Victor Davis Hanson: The Case for Trump (8)

Voor die verdiensten hoeft Trump niet op veel erkenning te rekenen, evenmin als voor zijn economische en internationale successen. Sterker, nooit is een president vanaf de dag van zijn verkiezing met zoveel haat en vastbesloten obstructie begroet. Vijftig leden van het Congres weigerden de inauguratieplechtigheid bij te wonen. “The Resistance” noemen zich velen die binnen en buiten het Witte Huis zwoeren de regering vleugellam te maken en, via voortdurend spreken van een afzettingsprocedure en een aanhoudend bombardement van beschuldigingen, insinuaties en scheldwoorden, Trump het politieke leven zuur te maken en zijn persoonlijke weerstand uit te hollen. Jawel, “The Resistance”, “het verzet”: alsof het tegen een nationaalsocialistische bezettingsmacht ging – en niet zelden werd het met zoveel woorden zo gezegd. Delegitimeren van de zittende president is tot op vandaag het dagelijks handwerk van vooral de Democraten. Het moet gezegd dat met de tijd veel traditionele Republikeinen zijn bijgedraaid, zij het ook niet allemaal. En de pers – New York Times, Washington Post, CNN – is alleen maar verder geradicaliseerd. Het is een werkelijk ongekende situatie, die merkwaardig genoeg door velen uitsluitend wordt teruggevoerd op de beweerde absolute onmenselijkheid van Trump en van zijn kiezers.

Het is opvallend hoe weinig de pers in ons eigen land die situatie als problematisch aan de orde stelt. Ook haar uitgangspunt lijkt veelal te zijn dat Trump zelf het eigenlijke probleem is – in verband met een wereldwijde opkomst van “populisten”, die zogezegd de nieuwe fascisten en nazi’s zijn – en dat tegen hem inderdaad alle middelen wel eens geoorloofd konden zijn. Het aanvechten van de waarde van de verkiezingsuitslag zou, als Trump en de zijnen het gedaan hadden na een overwinning van Hillary Clinton, ook in Nederlandse kranten en televisieprogramma’s ongetwijfeld gepresenteerd zijn als een populistische poging de democratie te ondermijnen. “Not my president!” schreeuwden agressieve betogers op 8 november. Het is duidelijk met wat voor commentaar zulke beelden waren omlijst, had de bedoelde president Barack Obama of Hillary Clinton geheten. Madonna sprak haar verlangen uit het Witte Huis in brand te steken. Men stelle zich even voor dat een van de deplorables dat had gewaagd.

Zogenaamd humoristische oproepen tot moord, van het soort waarvoor in ons land onlangs tegenstanders van Thierry Baudet gestraft werden door hun werkgever of zelfs strafrechtelijk vervolgd, waren in de VS na Trumps overwinning aan de orde van de dag. “End Trump!” heet een hoofdstuk in Hansons boek waarin hij een aantal voorbeelden geeft. Hij vergelijkt de geest van haat in het land met die van 1968 en zelfs met die van 1860, aan de vooravond van de Burgeroorlog (p. 287). Comédienne Kathy Griffin publiceerde een foto waarin ze een bloedig zogenaamd afgehakt Trump-hoofd aan de haren vasthield. Als het het hoofd van Obama of Clinton was geweest, had het beeld op uw netvlies gebrand gestaan, daar had ook in Nederland de pers wel voor gezorgd. Een toneelgezelschap verving de te vermoorden tiran Julius Caesar in Shakespeares drama avond aan avond door Donald Trump. Rapper Snoop Dogg schoot in een video op een gelijkenis van de president. Acteur Johnny Depp refereerde in een interview grappend aan de moord op Lincoln: “Wanneer was de laatste keer dat een acteur een president vermoordde?…. het wordt misschien weer eens tijd.” Een geschiedenisprofessor aan California State University riep op om Trump op te hangen, een collega van Hanson aan het Hoover Institute mijmerde op de Duitse televisie hardop over de mogelijkheid van moord om het Witte Huis te reinigen. Een lid van de wetgevende vergadering in Missouri schreef op haar Facebookpagina: “Ik hoop dat hij vermoord wordt.” (p. 282v.). Enzovoorts. We zwijgen van de scatologie en van de extreme seksuele scheldkanonnade van late-night gastheer Stephen Colbert (p. 285v.). Nogmaals: de meeste Nederlandse journalisten vonden en vinden dit alles niet verontrustend, nu het niet Obama of Clinton betreft maar een van de koppen van de door hen zelf telkens weer zo gretig opgeroepen populistische draak.

Het blijft niet beperkt tot de persoon van de president zelf. De overheidsdienst Immigration and Customs Enforcement heeft de impopulaire taak aan de grens met Mexico het wettig verloop van de immigratieprocedure te waarborgen en in dat verband eventueel illegale immigranten uit te zetten. Als dank worden haar agenten van ter linkerzijde als een soort SD’ers afgeschilderd. Acteur Peter Fonda stelde een dappere verzetsdaad voor: “Probeer er achter te komen waar hun kinderen naar school gaan en omsingel de scholen” (p. 288). De onlangs afgetreden minister van Binnenlandse Veiligheid, Kirstjen Nielsen, werd door een meute van “Democratisch Socialisten” een restaurant uitgedreven en persvoorlichter Sarah Sanders werd met haar familie door de uitbater uit een restaurant gezet, omdat medewerkers van de Trump-regering daar niet welkom waren. Dit alles volgens een recept aangereikt door Democratisch lid van het Huis van Afgevaardigden Maxine Waters, die heel zeker weet dat “God is on our side” (zie vooral vanaf 0:50):

Wat verklaart deze waanzin, dit Trump Derangement Syndrome? Hanson wijst erop dat Trump zich in zijn campagne tegen de hele gevestigde orde richtte: tegen het progressieve project van het tijdperk Obama-Clinton, tegen het Republikeinse establishment, tegen de spreekwoordelijke Deep State, d.w.z. de ambtelijke blijvers in het centrum van de macht met hun netwerken en hun unieke insiderskennis (p. 282). Het aantal mensen dat zich bedreigd kon voelen was daarmee zeldzaam groot en machtig – met een gemakkelijke toegang tot de media. En zoals Trump de ene helft van Amerika had aangesproken en uit zijn onmacht opgewekt, zo werden zij ertoe gedreven hun eenheid met de andere helft te bevestigen: wat hen verenigde was, gemeten aan de wereld zoals zij die tot dan toe meenden te kennen, werkelijk een existentiële bedreiging. Zo mag ik Hansons visie op dit punt wel samenvatten en in elk geval zie ik het zelf zo.

Wat hoopt men te bereiken met de aanhoudende stroom van negatieve berichtgeving? Kennelijk is de gedachte: hoe onwaar (zoals de collusie-hoax), hoe onredelijk (zoals de stelling dat de negatieve uitkomst van Muellers onderzoek geen negatieve uitkomst is), hoe hatelijk (zie hiervoor) het ook is wat wij te berde brengen, op een gegeven moment zal het Trump en zijn aanhang toch gewoon een keer teveel worden – de loutere hoeveelheid negativiteit zal op zeker moment een kritische massa bereiken die de zaak reddeloos maakt (p. 290, 293, 308v.). De strijd gaat tenslotte niet tegen een persoon, hoe uitzonderlijk en slagvaardig ook, maar voor het behoud van een machtsverhouding, van een toekomst waarin men zichzelf tot voor kort als de voorgoed bovenliggende partij zag. Die droom werd door Obama en Clinton belichaamd. De door Trump opgeroepen nachtmerrie vraagt om de vernietiging van zijn persoon om een voorbeeld te stellen. Hanson citeert Michael Caputo, een ondergeschikte medewerker aan de Trump-campagne, die door Robert Mueller nooit aangeklaagd, maar door het onderzoek wel bijna financieel geruïneerd werd (p. 330):

Ik denk dat ze de president willen vernietigen, ze willen zijn familie vernietigen. Ze willen zijn bedrijven vernietigen. Ze willen zijn vrienden vernietigen, zodat geen enkele miljardair over laten we zeggen vijftig jaar op een dag wakker wordt en tegen zijn vrouw zegt: “Weet je, dit land is kapot en alleen ik kan het maken.” Zijn vrouw zal zeggen: “Ben je gek geworden? Heb je gezien wat er met Donald Trump en iedereen om hem heen gebeurd is?” Dat is waar het hier om gaat.”

(wordt vervolgd)

Victor Davis Hanson: The Case for Trump (7)

Bij alles wat vreemd en nieuw is aan Trump, is zijn beleid op belangrijke terreinen traditioneel conservatief. De eerder vermelde economische successen hangen samen met een ingrijpende belastinghervorming en deregulering die velen doen terugdenken aan de tijd van Ronald Reagan.

In de eerste twee jaar zorgde de nieuwe president voor een groot aantal benoemingen van federale rechters van overwegend behoudende snit, waaronder twee in het Hooggerechtshof. Dat maakt de rechterlijke macht een minder geschikt instrument voor maatschappijhervormend activisme (zoals in de abortus-uitspraak Roe v. Wade uit 1973) of politieke obstructie (zoals in allerlei vonnissen omtrent het beleid aangaande illegale immigratie). Anders gezegd: het legt de verantwoordelijkheid voor de inhoud van de wet terug waar ze hoort, namelijk bij de wetgevers, wier lot vervolgens in handen ligt van hun kiezers. De genadeloze karaktermoord op kandidaat voor het Hooggerechtshof Brett Kavanaugh verraadt hoeveel gewicht de Democraten hechten aan een op beslissende posities progressieve rechterlijke macht. Nu de kans daarop voor lange tijd verspeeld lijkt hoopt men de schade te compenseren door een uitbreiding van het Hooggerechtshof, waarbij de samenstelling mede door de minderheidspartij van het moment bepaald wordt. Trump heeft hier de waardering geoogst van Republikeinen die het uit de Revolutie voortgekomen constitutionele bestel naar zijn oorspronkelijke intenties willen laten functioneren.

Gezond conservatief is verder het streven de vrijheid van meningsuiting op universiteitscampussen te herstellen. Men onderscheidt daar meer en meer tussen fair speech (=politiek correcte uitingen=goed) en free speech (=uitingen waarbij je je ongemakkelijk voelt omdat ze het linkse wereldbeeld niet bevestigen=slecht). Dat gaat in tegen de geest van het eerste amendement op de Grondwet, op grond waarvan Amerikanen de vrijheid van meningsuiting vaak ruimer opvatten dan wij in Europa gewend zijn. Trump heeft onlangs gepoogd aan de beperkingen (uitgerekend op universiteiten!) van free speech een eind te maken middels een zgn. executive order, een presidentiële beleidsmaatregel. Effectief is het niet, wel symbolisch belangrijk.

Zijn minister van onderwijs, Betsy DeVos keert zich tegen de door de regering Obama geëiste uitholling van de rechtspositie van wie in een door de overheid gefinancierde onderwijsinstelling, als leerling of als docent, beschuldigd wordt van ongewenst seksueel gedrag. Ook haar inzet geldt klassieke beginselen: het onschuldbeginsel (je bent onschuldig totdat je schuld bewezen is, een verdachte hoeft niet zijn eigen onschuld te bewijzen) en het recht op een eerlijk proces. De strijd gaat hier tegen de grote institutionele macht van het feminisme en wordt uiteraard van de andere zijde benoemd als “vrouwvijandigheid” of “een poging voor vrouwenrechten de klok terug te draaien”. Iemand als Joe Biden zag het liefst de gehele Angelsaksische rechtstraditie vervangen door een feministisch stelsel, waarin de onschuldpresumptie voor mannen in zedenzaken inderdaad is opgegeven. Van andere Democratische aspiranten naar het presidentschap is niet veel beters te verwachten.

Een interessante vraag met het oog op 2020 is hoeveel kiezers voelen dat bij deze dingen Trumps presidentschap een moment is in een bredere cultuurstrijd. Daarbij zijn de grondslagen in het geding, niet alleen van het Amerikaanse experiment, maar van de westerse beschaving als zodanig. Trumps adhesie aan kostbare Amerikaanse rechtsbeseffen, die ook de onze zijn, lijkt mij, samen met zijn hart voor de deplorables, zijn grootste verdienste.

(wordt vervolgd)

Victor Davis Hanson: The Case for Trump (6)

Zijn meest opvallende verkiezingsbelofte heeft Trump tot nog toe niet waar kunnen maken: een muur langs de hele grens met Mexico. Geen wonder, zou je haast zeggen: als er één manier is om zijn kansen voor herverkiezing in 2020 te minimaliseren, is het hem hier te doen falen en daar zetten zijn tegenstanders dan ook vol op in. De harde kern van zijn electoraat verlangt op dit punt succes en anders zal Trump wel met een heel goed verhaal en een heel geloofwaardige belofte moeten komen om het uitstel te doen aanvaarden. Ann Coulter, een conservatief publiciste en media-persoonlijkheid die al vroeg voor Trump koos (en zwaar uitgelachen werd toen zij zijn kansen voor het presidentschap hoog inschatte), keerde zich tegen hem toen hij het spel tegen de (zowel Democratische als Republikeinse) oppositie in het Congres niet hard genoeg speelde naar haar zin. Dat kan een voorbode zijn van de reactie van andere teleurgestelden bij de verkiezingen van 2020.

Maar zover is het nog niet. De ontwikkelingen aan de zuidgrens zijn sinds het verschijnen van Hansons boek vrij dramatisch. Op dit moment, in de eerste helft van april 2019, worden de autoriteiten er eenvoudig overspoeld door de duizenden die zich per dag voor een immigratieprocedure melden. Mankracht en opvangfaciliteiten zijn onvoldoende, niet in de laatste plaats door obstructie van de Democratische oppositie, die lang ontkende en naar vermogen nog ontkent dat er een crisis is en de koorden van de beurs stevig aangetrokken houdt. Daarnaast is er wetgeving uit het Obamatijdperk die verbiedt dat ouders en kinderen bij de grens van elkaar gescheiden worden, terwijl ze ook niet samen vastgehouden mogen worden. Trump heeft het niet aangedurfd deze bepaling te herroepen. Omdat de uitkomst van een immigratie-aanvraag in de VS zelf mag worden afgewacht, kan men dus niet anders dan ouders en kinderen samen loslaten in de samenleving. De praktijk leert dat de betrokkenen zich soms wel melden bij de rechter voor een eerste onderzoek, waarbij slechts geestelijke gezondheid en het ontbreken van een crimineel verleden worden vastgesteld, maar daarna, in het bezit van een tijdelijke werkvergunning, bij de autoriteiten uit beeld verdwijnen. Daarnaast is er het probleem van de rechtstreekse en onopgemerkte illegale grensoverschrijding, waar de muur het antwoord op moest zijn.

Het alternatief voor een muur is op den duur amnestie. Dat komt erop neer dat het onwettig binnenkomen van het land na enige tijd beloond wordt met alle rechten van het burgerschap. De voorstanders van deze gedachte vindt men niet alleen aan de linkerzijde van het spectrum. Het klinkt dan ook mooi en geeft mensen dikwijls een warm gevoel over zichzelf: barmhartigheid voor recht. Bovendien rekent men graag voor dat de hele economie profiteert van de immigranten-instroom, legaal en illegaal. Maar een meerderheid van de Amerikanen die ervaring uit de eerste hand hadden met illegale immigratie was volgens een CBS/YouGov-enquête van voorjaar 2018 van oordeel dat hun eigen gemeenschap er slechter op geworden was (p. 91). Hier speelt weer, net als bij het globaliseringsverhaal, de tegenstelling van theorieën die door een elite aan de samenleving worden voorgehouden en eigen aanschouwing, eigen oordeel, eigen onmiddellijk rechtsbesef. Zij die het grote verhaal verkondigen dragen niet mee aan de negatieve gevolgen.

Om de top down benadering kracht bij te zetten laat men het niet bij het voorrekenen van de voordelen van immigratie (waarbij het onderscheid illegaal/legaal zoveel mogelijk als quantité négligeable behandeld wordt) of retoriek over “een wereld zonder muren”. Het is duidelijk dat de Democratische Partij voor 2020 mikt op het raciale element, dat het publiek via media-mantra’s onophoudelijk wordt ingeprent.
Dagelijks is op CNN en MSNBC te horen dat de president een racist, een “white nationalist” dan wel een “white supremacist” is en de hele discussie over de grenscrisis wordt in die sleutel gezet. De gedachtegang is: wie tegen illegale immigratie is, is tegen immigratie als zodanig, dus tegen immigranten, is dus een blanke die zich bedreigd voelt door anders gekleurde Zuid-Amerikanen, reageert kortom vanuit een racistisch motief.

Het is een open vraag of Trump de strijd rond deze beeldvorming zal winnen. Al eerder troefde hij de media af als “de anti-smear kandidaat” (Sharyl Attkisson), dat wil zeggen: de kandidaat die niet vertrouwde op de anonieme macht van de smaad-industrie (met mogols als David Brock en financiers als George Soros), maar liever zelf stond voor de onvriendelijke dingen die hij (vaker reagerend dan initiërend) over anderen zei. Verder moet het gezichtsverlies van de mainstream media in verband met de implosie van de samenzweringstheorie aangaande hem en Poetin hem wel moed geven: onder Democraten is het vertrouwen in de “eigen” media inderdaad gedaald. Maar de tegenkrachten blijven formidabel – en even gewetenloos als ze zich tijdens de Kavanaugh-hoorzittingen hebben betoond. Zich niet in de identiteitspolitieke mal laten persen en tegelijk blijven hameren op een assertieve aanvaarding van het eigene van de VS, dat gaat van Trump het uiterste vergen.

(wordt vervolgd)


Victor Davis Hanson: The Case for Trump (5)

Trumps alternatief voor de agressieve globalisering bestond hoofdzakelijk uit een zelfbewuster Amerikaans optreden op het internationale politieke en handelstoneel – een vorm van nationalisme, in de ruime zin van het woord – gepaard aan een in de New Yorkse vastgoedwereld ontwikkelde onderhandelingsstijl. Een samenhangende doctrine was het niet, maar de genoemde kenmerken gaven er toch consistentie aan. Pas na enige tijd, toen Trump met Nationale Veiligheidsadviseur John Bolton en minister van Buitenlandse Zaken Mike Pompeo twee krachtige hardliners achter zich had, werd die eenheid ook meer zichtbaar. In het good-cop-bad-cop-spel hoefde Trump niet langer beide rollen afwisselend te vervullen, maar kon hij bij voorbeeld vriendelijk omgaan met Kim Jong-Un, daarbij af en toe over zijn schouder wijzend naar de twee haviken.

Onconventioneel was het. De eerder genoemde kritiek van economen Krugman en Summers stond niet op zichzelf: tal van deskundigen op het gebied van internationale betrekkingen voegden zich in het koor. We beleefden het einde van “de liberale wereldorde” wist bij voorbeeld Richard Haass, een grootheid in de wereld van de Amerikaanse diplomatie (p. 76). Welnu, misschien is Trump inderdaad het einde van een tijdperk (zoals Henry Kissinger mogelijk achtte), maar van een catastrofe lijkt geen sprake.

Men schreeuwde moord en brand toen Trump hardop de noodzaak van deelname in de NATO in twijfel trok. Maar juist die verontwaardiging onderstreepte de hypocrisie van de Europese partners, die al zo lang hun overeengekomen bijdrage niet betaalden. Inmiddels zijn ze hun leven aan het beteren – eindelijk. De conclusie kan zijn: Trump had het gelijk aan zijn zijde en zijn onorthodoxe benadering heeft gewerkt. De terugtrekking uit het Parijse klimaatakkoord bracht alleen maar het holle, symboolpolitieke karakter daarvan aan het licht: qua beperking van CO2-emissie deden de VS het sindsdien beter dan hun meeste Europese critici. De opzegging van de Irandeal was een kwestie van gezond verstand: niet langer miljarden pompen in een autoritaire macht die daarvan een deel doorsluist naar terroristen en er dan maar van uitgaan dat de ontwikkeling van kernwapens uitgesteld en ten slotte afgesteld zal worden. De assertieve opstelling van de VS wierp hier zichtbaar vruchten af: geen provocaties meer in de Perzische Golf, in Iran zelf een morele versterking van het protest tegen de drukkende theocratische orde (p. 76). Ook het opzeggen van het verdrag met Rusland over kernraketten voor de middellange afstand (het INF-verdrag uit 1987) was een teken dat de VS zich geen oor laat aannaaien. Het is ironisch dat dit afscheid van het, ook ten aanzien van Rusland, meer toegeeflijke Obamatijdperk in de Amerikaanse media begeleid werd door de voortdurende hysterie over een vermeende “collusie” met Poetin (p. 371).

Het IS-kalifaat is verslagen. Trump is in deze strijd zijn verantwoordelijkheid niet uit de weg gegaan, al heeft hij daartoe het advies van zijn generaals zwaarder moeten laten wegen dan zijn verkiezingsbeloften. Ook in Afghanistan blijven Amerikaanse troepen gelegerd. De pragmatische koers van de president wordt hier niet of nauwelijks als een pijnlijke inconsequentie ervaren. Daarbij speelt een rol dat de zwakke opstelling van Obama tegenover Syrië – de “rode lijn” van het gebruik van chemische wapens die Assad niet straffeloos zou kunnen overschrijden, wat een loze waarschuwing bleek – nog niet vergeten is. Velen kunnen instemmen met Trumps kwalificatie van deze episode als “een nationale vernedering”.

Een krachtiger opstelling was er ook tegenover China en Noord-Korea. De aanvankelijke dreigementen over en weer tussen Kim Jong-Un en Trump zijn in de populaire pers vooral gepresenteerd als bewijs van beider kinderlijke geest. Van de columns, redactionele commentaren en politieke prenten met die teneur kun je een boek samenstellen. Het was natuurlijk een vleiende gedachte voor de kijkers en lezers: “ach, waren de wereldleiders die daar met vuur spelen maar net zo wijs als wij…”. Maar het in die reactie besloten narcisme wordt zelden of nooit benoemd, terwijl anderzijds het meest wezenlijke punt wordt gemist: Trump tweette met zijn “little rocketman” in een taal die Kim verstond en zette daarmee de stukken nieuw op het bord. Zijn bereidheid in dit opzicht vuile handen te maken is de bij uitstek volwassen aanvaarding van een verantwoordelijkheid die eerdere Amerikaanse leiders hadden laten liggen. In samenhang met invoerbeperkingen tegen de een en economische sancties tegen de ander wist hij een nieuw onderhandelingsklimaat te creëren: China heeft niet langer Noord-Korea als een dolle nucleaire pitbull aan de lijn om die van tijd tot tijd de Amerikaanse aandacht en middelen in beslag te laten nemen. In een nieuwe proliferatiecyclus kunnen de VS hun bondgenoten in de regio nucleair uitrusten. Met die kennelijke dreiging op de achtergrond wordt ook China aangesproken in een taal die het verstaat (p. 350v.).

(wordt vervolgd)


Victor Davis Hanson: The Case for Trump (4)

Weliswaar is de identiteitspolitiek in hoge mate een Democratische aangelegenheid, gevoed vanuit de universiteiten met hun in overweldigende meerderheid links gezinde docentenpopulatie en activistische studenten en vanuit de amusementsindustrie. Maar minachting en verdachtmaking van de blanke blauwe-boorden arbeiders was daarom niet minder aan te treffen bij toonaangevende Republikeinen. Hoor neoconservatief Bill Kristol: “als het dan zo erg gesteld is met de blanke werkende klasse, wil je dan geen nieuwe Amerikanen binnen zien komen? (…) in een vrije, een kapitalistische samenleving wordt iedereen na twee of drie generaties hard werken min of meer decadent, lui, verwend – hoe je het noemen wilt.” (p. 59v.) Gebruik kwalificaties als “lui” en “verwend” voor werkloze zwarte jongens of hun van de staat afhankelijke alleenstaande moeders en je publieke loopbaan of je baantje bij McDonalds is voorbij.

Trump heeft beseft en als uitgangspunt genomen dat het tweede Amerika niet dom was: de kiezers registreerden feilloos de overeenkomst tussen Obama en iemand als Kristol. Andere Republikeinse kandidaten luisterden daaraan voorbij en dat heeft ze uiteindelijk de nominatie gekost. Hillary Clinton bleef eraan voorbij luisteren – ondanks waarschuwingen van filmmaker Michael Moore en van politiek dier echtgenoot Bill – en het kostte haar de verkiezingen. Zeker, het andere team heeft goed gerekend en geprofiteerd van het kiesmannensysteem: één stem van een kantoorbediende in Ohio of een monteur in Pennsylvania was er duizend waard in San Francisco of New York (p. 65). Maar die stem in Ohio of Pennsylvania moest dan nog wel gewonnen worden. En zeker, Trump werd in de kaart gespeeld door de inauthenticiteit van zijn tegenspeelster, haar uitstraling alsof het presidentschap haar toekwam, haar spelen van de seksekaart, haar uitglijers (behalve de deplorables was daar met name: “We gaan de mijnwerkers in West-Virginia werkloos maken!” – één keer raden voor welke kandidaat West-Virginia gestemd heeft). Maar hij moest daar dan toch iets geloofwaardigs tegenover stellen.

Dat had hij inderdaad in huis. Behalve een niet al te hoogdravende opvatting van economie, zonder Keynesiaanse of Rooseveltiaanse omwegen, had hij vooral zichzelf te bieden: iemand die zich niet (als de progressief christelijke Clintons) veel moreler voordeed dan hij was – iets waarmee hij al veel kritiek de tanden uitbrak; iemand die gewoon sprak met zijn eigen, voor veel Amerikanen wat curieuze Queens-tongval, die hij nooit inwisselde voor een pseudo-zuidelijk of pseudo-zwart accent om het publiek van het moment te behagen (p. 109); iemand die de dingen bij de naam noemde en niet bang was voor onbeschermde formuleringen.

Met die onbeschermdheid liep hij ook geen schade op bij zijn aanhang. Een voorbeeld is de wijze waarop hij de gevolgen tekende die illegale immigratie over de zuidgrens voor veel Amerikanen met zich brengt. “Ze sturen niet hun beste mensen”, zei hij al vroeg in zijn campagne. En refererend aan de beruchte MS13-bende sprak hij van “verkrachters” en “geen mensen maar beesten”. De Democratisch gezinde media sprongen daar uiteraard bovenop met: “Trump noemt Mexicanen verkrachters en beesten” en: “Hij appelleert aan het laagste in mensen, zweept de vreemdelingenhaat op” enzovoorts. (In april 2019 ging de tendentieus uit zijn verband gehaalde clip over “geen mensen maar beesten” opnieuw viraal – met de vele miljoenen retweets mogen we zonder meer een gecoördineerde actie van de smear-industrie veronderstellen.) Intussen is het voor zijn primaire publiek wel duidelijk dat daarmee een bewuste, ideologisch gemotiveerde, herinterpretatie plaatsvindt. Trump deelt ermee in de smaad die zijzelf al jarenlang van dezelfde media te verduren hebben. Je zou bijna zeggen: hij bedrijft een christelijke vorm van solidariteit.

Vooral het voorbeeld “Ze sturen niet hun beste mensen” is veelzeggend, omdat de onvoorzichtigheid en informele slordigheid hier niet te loochenen is. Maar als je je brievenbus aan de straat moet vervangen door een kogelvrij type, vanwege de nachtelijke schietpartijen tussen Mexicaanse illegale immigranten; als je gewend moet raken aan de vroeger onbekende geluiden van hanen- en hondengevechten; als klachten zinloos zijn over opgebruikte huishoudelijke apparaten die langs de openbare weg gedumpt worden; als je eenvoudigweg meer sloten op al je deuren moet doen – dan verlang je van een presidentskandidaat geen risicoloze praat, maar erkenning van de risico’s die er in jouw bestaan gekomen zijn. Trump heeft dat aangevoeld – er recht aan gedaan – en daarmee mensen recht gedaan. Ook wie niet, zoals Victor Davis Hanson, in een van de armste gebieden van Californië woont en de genoemde gevolgen van illegale immigratie uit eigen dagelijkse ondervinding kent, kan intuïtief proeven dat Trumps meest riskante formuleringen menselijk nog altijd zuiverder zijn dan het tolerantie- en inclusiviteitsverhaal dat dan van de andere zijde in stelling wordt gebracht.

Dat verheven verhaal heeft een prijs die door de aanhangers ervan zelden of nooit persoonlijk wordt betaald. Op een paar uur rijden van Hansons woonplaats, in de beschermde sfeer van collegezalen en campussen en van bedrijven als Facebook is het allemaal een kwestie van “diversiteit=wij” versus “racisme=zij”. Werkgelegenheid en loonniveau worden in deze electorale olifantspoot van de Democratische Partij niet bedreigd door extreem goedkope on- of laaggeschoolde arbeid.

Van dat laatste profiteerden ook Republikeins gezinde ondernemers. Het is Trump zelf voor de voeten geworpen door Republikeins kandidaat Marco Rubio. Zijn antwoord was ofwel heel ad rem ofwel goed voorbereid, maar verraadt in elk geval de flair van de tv-persoonlijkheid die met een paar woorden de situatie in zijn voordeel kan verkeren: “Ik heb in mijn werk tienduizenden mensen in dienst genomen. Jij niet één. Jij hebt alleen maar problemen met je creditcards” (p. 157). (Rubio had een probleem met door elkaar lopend privé- en campagnegeld.)

Belangrijker was deze erkenning van Trump: “Onze politici hebben een agressief globaliseringsbeleid gevoerd, waarbij ze onze banen, onze rijkdom en onze fabrieken naar Mexico en naar overzee hebben verplaatst. De globalisering heeft de financiële elite, die donaties doet aan onze politici, heel, heel rijk gemaakt. Ik was een van die mensen. Ik vind het naar het te moeten zeggen, maar ik was er een van. Maar het heeft miljoenen niets gelaten dan armoede en hartzeer. Als er gesubsidieerd buitenlands staal op onze markten gedumpt wordt en onze fabrieken bedreigt, dan hebben de politici laten zien, mensen, ze hebben laten zien dat ze niets doen.” (p. 167v.)

(wordt vervolgd)

Victor Davis Hanson: The Case for Trump (3)

Was het midden van Amerika, het geografische en het stagnerende sociale, dan helemaal niet in beeld bij de goede verdieners en de geknuffelde minderheden, aan de Democratisch stemmende kusten, bij het establishment van de beide grote partijen? Ach ja, min of meer wist men natuurlijk wel wat er aan de hand was. Maar het ontbrak aan wezenlijke, echt menselijke, belangstelling. Misschien ligt de verklaring in gewone menselijke traagheid. Deels ligt ze zeker in het feit dat elk mens en elke groep ertoe neigt zijn horizon te beperken: de grootsteedse sfeer van New York of Los Angeles heeft dat effect, voor Washington D.C. komt daar nog bij dat die bestuurlijke en juridische bijenkorf een wereld op zich is, als in Luthers tijd Rome met zijn rond de curie zwermende carrièristen.

Maar de belangrijkste beperking van het zichtveld was een ideologische. De spraakmakende Democraten en de met hen innig verbonden media maakten het zich gemakkelijk door zich voortdurend te beroepen en te beroemen op hun vermeendelijk superieure moraal van inclusiviteit, diversiteit, tolerantie, anti-racisme, vrouwenstrijd en wat dies meer zij. Behalve een goed gevoel over zichzelf verschafte het hun ook een beeld van de anderen, van het tweede Amerika: dat waren dan uiteraard de blanke, bewust of onbewust racistische, intolerante, wel discriminerende dominante mannen en onmondige vrouwen. Dit vooropgezette beeld was het kader waarin alle uitingen die men opving uit het andere kamp geïnterpreteerd werden. Ook trots op de VS en haar grondleggers, op de vlag als haar symbool, werd en wordt hier van dag tot dag meer uitgelegd als enghartig nationalisme, zo al niet als de waan van blanke suprematie.

President Obama is in deze trend van framen en denigreren met verve voorgegaan. Uitspraken met de strekking dat Amerika nog steeds diep bepaald is door zijn verleden van raciale tegenstellingen (waarmee de enorme winst van de laatste vijftig jaar schouderophalend werd afgedaan en aan zwarten een gratis slachtoffermacht werd uitgereikt); het nooit afstand nemen van de verdeeldheid scheppende notie van white privilege; het overhaast overnemen van de Black Lives Matter versie van het verhaal van de dood van de zwarte tiener Trayvon Martin… en dat is dan alleen nog maar het raciale aspect: de tendens van dit presidentschap is verdelend geweest, meer dan bij enige voorganger in de laatste decennia. Het Amerika van het midden kreeg alle denkbare morele trappen na, met psychologie van de koude grond als onderbouwing: “Typically” – een geliefde uitdrukking van Obama – “als mensen onder druk staan, keren ze zich tegen anderen die er niet uitzien als zijzelf.” En dan de uitspraak uit de tijd van de strijd om de Democratische kandidatuur die hem (terecht) zou blijven achtervolgen: “Ze worden bitter, ze klampen zich vast aan wapens of religie of weerzin tegen mensen die niet als zij zijn of aan anti-immigranten-sentiment of anti-handels-sentiment om op die manier hun frustraties te verklaren.” De “vastklampers” (clingers) worden in het register van Hansons boek apart vermeld.

Hillary Clinton deed er acht jaar later nog een schepje bovenop: de helft van de Trumpstemmers, ach, dat was toch “a basket of deplorables, een hoopje sneue types. Ja toch? (gelach en applaus). Ze zijn racistisch, seksistisch, homofoob, xenofoob, Islamofoob – noem maar op.” Pogingen het recht te breien mochten niet baten, maar voor haar volgelingen hoefde dat eigenlijk ook niet. De keten van verwijten, scheldwoorden – “racistisch, seksistisch, homofoob, xenofoob, Islamofoob…” – was allang ingeburgerd en werd dagelijks honderdduizenden keren uitgebraakt, op campussen, in televisieprogramma’s. Het is de standaard-retoriek (als die term niet teveel eer is) voortvloeiend uit de onderliggende ideologie: de identiteitspolitiek.

Aan wie even wat afstand neemt kan het nauwelijks ontgaan: bij alle voortdurende geroep over “inclusiviteit” is de sfeer van identiteitspolitiek er bij uitstek een van uitsluiting, van “wij goed/zij slecht”, van zondebokdenken. Het is als een muur om een resort van weldenkende en welverdienende wereldburgers. Zo hevig verontwaardigd als de bewoners zich betonen over het idee van een fysieke muur aan de Amerikaans-Mexicaanse grens, zo blind zijn ze voor het inhumaan afstand scheppende van hun egocentrische ideologische bouwsels – waarmee de verdeeldheid hardt als beton.

Het is deze verdeeldheid die Donald Trump aantrof en waarin hij partij koos. Dat leverde hem uiteraard het verwijt op zelf de voornaamste bron van de verdeeldheid te zijn, maar die leugen is deel van de verdelende en heersende ideologie. Trump koos partij – en waar links Amerika bevangen was in een geest van holier than thou (Jes. 65:5), sprak hij tot het hart van Jeruzalem (Jes. 40:2). Hanson heeft dat gezien en er Trumps centrale verdienste in herkend. Zijn boek heeft dan ook als opdracht For the “Deplorables”.

(wordt vervolgd)

Victor Davis Hanson: The Case for Trump (2)

Het Amerika waarin Trump op 16 juni 2015 zijn kandidatuur voor het presidentschap bekend maakte was verdeeld – zeer; aan het eind van de tweede ambtstermijn van Barack Obama nog meer dan daarvoor. Wie het fenomeen Trump wil begrijpen moet allereerst dat begrijpen: hij trof verdeeldheid aan. Hij zaaide die niet, hij deed er niet pervers zijn voordeel mee: hij trof haar aan en peilde haar. Dat laatste deden pers, veel geleerde analisten, vrijwel alle ongeleerde maar spraakmakende beroemdheden niet en dit verklaart voor een belangrijk deel hun spectaculair verkeerde inschatting van Trumps kansen.

Op YouTube zijn collages te zien van de voorspellingen van de ongekende overwinning die Hillary Clinton in november 2016 zou boeken. Voor men dezelfde lieden volgt in hun verontwaardigd gejoel over het tijdperk-Trump doet men goed nog eens terug te kijken op het begin daarvan:

Nog belangrijker is de voorspelling, onmiddellijk na de verkiezing gedaan door New York Times columnist en Nobelprijswinnaar econoom Paul Krugman: de aanvankelijk negatief reagerende markt zou zich niet herstellen, we beleefden het begin van een wereldwijde recessie waaraan geen einde te zien was. Een andere gerespecteerde econoom, Larry Summers, noemde Trumps aankondiging van drie procent economische groei een sprookje en een bespottelijk geloof in de macht van belastingverlaging en deregulering. Welnu, het herstel van de markt kwam snel en de economische groei overtrof Trumps voorspelling. Men kan tegenwerpen dat een eventuele toekomstige recessie toch Trumps schuld zal zijn of dat groei op korte termijn op den duur tot teleurstelling zal leiden. Maar afgezien van het feit dat dit argumenten in tweede instantie zijn, die het aanvankelijk ongelijk van Krugman en Summers niet ongedaan maken: miljoenen Amerikanen die geen werk hadden hebben dat nu wel en opvallend is daarbij de toename van banen in industrieel productiewerk (p. 370). Wat zou men – niet via de krant of het beeldscherm maar van aangezicht tot aangezicht, gezeten aan hun keukentafel – tegen deze mensen willen zeggen?

En daarmee zijn we terug bij de verdeeldheid die Trump aantrof en die hij peilde. Hanson wijdt daaraan zijn eerste hoofdstuk, The Two Americas. Dat verwijst niet naar een klassieke tweedeling van arm en rijk. Wel zijn er economische en bestuurlijke elites te ontwaren (aan de kusten, waar de Democraten hun meeste stemmen halen en bij presidentsverkiezingen keer op keer de basis leggen voor hun winnen van de popular vote) en daartegenover groepen en streken die stagneren en verarmen. Maar men moet onderscheiden tussen deze achterblijvende middengroepen en andere economisch armen, die een collusie-achtige eenheid vormen met de progressieve elites. Denk bij voorbeeld aan zwarten in een vermeendelijk typisch zwarte gettocultuur (zie nog eens mijn blog van 24 januari jl, “Zwarte rednecks”) en aan illegale immigranten (22 miljoen volgens een recent onderzoek). Ze zijn afhankelijk van een overheid die inkomens herverdeelt, bijzondere bescherming waarborgt, zonder dat ze daarnaast een herinnering en een ideaal koesteren van eigenhandig een goed bestaan opbouwen binnen de unieke Amerikaanse cultuur.

De afhankelijkheid verbindt deze andere armen niet alleen met de elites waarvan ze hun heil verwachten, maar ook met de vele studenten die zuchten onder enorme studieschulden en die moeten hopen op kwijtschelding of gunstiger regelingen. De elites ontlenen aan de hele constellatie een deel van hun macht en (in een uitdijende bureaucratie) hun inkomen, hun gevoel van ethische vervulling, hun identiteit.

Met het tweede Amerika, naast dat van de elites en van de afwachtend daarheen omhoog kijkende minderheden, doelt Hanson op de wegzakkende middengroepen in het midden van het land: gebieden en mensen die gisteren floreerden maar die nu de prijs voor de globalisering betalen. Hun fabriek kon bij voorbeeld de concurrentie met goedkope Chinese producten niet aan en werd gesloten. Die mensen zitten nu klem tussen twee machten: boven en beneden hen of ten oosten en ten westen, beide plaatsbepalingen hebben hun recht. “Kom dan in beweging en word als wij!” is de cynische schijn-oplossing die hun van boven en van de kusten wordt toegeroepen. Of ook: “Erken je afhankelijkheid en stem in met de roep om een politiek van inkomensherverdeling.” Als er al iets geroepen wordt. Want fly over country wordt het midden van het land wel genoemd door wie ’s ochtends in New York moet zijn en ’s avonds in San Francisco.

(wordt vervolgd)

Victor Davis Hanson: The Case for Trump (1)

Waarschijnlijk het beste dat er tot nu toe geschreven is over Donald Trump als presidentskandidaat en president komt van het toetsenbord van de Amerikaanse classicus en militair historicus Victor Davis Hanson (geb. 1953). Hij was een van de weinige spraakmakende intellectuelen die al vroeg in Trump een veelbelovend alternatief voor de status quo in Washington en in het land zagen en daar ook onomwonden voor uitkwamen. Zijn onlangs verschenen boek, The Case for Trump, analyseert de ongedachte successen van de man die de eerste Amerikaanse president zonder voorafgaande politieke of militaire ervaring werd. Tot die successen rekent Hanson niet alleen de verovering van de Republikeinse nominatie en het verslaan van Hillary Clinton, maar ook belangrijke economische en politieke ontwikkelingen in de eerste twee jaar van dit presidentschap.

Het beeld dat Hanson schetst van Donald J. Trump is, ook waar hij dezelfde gegevens gebruikt, heel anders dan dat van de dominante media ginds en hier. Allerlei elementen die gewoonlijk moeten illustreren hoe vreselijk de man, zijn uitingen en zijn beleid toch wel zijn – het frame dat ook de Nederlandse krantenlezer en tv-kijker het meest vertrouwd is – gaan in Hansons betoog iets verklaren van de triomftocht van de outsider. Je kunt de oranje huid, het onwaarschijnlijke haar, de meterslange stropdas belachelijk maken, of verdacht als de uiterlijke tekenen van ongeschiktheid voor het ambt – maar voor tientallen miljoenen mensen bevestigen ze: hij is wie hij is, ongegeneerd, voor hem mogen dus ook wij zijn wie wij zijn, hij is onze man. En men kan het voorstellen alsof de president een wandelende bundel persoonlijkheidsstoornissen is, op die grond rijp voor afzetting – maar alleen al zijn overeind blijven bij de doorgaande ongekende hetze tegen zijn persoon kon wel eens getuigen van een robuuste geestelijke gezondheid, die op haar beurt mede zijn opmerkelijke daadkracht zou verklaren: zelden heeft een president zo snel zo veel belangrijke verkiezingsbeloften waargemaakt.

De historicus is bij uitstek geroepen tot relativeren en dat gebeurt in The Case for Trump dan ook op weldadige wijze. Twee voorbeelden. Qua gedrag en gezondheid was een voorganger als John F. Kennedy, met zijn seksuele escapades in het Witte Huis en zijn afhankelijkheid van grote aantallen zware pijnstillers en steroïden, een veel problematischer figuur dan Trump. Maar pers en hoge ambtenarij hielden dit soort dingen in de jaren zestig nog voor het publiek verborgen. Ook het vloeken en tieren van president Johnson, diens chronische overspeligheid, zijn voeren van besprekingen vanaf de WC en het tonen van zijn lid als opperst retorisch argument (“Heeft Ho Tsji Minh dit?”) werden toen niet naar buiten gebracht en waren voor niemand argumenten voor afzetting wegens geestelijke instabiliteit. Heel wat mindere zaken werden door de van Obama geërfde, gepolitiseerde top van FBI en Ministerie van Justitie wel aangegrepen voor een verkennend overleg of men Trump niet langs deze weg kon dumpen. Nieuw en tamelijk uniek is met andere woorden niet Trumps onbehouwenheid (hij steekt op dat punt gunstig af bij menig voorganger, ook Truman mag hier genoemd worden), maar is wel de bereidheid tot sabotage van zijn presidentschap door lieden die op hun hoge vertrouwensposten gehouden waren tot strikte loyaliteit aan het staatshoofd in de uitoefening van zijn ambt.

(wordt vervolgd)

Nepnieuwsmedia

Eerder (13 en 18 februari) verwees ik naar de toespraak die Barack Obama kort voor de verkiezingen van 2016 voor de Carnegie Mellon Universiteit in Pittsburgh hield en waarin hij wees op het verontrustende fenomeen van nepnieuws op het internet: ronduit onware verhalen, eventueel verbonden met samenzweringstheorieën, die de mening van de burger over belangrijke kwesties kunnen beïnvloeden. Daar moest iets aan gebeuren, vond de scheidende president: democratie veronderstelt goed geïnformeerde burgers, desinformatie belemmert de democratie. Op een of andere manier moest in de onafzienbare berichtenstroom van het internet het kaf van het koren gescheiden worden. De term die hij hiervoor gebruikte was to curate: beheren, selecteren, orde scheppen. Dat was een eufemisme. Voor uitgefilterde berichten betekent het natuurlijk: censureren. Technisch gaat dat via de “algoritmes” waar je vaak over hoort en die concreet worden in computerprogramma’s. Dat sluit niet uit dat mensen van vlees en bloed betrokken zijn bij de uiteindelijke beslissing maatregelen te nemen tegen gebruikers van Twitter, Facebook, Instagram e.d. Zo gaat het dan ook, want met de vervulling van Obama’s wens is (en was waarschijnlijk al) een begin gemaakt: algoritmes en mensen in cubicles en vergaderzaaltjes vullen elkaars werk aan.

Ongeveer tegelijk met Obama ontdekten en benoemden andere politici en tal van journalisten, commentatoren, cultuurfilosofen, maatschappijkritische bloggers, noem maar op, hetzelfde probleem. Was het er gewoon de tijd voor? Daar zit iets in: de nieuwe media moesten eerst ingeburgerd raken voor de schaduwzijden aan het licht kwamen en opmerkzame types konden die heel wel ongeveer in dezelfde tijd ontdekken. Maar het is naïef het bij die verklaring te laten.

Waren Obama en veel geestverwanten niet vooral zo bezorgd over de macht van de individuele internetgebruiker omdat het een aantasting betekende van het monopolie van traditionele media op nieuwsvoorziening en beeldvorming bij het grote publiek? Kranten als de Washington Post en de New York Times, de televisienetwerken NBC, ABC en CBS, de kabelnetwerken CNN en MSNBC – ze waren sinds jaar en dag op de hand van de Democratische Partij, stonden pal voor presidentskandidaat Hillary Clinton, konden Donald Trump niet genoeg belachelijk maken of demoniseren, dag aan dag, uur na uur. Wie bezwaren had tegen Obama was een racist, wie niet op Hillary zou stemmen een vrouwenhater, de beloofde muur aan de zuidgrens ideologisch gesproken een replica van de Berlijnse muur; Donald greep aan de lopende band vrouwen in hun kruis, zweepte bij zijn domme volgelingen de vreemdelingenhaat op, enz. enz. – de vergelijking dringt zich op met de stereotiepe verwijzing naar de ellende in “das kapitalistische Ausland” in wijlen de DDR-media. De als respectabele journalistiek vermomde propaganda-arm van de Democratische Partij was een geweldige macht ten gunste van Obama en Clinton – en die macht werd ondermijnd. Een bedreiging waren al langer de zgn. talk radio met invloedrijke conservatieve presentatoren als Rush Limbaugh en de conservatieve nieuwszender Fox News, met zijn veel betere kijkcijfers dan CNN. Maar het internet, met zijn bloggers en intelligente spelers als Breitbart News, maakte het allemaal nog eens zo lastig. Ongetwijfeld beschikte Obama zelf over informatie van de inlichtingendiensten over de buitenlandse herkomst van allerlei nepnieuws. Maar de zorg om de culturele verschuiving, het aangetaste monopolie van de zgn. legacy media, was bij hem beslist fundamenteler. Onder de bezorgdheid om de democratie lag de grotere ongerustheid over de machtsbasis van hem en zijn geestverwanten.

En dan is er het verschijnsel astroturfing: het lijkt of spontaan op allerlei verschillende plaatsen tegelijk een inzicht, een opvatting, een argument opkomt, maar die spontaniteit is schijn. Achter de schermen wordt er wel degelijk gecoördineerd. Als een idee op een diffuse manier her en der opkomt, lijkt het dat op eigen kracht te doen en daarvan gaat de suggestie uit van een geduchte intrinsieke waarde, vandaar. De techniek wordt onder meer gebruikt om commerciële producten in de markt te zetten, in smear-campagnes – het bezoedelen van de reputatie van een tegenstander – en om de publieke discussie een bepaalde kant op te sturen. Ideële organisaties of ingehuurde bedrijven die een verkiezingscampagne ondersteunen maken er dankbaar gebruik van. Welnu, van astroturfing was met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid sprake bij dat koor van stemmen dat in oktober-november 2016 opeens in close harmony de Ballade van het Nepnieuws zong.

Ook in Nederland staat het nepnieuwsprobleem in de aandacht. En ook hier is het vooral vanuit gevestigde belangen, de monopolies van gisteren, dat men zich bezorgd maakt. Gelukkig is er het inzicht dat via het internet niet onmiddellijk de democratie omvergehaald wordt. Maar blijft het daarbij? Wordt er vervolgens wel ernst gemaakt met de goede zin van Donald Trumps omkering van de spits van de kritiek naar de traditionele media, de gevestigde namen, de afgestudeerden van de scholen voor journalistiek – naar dát complex als wellicht de gevaarlijkste bron van nepnieuws?

Helemaal op scherp staat het rond die vraag momenteel in de VS, nu de samenzweringstheorie “president Trump is een Russische marionet” geïmplodeerd is. Het zijn juist de traditionele media die aan deze theorie de grootste verbreiding hebben gegeven. Wereldwijd mag je wel zeggen, want journalisten in bij voorbeeld ons land hebben weinig kritische afstand tot de eerder opgesomde Amerikaanse kranten en zenders. Reële aanwijzingen ontbraken. Men wees op volstrekt niet uitzonderlijke handelingen van het Trump-kamp als waren het vingerafdrukken op een moordwapen. Lekkende Witte-Huis-medewerkers werden niet door de detector voor anti-Trump-agenda’s gehaald. Bronnen werden niet geverifieerd. Er is een hele lijst van onjuist gebleken berichten, die nooit gepubliceerd zouden zijn als men zich bij klassieke journalistieke vuistregels – om maar niet te spreken van een klassieke beroepsethiek – had gehouden. Toegegeven, enkele CNN-medewerkers die het al te bont gemaakt hadden werden ontslagen. Daar staat tegenover dat de prestigieuze Pulitzerprijs in 2018 werd toegekend aan de Washington Post en de New York Times, uitgerekend voor hun berichtgeving over de vermeende Trump-Rusland-collusie. Uitgangspunt van die berichtgeving was steeds dat de verdenking van collusie volkomen realistisch was en het protest van Trump (“het is een heksenjacht!”) ingegeven door angst voor ontdekking. Maar Trumps kwalificaties klopten: het Ruslandverhaal wás een hoax, een onzinverhaal. Telkens en telkens weer bleken de traditionele media te dealen in fake news dat hun samenzweringstheorie moest bevestigen.

Terug nu naar het desideratum van Obama. Als het als feiten of bijna zekerheden presenteren van wilde speculaties en paranoïde of kwaadaardige samenzweringstheorieën werkelijk een bedreiging is voor de democratie; als het op het internet naar vermogen uitgefilterd moet worden; als aan de bronnen van zulk nepnieuws hun toegang tot de openbaarheid ontnomen moet worden – geldt dat alles dan niet minstens evenzeer voor het Pulitzerprijzen winnende en uitdelende traditionele mediacomplex? En dat helemaal als het allemaal strekt tot delegitimering van de President en daarmee tot destabilisering van het land? Welnu, wat moet er met de schuldigen gebeuren, nu die ook zelf niet meer kunnen ontkennen dat de door hen veroorzaakte en zorgvuldig in stand gehouden hysterie over Trump als Russische marionet geen feitelijke basis had? Is de consequentie van Obama’s verlangen niet dat de Washington Post en de New York Times, CNN, MSNBC enz. nu verboden moeten worden? Door de overheid, dus met opgeven van de vrijheid van meningsuiting?

Ja, dat is de consequentie. Maar het kan niet. Het mag niet. De nieuwsconsument zal zelf moeten schiften, hoe moeilijk dat ook is. Dat geldt voor wat de kranten schrijven, het geldt voor wat op het internet verschijnt. Het nadeel van het internettijdperk is: er komen veel meer tegenstrijdige verhalen en visies op ons af. In een informatieval lopen of dat voor zijn door je maar helemaal af te sluiten: het is een even vervelend als reëel dilemma. Het voordeel van alle nieuwe informatiemogelijkheden is echter: traditionele journalisten kunnen onze horizon niet meer beperken tot de door hen gewenste bubbel, ons niet meer wijsmaken dat hun Trumanshow de hele werkelijkheid is. Obama sprak van het nadeel van de nieuwe verhoudingen, maar treurde heimelijk om het verloren voordeel. Zijn eis moet in de prullenmand. Maar dan ook helemaal: voor redacteuren van gerenommeerde bladen en anchors van tv-zenders én voor bloggers, Facebookers en twitteraars. Het betekent wel dat er tegen de macht van grote techbedrijven een strijd gevoerd zal moeten worden, zoals in het verleden tegen de staat om de vrijheid van meningsuiting en andere burgerlijke vrijheden. Hoe die strijd precies te voeren is nog een hele puzzel.

Maar de geest waarin is geen probleem. Als de recente beschaming van de Fake News Media iets in ons moet wakker maken, is het wat mij betreft, met William Blake:

I will not cease from Mental Fight

En daarom nog maar eens:

Sound the Trumpet: Trump Trumps the Trumphaters

Bijzonder onderzoeker Robert Mueller en zijn team hebben het onderzoek afgesloten naar eventuele “collusie” (samenspannen, onder één hoedje spelen) van kandidaat Trump en de zijnen met Rusland tijdens de campagnes voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016. Er werd niets gevonden. Was het anders geweest, dan nog had men de aangetroffen “collusie” vervolgens moeten vertalen in iets strafbaars, want het vage begrip zelf komt in geen enkel mogelijk relevant wetsartikel voor. We hebben het er dan maar niet over dat sommige commentatoren in 2017 en 2018 zelfs het woord “verraad” in de mond namen, hoewel dat begrip in het Amerikaanse recht een oorlogssituatie veronderstelt en hier dus per definitie niet aan de orde was.

Een kleine twee jaar heeft het onderzoek geduurd. Tientallen miljoenen dollars heeft het gekost. Honderden getuigen zijn gehoord, op talloze gegevensbestanden werd beslag gelegd. Er is op het centrale punt, samenspannen met Rusland, niets, helemaal niets uitgekomen. Dat de Russen zelf, eenzijdig, getracht hebben de verkiezingen te beïnvloeden, althans een voor hen vermakelijke verwarring te stichten, wie zou het van tevoren betwijfelen? Op dat punt is er dan ook van alles bewezen en er zijn Russische schuldigen aangewezen – die uiteraard nooit zullen worden uitgeleverd. Intuïtief lijkt het effect van hun bemoeienis echter geringer te zijn geweest dan de kleffe intimiteit van een groot deel van de pers met het Witte Huis en de Clintoncampagne of zelfs de partijdige afstelling van Google’s zoekmachine (die positieve berichten over Hillary en ongunstige over Trump naar voren haalde – zie hierover de documentaire The Creepy Line).

De negatieve uitkomst is nog veelzeggender als je de volgende gegevens meeweegt. Muellers team bestond aanvankelijk, naast drie partijlozen, uit dertien Democraten, allen partijleden, in meerderheid bovendien royale donateurs van de campagnes van Obama en later Clinton. Was er geen enkele Republikeinse jurist van voldoende niveau en zonder al te uitgesproken politiek profiel te vinden? De vraag is uiteraard retorisch. Wonderlijk is ook dat aanvankelijk het duo Peter Strzok en Lisa Page deel uitmaakte van het gezelschap. Als hoge FBI-functionarissen waren ze in de nadagen van de regering Obama vastbesloten een eventuele president Trump – nou ja, in het hoogst, hoogst, hoogst onwaarschijnlijke geval dat hij Hillary zou verslaan – alsnog gauw weg te krijgen. Het blijkt uit hun SMS-verkeer, dat boven water kwam in andere onderzoeken dan dat van Mueller. De twee SMS’ten wat af, want ze hadden een van twee kanten buitenechtelijke relatie. Ook politiek waren ze het helemaal eens, getuige berichten als: “we zullen hem [Trump] tegenhouden” (waarmee kennelijk niet gedoeld werd op de stem van de Amerikaanse kiezer) en: “we hebben nog altijd de verzekeringspolis” (kennelijk de al lopende bespionering van de Trumpcampagne, die kon worden uitgebouwd tot een onderzoek tijdens het presidentschap). Ja, zo ging het toe in de top van de federale politie. Stelt u zich even voor dat in Nederland juristen in de politietop zo over een mogelijke premier Klaver of Baudet spraken. Hoe dan ook, Mueller kon de tortelduifjes niet handhaven. Maar de vraag blijft hangen: toen hij ze opnam in zijn team, wist of vermoedde hij toen helemaal niets van hun felle anti-Trump-gezindheid? Is Robert Mueller naïef? Zo ja, was het ook naïveteit dat hij in Jeannie Rhee een medewerkster verwelkomde die eerder als advocaat de Clinton Foundation verdedigd had, $5.400 gedoneerd had aan Hillary’s campagne en gewerkt had voor de door Trump (op goede gronden) ontslagen vice-directeur van de FBI Andrew McCabe? Zo is er meer (zie pp. 275-280 in Gregg Jarrett: The Russia Hoax, hier besproken op 4 februari 2019). Waar het me hier om gaat: zoveel belangenconflicten en vooringenomenheid in het Mueller-team, de ronduit gewetenloos op niets dan veroordeling gerichte Andrew Weissmann als zijn rechterhand – en er is op het centrale punt helemaal niets uitgekomen. Vollediger kon Trumps triomf niet zijn.

Tenminste: voor wie het over zich kan verkrijgen dat toe te geven. Voor wie dat niet wil: als om zijn partijdigheid te onderstrepen heeft Mueller, met schending van zijn beroepsethiek en van een fundamenteel rechtsprincipe, de Democraten nog een brok toegeworpen waar we ze ongetwijfeld nog lang op zullen zien kauwen. Het gaat om het volgende. Een tweede, afgeleid, punt van onderzoek was “belemmering van de rechtsgang”. Ook daarvan is geen bewijs gevonden. Welnu, daar houdt het voor een aanklager of justitieel onderzoeker op, ook voor een bijzondere als Mueller. Hij is gehouden het te laten bij: “geen bewijs”. Je mag niet zeggen: “we vervolgen persoon X niet, maar je kunt daar vraagtekens bij zetten, getuige de feiten A, B, C…”. Er is immers geen gelijkwaardig onderzoek geweest, met gelegenheid voor persoon X op elk punt zijn kant van de zaak te belichten, kruisverhoren te plegen, alle bewijs kritisch onder de loep te leggen. De macht van het juridisch en politie-apparaat is eenzijdig tegen hem gekeerd geweest. Dan zijn er maar twee uitkomsten mogelijk: 1. vervolging, waarbij persoon X alsnog zijn rechten in een eerlijk proces kan uitoefenen; 2. geen vervolging. Er is niet de tussenweg “geen vervolging, maar wel materiaal naar buiten brengen dat X in een ongunstig daglicht stelt”. Precies dat is wat Mueller doet. Vernietigend is daarover het oordeel van emeritus Harvard-hoogleraar Alan Dershowitz (zie vooral ook 4:05: “Shame on Mueller”):

Het is, als gezegd, een fundamenteel rechtsprincipe. Mueller heeft dat geschonden en daarmee tegelijk zijn beroepsethiek. De ellende is dat openbaar aanklagers met dit soort machtsmisbruik in de VS vrijwel altijd wegkomen: er is voor hen geen goed functionerend tuchtrecht. Enkele verbijsterende misstanden die daardoor mogelijk werden zijn door voormalig federaal aanklager Sidney Powell geschilderd in haar boek Licensed to Lie. Exposing Corruption in the Department of Justice (2014). Een hoofdrol wordt daarin gespeeld door de sinistere Andrew Weissmann, Muellers rechterhand in het collusie- en rechtsbelemmeringsonderzoek.

Met een snerpende dissonant, helemaal in de geest van Weissmann, heeft Mueller dus zijn onderzoek afgesloten. Ook voor wie graag objectief wil zijn en wat afstand nemen van de verdeeldheid in de VS is daarmee de laatste mogelijkheid weggenomen het overwegend politieke karakter van het onderzoek te ontkennen. U hoeft bij Nederlandse journalisten niet op groot inzicht in of belangstelling voor dit aspect van de zaak te rekenen. Dat links Amerika bezig is de rechtstaat van binnenuit uit te hollen was al geen thema in hun berichtgeving over de Kavanaugh-hoorzittingen (waar ik misschien nog eens uitvoerig op in ga) en zal het ook hier niet gauw worden.

Blijft, dat zuiver inhoudelijk Trump in zijn eer hersteld is. Sound the trumpet!