Toen ik op de ochtend van 9 november 2016 de NOS-site bezocht was ik uitermate verrast: Donald Trump had het hem geflikt! Niet dat ik het hem gunde, pas later zou de gunfactor toenemen. Ook toen al was ik echter niet onder de indruk van het verhaal “De jaren dertig keren terug! We beleven een opmars van sterke mannen! Trump is er een van! Democraten, antiracisten en antiseksisten, verenigt u!” Maar ik vond the Donald gewoon een rare snuiter die niet in het Witte Huis thuishoorde. Had ik in de VS gewoond, dan had ik waarschijnlijk tandenknarsend op Hillary gestemd, zo meende ik toen. Inmiddels weet ik meer van mevrouw Clinton en is mijn antipathie jegens haar dermate toegenomen dat ik het dilemma van miljoenen Amerikanen op die achtste november 2016 beter kan navoelen: moeten kiezen tussen twee onmogelijke kandidaten.
Echt blij met Hillary’s nederlaag (niet per se met Trumps overwinning) werd ik kort daarna. Ik las het bericht over een feestelijk moment dat was voorzien voor na haar onontkoombaar geachte triomf: in de hal waar zij haar speech zou houden zouden duizenden plastic snippers van het plafond neerdalen op de enthousiaste menigte, symbool van het doorbroken “glazen plafond”. Het was mij opeens een troost dat Hillary Clinton het Witte Huis niet gehaald had.
Ik schreef het gisteren al: in de identiteitspolitiek (waar ook Clinton haar kracht in had gezocht) speelt het feminisme de hoofdrol. De notie “glazen plafond” – meestal zonder aanhalingstekens gebruikt, als betrof het een objectief gegeven – vertegenwoordigt de diepe onwaarachtigheid die het hele feminisme doortrekt. Het begrip suggereert dat er geen zichtbare, rationele verklaring is voor het gegeven dat vrouwen in bepaalde sectoren van de maatschappij slechts in beperkte mate doordringen tot hogere, machtiger, meer status verlenende en beter betalende posities. Bij ontstentenis van zo’n verklaring blijft er maar één conclusie mogelijk, zo gaat men dan verder: vrouwen worden achtergesteld puur op grond van seksistische vooroordelen.
Er is echter wel degelijk een reeks factoren aan te wijzen die het fenomeen verklaren en die erop neerkomen dat mannen gewoon anders in elkaar zitten dan vrouwen. Ik noem een paar dingen, die onderling verband houden. Mannen zijn door de bank genomen meer competitief in de publieke sfeer. Ze zijn vaker bereid vrijwel zonder ophouden te werken aan de opbouw van iets of aan hun eigen loopbaan. Moeten ze zich persoonlijk meten met anderen, dan worden ze daarbij geholpen door hun mannelijke hormoonspiegel.
Ik kan verder gaan, maar deze paar factoren volstaan als draagvlak voor de stelling: het glazen plafond is helemaal niet van glas, is niet doorzichtig. Er is wel een plafond, maar men maakt dat doorzichtig door allerlei mogelijke verklaringen systematisch buiten beschouwing te laten. Laten we de factoren die beloven tot echt inzicht te leiden samenvatten in de term “testosteronplafond”. Dat is natuurlijk kort door de bocht: het verwijst naar de wetenschap, maar het pretendeert niet de bevindingen van neurologie, endocrinologie, persoonlijkheidsonderzoek enzovoorts in één term samen te vatten. De verwijzing is evenwel zinvol: het inzicht in structurele verschillen tussen mannen en vrouwen neemt in de genoemde wetenschappen alleen maar toe.
Voor wie even nadenkt brengen de paar genoemde factoren nog iets anders aan het licht. Ze verklaren niet alleen waarom vrouwen (althans zonder bevoordeling op grond van hun sekse) moeilijker bepaalde topfuncties bereiken. Ze verklaren ook waarom niet alle mannen die dat willen erin slagen en waarom niet alle mannen het nastreven. Immers, we hebben het over statistische verschillen tussen mannen en vrouwen. Dat zijn tevens statistische verschillen tussen mannen onderling. Niet alle mannen beschikken in gelijke mate over het pakketje eigenschappen waarmee je een directiezetel ambieert, er een serieuze kandidaat voor bent of dat doel ook daadwerkelijk bereikt. Tegen het testosteronplafond stoten mannen even hard hun hoofd als vrouwen – en meer mannen dan vrouwen – en mannen al veel langer dan vrouwen.
Moeten we de mannen die het niet of net niet redden tot op de power floors beklagen? Ach nee, ze kiezen zelf voor deze weg. De meeste mannen verdelen hun krachten over andere aspecten van het leven, vinden daar ook voor hun competitieve behoeften uitlaten. Gevolg: ze stoten hun hoofd niet. Wel past de kanttekening dat een mooie carrière en status de kansen van een man op de markt van seks en huwelijk verhogen. Voor veel vrouwen – niet in de laatste plaats feministische – maken de eigenschappen die tot status en een goed inkomen leiden iemand begeerlijk als partner. Mannen hebben in zoverre meer reden om competitief te zijn dan vrouwen. Vrouwen die zogenaamde “topfuncties” ambiëren hebben veelal een ander type motivatie: ze lijken meer bezig aan een ideologisch ideaalbeeld te voldoen.
Niet alle mannen die wel zouden willen of die het ernstig proberen redden het tot aan de top – dat is nu zo, dat was in de tijd van onze grootouders zo en als niet alle tekenen bedriegen was het honderdduizend jaar geleden ook al zo. We zagen in 2016 een gedoodverfde vrouwelijke presidentskandidaat gepasseerd worden. Maar hoe vaak zal niet een gedoodverfde mannelijke kandidaat gepasseerd zijn als nieuw stamhoofd? Hoeveel mannen zijn niet teleurgesteld in hun hoop partner in een accountants- of advocatenfirma te worden? Hoeveel mannen zijn in de loop der eeuwen een professoraat misgelopen bij gebrek aan een voldoende effectieve elleboogslijper – of gewoon aan een gezonde competitieve instelling? Het testosteronplafond is een realiteit, maar één waar het feminisme moeilijk zijn voordeel mee kan doen. Gebruik je eenmaal deze andere term, dan komen er dingen in beeld die door de mythe van het “glazen plafond” juist onzichtbaar gemaakt worden.
Met een “testosteronplafond” kunnen feministen niet veel. Stel je voor dat je voortdurend je betoog moest beginnen met: “natuurlijk stoten hier sinds mensenheugenis vrijwel alleen mannen hun hoofd”. Dat verzwakt de indruk van al het volgende. En moet je nu gaan zeggen dat de bult op het hoofd van die mannen hun verdiende loon is, maar dat vrouwen die hun lot delen een groot onrecht wordt aangedaan? Misschien zou iemand er nog een draai aan willen geven met: “het feminisme vecht ook voor mannen die de top niet halen, zodat ook die alsnog in de directiekamer terechtkomen”. Laat wie het wil het vooral geloven.
Het zal u nu duidelijk zijn met welke intentie journalisten hardnekkig blijven spreken van “het glazen plafond” – en dan zonder aanhalingstekens. Een begrip dat bij uitstek ideologisch is, een deel van de werkelijkheid wil afdekken, wordt ons dag in dag uit gepresenteerd als ongeveer zo waardevrij als “bruto binnenlands product” of “tweetakt motor” – en dat moet ook: de mensen mochten er eens over gaan nadenken. Onder die mediadruk kun je je machteloos voelen. Maar soms breekt dan ineens de werkelijkheid door de verstikkende beelden. Amerika heeft in Hillary Clinton tenminste nog één keer de identiteitspolitiek afgestraft. Misschien voor het laatst in lange tijd, wie weet. Hoe dan ook, het verhaal van de plastic snippers die niet mochten neerdalen terwijl de verslagen kandidate zat te mokken op haar hotelkamer maakte in mij een gevoel wakker dat mannen en vrouwen even vertrouwd is: leedvermaak.