Stevo Akkerman schreef eind vorig jaar in zijn Trouw-column (op het internet gepubliceerd 17 december 2018, 7:00 uur):
In het debat over het VN-migratiepact dacht het Kamerlid Baudet er verstandig aan te doen de Bijbel te citeren. Uit de Heilige Schrift zou volgens hem blijken dat Christus ons leert niet zozeer te houden van mensen ver weg, als wel van onze náásten. Baudet was even vergeten dat het Nederlandse parlement twee zeer bijbelvaste fracties telt. Hij kreeg direct de wind van voren vanuit de ChristenUnie, waar men donders goed weet dat Christus, sprekend over de vraag ‘wie is uw naaste’, juist wijst op de verachte vreemdeling.
Dit gênante voorval mag exemplarisch heten voor het politieke spel dat gespeeld wordt met de christelijke erfenis van Europa, en daarmee ook van de VS. Het christendom wordt ingezet om niet-westerse immigranten te weren, en dat door lieden – zie Donald Trump – die zich nogal zouden verbazen als ze vernamen wat Jezus van Nazareth zoal te melden had.
Het voorval illustreert wat mij betreft iets anders dan voor Akkerman. Voor mij is het illustratief voor waar we samen in beland zijn met het door groepen toegeëigende evangelie, met de christelijke traditie als zitzak (zie vorige keer). Iemand die niet in die traditie staat, Baudet dus, waagt het in het publieke debat een stukje Bijbelse theologie in te brengen en vertegenwoordigers van de bedoelde traditie zijn er als de kippen bij om hem af te troeven. Zo ging het volgens berichten vroeger vaak toe op de Gereformeerde Jongelingsvereniging: elkaar Bijbelse vliegen afvangen, als oefening voor later in de kiesvereniging, in de kerkenraad, bij de kerkscheuring. Ook de triomfantelijke toon van de columnist past in dat sfeertje. Al verklaart Akkerman van tijd tot tijd dat hij tegenwoordig meer twijfelt, homoseksualiteit niet meer veroordeelt en dat soort dingen meer, de gereformeerde jongeling schud je met dat alles niet af. Het is nostalgie natuurlijk, maar het is meer dan dat: een structuur van beleven en denken die zich in nieuwe gestalten handhaaft. De zelfheiliging werd politieke correctheid. Het door verkrijgende verjaring verworven recht op de Bijbel als het-heilige-Boek-dat-aan-onze-kant-staat werd niet opgegeven. De Schrift werd wat soepeler gelezen, maar nog altijd met de gewenste politieke uitkomsten. En dus pepert Akkerman het Baudet als vanouds in: wij zijn hier de specialisten, jij bent de beginner – om niet te zeggen: de goedkope, nostalgische namaak.
Het was te verwachten dat Kamerleden die gepokt en gemazeld zijn in de traditie van ijdel gebruik van Gods Naam (Akkermans “bijbelvaste fracties”) Baudet niet zouden laten wegkomen met een beroep op “hun” Bijbel. Maar hebben ze echt gehoord wat hun collega zei? En hebben ze zich wel zo Bijbelvast betoond?
Hebben ze gehoord wat Baudet zei? Kerkmensen, zeker de intellectuelen onder hen, gaan er graag prat op dat ze in de uitingen van andere mensen altijd verschillende lagen onderscheiden, aanvoelen, vermoeden. Het heet een grote pastorale deugd en kundigheid te zijn de gesprekspartner niet op woorden vast te pinnen: die vormen maar de oppervlakte, het gaat om het niveau van de intenties en dat van de existentiële geraaktheid. Nu begrijp ik dat een Kamerdebat niet hetzelfde is als een kerkelijke gespreksgroep. Maar het zoeken naar de bedoeling van wat iemand zegt, dat is toch wel het minimum dat we van elkaar mogen verlangen als we het niveau van de politiek-culturele discussie willen opkrikken? Gaat het in de Kamer misschien te snel, omdat je hersens achterlopen bij je voeten die al op weg zijn naar de interruptiemicrofoon, dan is toch een column een mooie gelegenheid voor nadere bezinning en zelfcorrectie. Nee, vindt Akkerman: echt hóren, dat hoeft niet – trouwens, hij heeft een deadline.
Er is in Baudets opmerking wel degelijk een intentie te horen die het gesprek goed kan doen – als ze opgemerkt en erkend wordt. Ik doel op het volgende. Er zit een suggestie in de lucht dat visie A op de zeer complexe migratieproblematiek er een is van naastenliefde, “compassie”, christelijkheid, terwijl visie B berust op hardvochtige vreemdelingenhaat of tenminste gebrek aan empathie. Daar bracht Baudet tegenin dat het woord “naaste” in de Bijbel een andere betekenis heeft dan veel mensen zich voorstellen bij “naastenliefde”. De Bijbel kent niet die geest van heel de mensheid omhelzen (behalve vaak je buurman). En daar had hij doodgewoon gelijk in. Dat gelijk was bovendien relevant, omdat de misverstane naastenliefde inderdaad een belangrijke retorische, emotioneel manipulerende rol speelt in de discussie. Dat voelde Baudet aan en daar ging zijn protest tegen.
Zijn punt verdient ondersteuning met nog een ander type overwegingen dan waar hij zelf mee kwam. Bijbelse termen rechtstreeks toepassen op onze problemen – “naastenliefde, en dus visie A op grenzen en immigratie” – is een vorm van (ik gebruikte de term al eerder) biblicisme: een intellectueel gemakzuchtig overslaan van de tussenliggende eeuwen, een weigering de moderne situatie zorgvuldig te analyseren. Dat God zich door geen afstand in de tijd laat tegenhouden, dat Christus niet opgesloten is in de jaren 0-30, dat is één ding – maar wij zijn God niet. Het antieke vreemdelingenrecht, waar het Oude Testament een eigen variant van geeft, veronderstelt antieke verhoudingen. De moderne problematiek van massa-immigratie en illegale immigratie is een ander onderwerp. Je kunt de twee wellicht koppelen. Maar dat vergt een hoop denkwerk. Visie B neersabelen met een paar Bijbelteksten of Bijbelse noties is goedkoop. Baudets protest daartegen is ter zake, ook als hij het element van biblicisme niet thematiseert en zich bepaalt tot de discussie over één Bijbels concept.
Het goedkope van de CU en andere zitzakkers was er bij Baudet niet: hij reageerde op een wijdverbreide mentaliteit die christelijk wil heten, maar niet zulke overtuigende Bijbelse papieren heeft als men aanneemt. In dat verband moet men zijn theologische opmerking plaatsen en in dat verband is ze terecht. Ze zou voor de mensen van de C en voor de met hen geestverwante Stevo Akkerman aanleiding moeten zijn tot zelfkritiek, niet tot triomfantelijk vliegen afvangen.
Van de Bijbelvastheid van de CU ben ik dus veel minder onder de indruk dan Akkerman. Ze raakt bij mij dan ook geen nostalgische snaren. Er is nog wel meer kritiek op mogelijk dan ik hierboven gaf. Ik heb geaarzeld of ik die zou toevoegen: verval ik zo niet zelf in Bijbelse vliegen afvangen? Maar zoals Baudet allereerst reageerde op een wijdverbreide pseudochristelijke notie (en nogmaals: hij had een punt), zo wil ik meer in detail de theologische gemakzucht van de CU-fractie en van Akkerman niet schouderophalend laten voor wat ze is. Mijn hoop blijft dat ze hun zitzak een keer verlaten.
Men beweerde dus dat Christus, sprekend over de vraag ‘wie is uw naaste’, juist wijst op de verachte vreemdeling. Welnu, in het bekende verhaal van de barmhartige Samaritaan (Lucas 10: 25-37) speelt zeker een rol dat Jood en Samaritaan elkaar veelal verachtten. Wanneer je echter dat gegeven gebruikt om met een terloopse insinuatie het mediaverhaal kracht bij te zetten dat een Baudet en een Trump gemotiveerd worden door verachting, ben je toch wel heel onzuiver bezig: het is een geniepig retorisch trucje dat riekt naar de debatavond van de Gereformeerde Jongelingsvereniging. Verder zijn de Jood en de Samaritaan in het verhaal inderdaad ook vreemden voor elkaar: vooral geestelijk zijn ze van elkaar vervreemd. Ieder van hen vindt de ander religieus gesproken “geen echte”. Hier zou ik, niet geniepig terloops maar heel uitdrukkelijk, willen onderstrepen dat Akkerman Baudet en Trump “geen echten” vindt, in onderscheid van de mensen van de C en van zichzelf. Beseft hij, het verhaal van de barmhartige Samaritaan vanuit die gedachte herlezende, dat Baudet zijn naaste is? Dat diens stukje Bijbelse theologie – onbeholpen? nou vooruit! hij doet het met wat hij in zijn reisbagage heeft – wellicht de wonden van Stevo’s gereformeerde opvoeding zou kunnen reinigen (een beetje bijtend, maar dat gaat niet anders) en verzachten en zo wellicht beginnen te genezen?

