar het probleem ligt er – even onverbiddelijk als de kolossale en nog altijd stijgende staatsschuld.

Zowel de Democratische meerderheid in het Huis van Afgevaardigden als de sterk daarmee verbonden mainstream media moeten hun teleurstelling verbijten over de negatieve uitkomst van het onderzoek van Robert Mueller. Toch lijken zij de koers van de afgelopen twee jaar vol te houden door 1) zoveel mogelijk van het Ruslandverhaal te redden als mogelijk en 2) overigens de aandacht te verleggen naar het hun door Mueller weloverwogen aangereikte handvat (zie wat ik schreef op 25 maart): belemmering van de rechtsgang is niet voldoende bewezen voor een aanklacht, maar ook niet geheel weerlegd. In de berichtgeving omtrent het Mueller-rapport en de arrestatie van Julien Assange in mijn dagblad Trouw zijn beide lijnen aan te wijzen. In de VS worden ze nog veel forser getrokken.

Identiteitspolitiek als fundamentele inzet en in dat verband het demoniseren van Trump, dat lijkt voorlopig de keuze van de aspiranten naar de Democratische kandidatuur voor 2020. De een na de ander verklaart zich voorstander van herstelbetalingen voor de slavernij (niet voor die waarvoor ik op 30 januari verwees naar het boek White Cargo, maar dat had u ook niet verwacht). Je maag draait om als je ziet hoe ze allen de schoenzolen likken van Al Sharpton, de zelfbenoemde zwarte leider met een verleden van schandalig onrecht en aanzetten tot haat en zelfs geweld, maar die een grote rol speelt als makelaar voor de zwarte stemmen.

Hoe lang blijven zwarte Amerikanen nog en bloc Democratisch stemmen? Conservatieve zwarte publicisten als Larry Elder spannen zich ervoor in de geest van afhankelijkheid, zowel van overheidsuitkeringen als van de parolen van zogenaamde leiders, de geest ook van manipuleren van oneigenlijke schuldgevoelens van blanken, te doen wijken uit deze bevolkingsgroep. De jonge Candace Owens hoopt dat op afzienbare termijn te bewerken met haar Blexit-beweging: blacks moeten zich niet langer laten opsluiten in de geschetste mentaliteit. Laten ze liever bij de stembus denken aan een toekomst waarin zij verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen bestaan, dankbaar voor de randvoorwaarden die de VS daarvoor bieden. Laten ze niet langer ieder ander, van George Washington tot het politiekorps van Chicago, de schuld geven van allerlei ellende (criminaliteit, om te beginnen) die alleen zijzelf kunnen overwinnen (met name door de vaderloze opvoeding tegen te gaan). Zo redeneren Elder en Owens en steeds meer mensen met hen.

(Dit gesprek van beiden is in zijn geheel de moeite waard. Vanaf 42:08 gaat het in het bijzonder over Trumps verdiensten voor zwarten en het vergezochte van het verwijt van racisme. Het oordeel van beiden over Obama, in de daarop volgende minuten, is gemengd. Op 53:10 brengt Candace Trumps kansen voor 2020 ter sprake.)

Dave Rubin verbond in een gesprek met Owens de twee fenomenen oorzakelijk met elkaar: Blexit en de herstelbetalingen. Het lijkt erop, suggereerde hij, dat de Democraten de kracht van Owens’ positie beginnen te voelen en zich verlagen tot het rechtstreeks betalen voor de zwarte stem. Zo kun je het zeker zien. Ook als dat op korte termijn zou werken, is het toch een aanwijzing dat er scheuren komen in de band tussen de Democraten en de zwarte kiezer. Het werkt misschien één keer, maar dan ook niet meer – los daarvan dat het inlossen van de belofte technisch een enorm probleem zal zijn. Komt Blexit op tijd voor de verkiezingen van 2020? Trump-aanhanger Owens hoopt het, maar is dat niet rijkelijk optimistisch?

Echt een bres slaan in het zwarte kiezersblok zou fantastisch zijn voor Trump, maar het lijkt me er vooralsnog niet in te zitten. Kan hij het dan beter doen dan in 2016 bij vrouwen uit de middenklasse in de uitgebreide voorsteden, de beroemde suburbs? Dat zie ik nog minder gebeuren. Immers, wat Trump in velen aantrekt is zijn authenticiteit. Hij is wie hij is en verontschuldigt zich daar niet voor: niet voor zijn rijkdom, niet voor zijn zwijggeld aan een bepaald type vrouwen, niet voor zijn huidskleur (blank of oranje, ’t is maar wat je het belangrijkste vindt). Maar de groep vrouwen in de middenklasse zoekt in een kandidaat andere dingen: iets van vitale erotische allure in een man, in een vrouw herkenning. Wat dat laatste betreft: deze generatie vrouwen – en bij hun dochters wordt dat in hun college-tijd alleen maar versterkt – is doordrenkt van een gevoel van entitlement, is m.a.w. overtuigd dat de wereld hun veel verschuldigd is vanwege vermeende eeuwenlange achterstelling. Dat opeisen van het verschuldigde vonden ze terug in Hillary Clintons vanzelfsprekende claim op het presidentschap. Die claim kon ze na de verkiezingen en zelfs tot op heden niet opgeven en ook haar bewonderaarsters zullen nog lang volgens hetzelfde stramien van beschuldiging en verongelijktheid blijven voelen en denken. Authenticiteit, tegenover veel anderen de kracht van Donald Trump, is voor dit type vrouwen – anders dan voor een Candace Owens – alleen maar bedreigend. Die angst zal door de Democraten in 2020 opnieuw uitgebuit worden.

Is Trump in 2020 dan kansloos? Ik wees al op zijn successen, die, hoewel door de pers weggemoffeld, door de gewone Amerikaan veelal wel degelijk opgemerkt worden. Bovendien lijkt de Democratische Partij op hol geslagen in een race naar links en daardoor tegelijk innerlijk verdeeld. Het is nog niet duidelijk hoe ze in de komende kleine anderhalf jaar lijn gaat brengen in waar ze voor staat. En behalve van onduidelijkheid houden de meeste Amerikaanse kiezers ook niet van erg progressieve programma’s. Maar het belangrijkste om te bedenken is: in 2016 werd Donald Trump volstrekt kansloos geacht. Waar hij toen alle tegenstanders mee beschaamde is nog steeds het belangrijkste dat hij te bieden heeft: the Donald, zichzelf.

Victor Davis Hanson: The Case for Trump (9)

De hoge inzet van Trumps presidentschap is een andere dan de media ons in de regel willen doen geloven. Het gaat niet tegen “diversiteit” (alleen al de samenstelling van Trumps kring van medewerkers weerlegt die bewering), niet tegen “mensen van kleur”, niet tegen immigratie als zodanig, niet tegen vrouwen of homo’s. Wel is Trump een levend protest tegen de politieke correctheid, Goddank. Maar nee, al die negatieve bepalingen zijn ernaast. Centraal zijn dingen die ik eerder noemde: een assertieve presentie van de VS op het wereldtoneel, pragmatische economische politiek, strijd voor traditionele rechtsbeseffen, eerherstel voor de deplorables. Daarmee gaat het natuurlijk ook tégen iets. Waartegen? Dat kun je het beste samenvatten met een boektitel van Thomas Sowell: The Vision of the Anointed. Die uitdrukking doelt op de zogenaamd visionaire toekomstperspectieven op grond waarvan intellectuelen leidende posities nastreven teneinde anderen naar het beloofde land te kunnen leiden. Dat was de geest van Obama, die wel geklaagd heeft dat hij “misschien te vroeg gekomen was”.

Maar is Trump zich nu op vergelijkbare wijze als zijn voorganger een historische missie bewust? Duidelijk werd al dat hij niet zozeer uitgaat van theorieën als wel van zijn in de zakenwereld ontwikkelde instincten en tactieken en van het tweede Amerika zoals het zich vertoont als je je angst voor de valbijl der politieke correctheid even opzij zet. Dat wil niet zeggen dat belangeloze bewogenheid zijn enig motief was om orde op zaken te komen stellen. Op zijn wijze, directer en naïever dan Obama, is ook hij veel, al te veel, met zichzelf bezig. In het hele project is onmiskenbaar zijn ego geïnvesteerd. Eenmaal in het Witte Huis, werd hij niet echt “presidentiëler”. Hooguit werden zijn Twitter-invectieven allengs wat minder chronisch (p. 119). In zijn eigen woorden in een tweet van juli 2017 (Hanson koos de term “Modern Day Presidential” als titel voor een hoofdstuk – het citaat is te vinden op p. 124):

Mijn gebruik van sociale media is niet presidentieel – het is MODERN PRESIDENTIEEL. Make America Great Again!

Dat doortrekken van de lijn uit zijn campagne maakt hem authentiek, maar ook kwetsbaar voor het verwijt dat hij de verdeeldheid in het land niet overwint. Weliswaar zou je die kritiek kunnen vergelijken met het in 1940 aan Churchill gerichte verwijt dat hij de kansen op vrede in Europa verspeelde, maar ga maar eens de discussie in met het argument dat het voorlopig nog geen 1945 is.

En zeker, er blijft een donkere kant aan de mens Trump, zoals aan ieder mens. Juist door zijn openheid – zijn eindeloos getwitter; maar hij staat ook de pers veel gewilliger te woord dan Obama placht te doen – treedt die schaduwkant meer aan de dag dan bij anderen. In combinatie met het schouderophalen over politieke correctheid versterkt die openheid de indruk dat hypocrisie de natuurlijke habitat van zijn tegenstanders is. Dat is het soort effecten dat Trump instinctief nastreeft en ook bereikt. Hij gaat regelmatig te ver, maar hij weet dat hij daarmee zijn tegenstanders – en we zagen hoe hun oorlog tegen hem en al de zijnen een totale is – als het ware opsluit in hun obsessie voor zijn persoon. Omgekeerd kan ook hijzelf van tijd tot tijd critici niet gewoon laten voor wat ze zijn. Met wijlen John McCain – die als senator onder meer de intrekking van Obamacare getorpedeerd had – lijkt hij over de dood heen een vete uit te vechten.

Hanson beweert beslist niet dat deze stijl van communiceren, hoezeer ook een machtig wapen tegen de furieus vijandige pers en hoe verfrissend ook in dat verband, ons niet regelmatig de wenkbrauwen moet doen fronsen. Dat geldt ook voor het karakter dat zich erin manifesteert. Het cliché gaat hier bijna restloos op: iemands kracht en zwakheid zijn twee kanten van dezelfde munt – en dat omvat, zeker in dit geval, ethische kracht en ethische zwakheid. Daarmee zijn we terug bij de inzet van dit presidentschap en bij Trumps eventuele “historische missie”.

Hanson heeft daarover een zeer bepaalde gedachte, al voorziet hij die van een vraagteken. Zijn voorlaatste hoofdstuk heeft als titel: “Trump, de tragische held?” Hier komt de classicus aan het woord. Een voorbeeld van het type van de tragische held is Achilles, de man wiens toorn Homerus’ Ilias in beweging zet (p. 317). Reeds de scholier vindt hem bij eerste kennismaking meestal een wat kinderachtige figuur: zoals hij pruilt over het gebrek aan erkenning dat hij ondervindt, mokt over de buitgemaakte slavin die hij heeft moeten afstaan aan Agamemnon, daarom weigert nog langer mee te doen in het beleg van Troje. Maar als Hector, de geweldige, verslagen moet worden, dan zal het toch door Achilles moeten gebeuren, niet door deep-state leiders als de middelmatige Menelaos of de overschatte carrièrist Agamemnon. Is echter die beslissing eenmaal gevallen, de crisis voorbij, dan is ook Achilles’ moment voorbij. Zelf handelt de tragische held vanuit primitieve loyaliteiten – aan de clan, aan zijn vrienden – en vanuit een enorm eergevoel. Als dat samentreft met een noodtoestand, dan kan die constellatie tot zijn Sternstunde worden. Maar het maakt hem ongeschikt voor de bezadigde orde van ná de strijd op leven en dood.

Vergelijkbare patronen vindt Hanson terug in diverse films. Een voorbeeld is de western Shane van George Stevens, uit 1953 (p. 321). De held is hier de enige die een gemeenschap van pionierende kleine boeren kan beschermen tegen de gewetenloze grootgrondbezitter Ryker, die het op hun land voorzien heeft en wiens huurlingen over lijken gaan. Hoe komt Shane aan zijn ongemakkelijk stemmende vaardigheid met vuurwapens? Dat blijft duister – maar men heeft hem juist hierom nodig, zoveel is duidelijk. Hij doodt tenslotte Ryker, diens broer en een handlanger. Daarmee is de gemeenschap gered. Maar er is daarin geen plaats voor iemand als Shane, beseft hijzelf het beste: gedood te hebben is je bruggen achter je verbrand hebben.

Ook de militair historicus spreekt een woordje mee in dit hoofdstuk (p. 319v.). Voor de razendsnelle geforceerde opmars waarmee eind 1944 tijdens het Ardennenoffensief Bastenaken ontzet werd had je iemand als generaal George S. Patton nodig, hoezeer als persoon ook een ongeleid projectiel. Als bevelhebber in de Amerikaanse sector van het bezette Duitsland bleek hij vervolgens niet te handhaven: hij kon zijn mening over de Russen niet voor zich houden en was ook verder het tegendeel van een zorgvuldig binnen het voorgetekende beleid blijvende bureaucraat. Minstens zo pijnlijk is het geval van generaal Curtis LeMay, de architect van de napalmbombardementen die 75 procent van de Japanse oorlogsindustrie vernietigden. Hij wist heel goed en sprak het uit: “alle oorlog is immoreel en als dat je in de weg zit, ben je geen goede soldaat.” Hij hielp een oorlog beëindigen, maar stond als dank bijna twintig jaar later model voor de twee geschifte schietgrage generaals Jack. D. Ripper en Buck Turgidson in Stanley Kubricks klassieke film Dr. Strangelove (1964). Een geordende samenleving heeft alleen nog haar eigen maatstaven om te oordelen over de verschrikkingen die haar gisteren van nog groter verschrikkingen hebben bevrijd.

Allerlei elementen in Trumps optreden laten zich naast deze verhalen leggen en suggereren hetzelfde patroon. Als een Achilles mopperde hij bij voorbeeld in april 2018 tijdens een rally in Michigan over het zwijgen van de pers over zijn successen in de relatie met Noord-Korea: “Wat denk je dat president Trump ermee te maken had? Dat zal ik je vertellen. Wat zou je zeggen van alles?”

“Trump, de tragische held?” Het is teveel een ingrijpend en de toekomst omvattend oordeel om het vraagteken weg te kunnen laten. Hanson suggereert twee mogelijke uitkomsten van dit presidentschap: ofwel een spectaculaire reeks successen, niet als zodanig erkend, wordt gevolgd door Trumps uitstoting door de openbaarheid na een tweede termijn ofwel (maar dat is minder waarschijnlijk) hij verspeelt reeds tijdens zijn eerste termijn teveel steun en wordt aan de kant gezet voor hij zijn karwei heeft afgemaakt (p. 320). In beide gevallen oogst hij het loon van de tragische held. Maar vast staat dat de helft van het land, zoals de kleine boeren in Shane, verlangde dat er een buitenstaander kwam aanrijden, die, al mocht hij dan een dubieus verleden hebben, kwam doen wat al zo lang had moeten gebeuren (p. 342). Of hij ooit als een gewonde Shane Washington weer uitrijdt moeten we afwachten.

Een inleiding aan Pepperdine University in Malibu

Over de “tragische held” gaat het vanaf 24:25

(wordt vervolgd)