Met Pasen waren in onze kerk in ‘s-Heer Hendrikskinderen de lezingen: Jesaja 51:6-11 (“Vreest niet voor de smaad der stervelingen, wordt niet verschrikt vanwege hun beschimpingen”), Johannes 20: 1-18 (Maria Magdalena, die “dacht dat het de tuinman was”) en Lucas 24: 13-35 (de Emmaüsgangers). Ze werden omlijst door de liederen 659 (“Kondigt het jubelend aan”) en 630 (“Sta op, een morgen ongedacht”).
In de uitleg en verkondiging zoals ik die waagde, zult u de invloed opmerken van mijn lectuur en schrijverij van de laatste tijd:
Lieve gemeente,
Pasen is vreugde. Vandaag is een dag van vreugde.
Maar wat maakt de vreugde van deze dag nu zo diep, alomvattend?
Het eerste antwoord is natuurlijk: het gaat om de overwinning op de dood – grotere woorden bestaan niet. En als dat méér is dan woorden, als het waar is… Dat moet wel de grootste vreugde zijn.
Zelfs al komt de dood soms als een verlossing: er is iets wat nóg sterker is dan deze verlossing, nóg meer een bevrijding.
Toch is dat allemaal nog te algemeen, gemeten aan de Bijbel.
Er is meer over te zeggen.
Ik zal een geschiedenis vertellen die een beetje herinnert aan de gestalte van Jezus.
Daarna gaat het weer uitdrukkelijk over Jezus zelf.
Hopelijk is dan nog wat duidelijker waarom er bij de leerlingen én schrik én vreugde is als de opgestane Heer hun verschijnt – en waarom de vreugde zo diep is – verdiept door
de schrik, zoals het licht uit het donker breekt: en het werd avond en het werd morgen.
In een land hier ver vandaan waren twee groepen mensen.
De ene groep deed zaken met de hele wereld, was goed met moderne dingen zoals computers, genoot van het leven, keek vooruit. En de toekomst straalde: deze mensen zagen de hele mensheid al gelukkig worden, iedereen zou iedereen omhelzen: blank en bruin en rood en geel; mannen, vrouwen en allerlei variaties daarop…
De andere groep had altijd gedacht: als je maar wilt werken en je leeft fatsoenlijk, dan kun je in dit land een goed leven hebben. Maar waar zij woonden (het was een groot land) ging dat verhaal niet meer op. De dingen die zij vroeger maakten, bij voorbeeld auto’s, werden in het buitenland goedkoper gemaakt. Dus hun fabrieken waren dicht en zij hadden geen werk. Het goede leven van vroeger was voorbij. Als zij vooruit keken, zagen ze enkel een grauwe mist.
De eerste groep keek naar de tweede en vond dan: “Wat zijn die mensen dom, dat ze niet net zo’n modern leven leiden als wij. En wat gaan ze ouderwets, om niet te zeggen achterlijk, met elkaar om, mannen en vrouwen bij voorbeeld, helemaal niet geëmancipeerd. Weet je, het is natuurlijk hun bekrompenheid waardoor ze zo falen. Het is hun eigen schuld. Je hoort ze nooit over die mooie toekomst van ‘blank en bruin en rood en geel; mannen, vrouwen en alle variaties’ – dus ze zullen wel iets tegen mensen met een andere huidskleur hebben; en de mannen zullen wel de baas spelen over de vrouwen en dat soort dingen – bah, wat een nare mentaliteit”
De tweede groep dacht niet zoveel na over de eerste. Maar
ze hoorden wel op de radio en de tv hoe die groep over hen dacht: “Bekrompen,
achterlijk, hekel aan mensen met een andere huidskleur…” Dat hoorden ze over
zich zeggen, dag in dag uit, week in week uit, jaar in jaar uit. Het maakte ze
moedeloos en verdrietig, maar wat konden ze doen? Zij werden niet zomaar uitgenodigd
om op de tv weerwoord te geven – en die anderen waren zo vreselijk, zo
vreselijk overtuigd…
Toen mocht het land een nieuwe president kiezen. Er waren
twee kandidaten.
De ene kandidaat zei dingen als: “Kijk, die ene, die moderne groep doet het goed. Die andere zou daar eens een voorbeeld aan moeten nemen. Maar dat doen ze niet. Ze zitten maar te mopperen dat het vroeger beter was, toen hun fabrieken nog open waren. Ze willen de mooie toekomst niet, waarin blank en bruin en rood en geel, mannen, vrouwen en alle variaties samen gaan. Treurig hoor… Lelijk ook van ze.”
De andere kandidaat was een wat vreemd type. Een merkwaardige blauwe gloed over zijn huid en haar waarvan je je afvroeg of het wel echt was en altijd gekleed in hetzelfde soort pak, met een heel grote rode vlinderdas, links en rechts tot halverwege zijn schouders. Hij had ook een wat twijfelachtig verleden, financieel en toestanden met vrouwen. En hij was schat- en schatrijk. Laten we hem Dagobert noemen – al was hij volstrekt niet gierig.
Dagobert zocht de mensen van de tweede groep op, de verliezers, die zogenaamd zo bekrompen waren en de veelkleurige toekomst niet genoeg omhelsden. En hij sprak tot ze in hun eigen taal: eenvoudig, rechttoe rechtaan, zoals je praat als je met elkaar aan de keukentafel zit. Hij zei niet: “Het is allemaal jullie eigen schuld”, maar hij zei: “Het is gewoon niet eerlijk dat jullie werk je afgepakt is. Jullie hebben gelijk dat je daar bitter over bent. En als de tv en de krant je een trap na geven met hun praatjes over een veelkleurige toekomst en dat jullie zo bekrompen zijn, dan zijn die krant en die tv jullie vijanden: ze trappen jullie op het hart.” Hij praatte niet alleen maar zo om hun stemmen te winnen. Nee, hij zei: “We gaan er samen iets aan doen!” – en je voelde dat hij het meende.
De mensen van de verliezersgroep dachten: “Dát is onze man.” Ze voelden: die rare snuiter is anders dan de anderen, hij stelt zich niet boven ons. Hij geeft ons hoop dat we uit onze situatie bevrijd kunnen worden. Het is geen noodlot dat onze rol is uitgespeeld.
De mensen van de andere, de succesgroep riepen: “Wat een
vreselijke man! Met zijn blauwige huid en zijn veel te grote vlinderdas en zijn
affaires – en nu zoekt hij die achterlijke groep foute, foute mensen op.” En ze
maakten hem hetzelfde verwijt als ze die mensen maakten: dat hij natuurlijk
niet van mensen met een andere huidskleur hield.
En hoe reageerde Dagobert? Hij verontschuldigde zich niet. Hij ging ook niet omstandig uitleggen dat hij heus wel voor een veelkleurige toekomst was. Hij zei alleen: “Onzin, die verwijten, klopt niets van. Punt.” En hij bleef ongenuanceerde dingen zeggen – maar waarvan veel mensen dachten: “Ja, maar hij heeft wel een beetje gelijk!”
U had het al verwacht: Dagobert werd president.
En hij maakte veel ernst met zijn beloften aan de zogenaamde verliezers. Velen van hen kregen weer moed en werk. Of moet ik zeggen: werk en moed.
Dagobert had tot het hart gesproken van mensen die alleen nog maar minachting ondervonden. Hij had alle smaad op zich af laten komen die ook zij al jaren op zich af zagen komen.
En daarmee had hij het goede gedaan. Ja, het éne goede.
De mensen van de succesvolle groep voelden dat ook wel – diep van binnen konden ze het niet ontkennen. En dat was nu zo onverdraaglijk. Nu stonden ze onverbiddelijk voor de keus: toegeven dat Dagobert de kern geraakt had, wezenlijke dingen zuiver had gezien en gezegd – of zich verharden, zich overgeven aan hun haat. En dat laatste gebeurde. Ze konden het idee niet loslaten dat zij superieur waren aan die andere groep mensen. Het was een verslaving geworden. En daarom werd ook hun haat een obsessie, een verslaving.
Ze hadden aan de goede kant gestaan, dachten ze altijd – en nu voelden ze dat ze juist daarmee al die tijd het verkeerde hadden gedaan: ze hadden zich verheven gevoeld en anderen geminacht. Die rare snuiter, met zijn veel te grote vlinderdas, die dubieuze figuur met zoveel grote, grote fouten, die had het aan het licht gebracht. Die had de vertrapte harten bespeurd – en tot die harten gesproken.
Wat een schrik! voor de enen.
Wat een vreugde! voor de anderen.
Een vreugde veel inniger dan dat toch wat goedkope visioen van “blank en bruin en rood en geel; mannen, vrouwen en alle variaties”.
Onder de schrik roerde zich die vreugde, die door de schrik heen wilde barsten. Maar dan moest ook die illusie barsten dat jij goed was en die anderen slecht.
En bij velen, in dat verre land, werd de schrik niet tot vreugde, maar tot haat.
En nu terug naar Jezus.
Hij heeft gesproken tot het hart van de scharen.
“De scharen”, heet het telkens weer in de evangeliën: de grote menigte van vermoeide en belaste mensen. Ze stromen naar hem toe – en voor de officiële leiders van het volk is dat bedreigend. Er is toch al de tempel als het hart van het volksleven? Er zijn toch al de Farizeeën en Schriftgeleerden die de weg wijzen?
Wat is het toch, tussen die Jezus en de scharen? En de tollenaars en zondaars?
Wat wil die populist, met zijn eigenwijze kijk op de Schriften?
Maar ze kunnen niet ontkennen: hij spreekt tot het hart van
mensen, die zich gehaat voelen als tollenaars, geminacht als zondaars, die chaotisch
verstrooid en belast zijn en vooral zo moe, zo moe…
Hij spreekt tot vertrapte harten.
Maar was dat niet precies wat de God Israëls altijd gedaan had, de God van de uittocht uit de verdrukking?
Maar dan deed die vreemde snuiter, die Jezus, wat zij hadden moeten doen, zij, de leiders van het volk. Zij stonden aan de goede kant, dachten ze altijd, maar nee: dit was het, wat deze man deed.
Wat een schrik!
En hun schrik wilde geen vreugde worden, verhardde zich tot haat. De smaad die ze altijd gericht hadden tegen de zondaars en de tollenaars en de schare die de wet niet kent – die smaad deden ze nu ten volle neerdalen op Jezus’ hoofd.
Ze zouden laten zien hoe onmogelijk het was wat die man deed en wilde.
Ze zouden laten zien hoezeer de scharen zich vergist hadden met daar achteraan te lopen. Want blijf er maar eens in geloven, als je hem daar ziet hangen tussen twee moordenaars – de smadelijke dood van slaven en opstandelingen.
En zo is het gebeurd.
Met de dood van Jezus is zijn smaad volledig. De opgang naar Jeruzalem werd de meest totale afgang. Vooral ook omdat het een van de zijnen was die hem overleverde en omdat al de zijnen wegvluchtten of zeiden: “Ik hoor niet bij hem, hoor!” Zelfs de scharen riepen: “Kruisig hem!” Er was geen mens meer, die hier geen goddeloze bleek.
Maar juist die uiterste vernedering – dat einde waarin dood en smaad samenvallen – was ook Gods uiterste solidariteit. Alle smaad liet hij op zich aanlopen, waar wij terugweken en een lege plaats open lieten. Op die plaats is Gods Zoon, is God zelf gaan staan.
Pas achteraf, als dat volbracht is, kan tot ons hart het diepste gezegd worden wat dat hart nodig heeft. En de stem die het zegt, kan alleen de stem van Jezus zelf zijn, die niet tot zwijgen is gebracht.
En zo gebeurt het: de gestalte van Jezus gaat spreken.
Hij wordt zozeer onze gastheer dat we voelen: waar hij het brood breekt, wordt ons leven zelf gevoed – hij heeft zichzelf voor ons gebroken.
Het gaat allemaal zozeer spreken dat ons horen zien wordt.
We gaan zien dat we blind waren met ons altijd maar aan de goede kant staan.
Wat kun je dan anders dan omkeren op de weg van je mismoedigheid, wég van wat de Schrift “zonde” noemt.
De Emmaüsgangers zijn mismoedig. Ze keren Jeruzalem weer de rug toe: daar had het moeten gebeuren, maar daar is het definitief misgegaan.
Ze herkennen Jezus eerst niet – zoals alle mensen in de wereld vergezeld worden door Jezus, maar ze herkennen hem niet.
Wij herkennen hem niet.
Onze blik is bevangen: we wéten al hoe het zit, we wéten waar we de goeden en de slechten te zoeken hebben.
En ook alles wat de Schriften leren over God dringt maar steeds niet tot ons door. Al beweegt er daarbij wel iets, diep van binnen. Ons mismoedige hart is brandende. Er wil iets naar buiten.
En dat wordt naar buiten geroepen als God Jezus’ stem bevrijdt uit de stilte van de dood.
Tot op de huidige dag en tot in de verste toekomst zullen mensen die stem telkens weer horen. En ze zullen zien, wat eerder niet te zien was, toen het allemaal nog niet volbracht was: dat ze waarachtig tot in de hoogste hemelen niet veracht worden, maar gezien en bemind zijn.
Dat is de diepte, het alomvattende van de vreugde van Pasen.
Niet alleen dat de dood het laatste niet is – al is dat al veel.
Maar dat de dood die ons wilde opsluiten in onze wereld van smaden en gesmaad worden, vernederen en vernederd worden – dat die dood overwonnen is.
Hij zou wel willen, maar hij kan niet verhinderen dat ons hart bereikt wordt en hoort:
“Je bent bemind, eeuwig bemind. Sta niet meer samen met hen die oordelen aan de goede kant, maar sta op tot een nieuw leven. Laat dit de wereld weten! En zie de wereld hierop aan, dat Jezus haar al vergezelt. Verheug je bijvoorbeeld, als die man in dat verre land met zijn grote vlinderdas mensen moed geeft. Maar vooral: voel de moed die geboren wil worden in je eigen hart. Alles wat daar brandde aan verlangen mag uitbreken in vreugde.”
In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest