Wat is christelijk? (4)

Stevo Akkerman schreef eind vorig jaar in zijn Trouw-column (op het internet gepubliceerd 17 december 2018, 7:00 uur):

In het debat over het VN-migratiepact dacht het Kamerlid Baudet er verstandig aan te doen de Bijbel te citeren. Uit de Heilige Schrift zou volgens hem blijken dat Christus ons leert niet zozeer te houden van mensen ver weg, als wel van onze náásten.  Baudet was even vergeten dat het Nederlandse parlement twee zeer bijbelvaste fracties telt. Hij kreeg direct de wind van voren vanuit de ChristenUnie, waar men donders goed weet dat Christus, sprekend over de vraag ‘wie is uw naaste’, juist wijst op de verachte vreemdeling.
Dit gênante voorval mag exemplarisch heten voor het politieke spel dat gespeeld wordt met de christelijke erfenis van Europa, en daarmee ook van de VS. Het christendom wordt ingezet om niet-westerse immigranten te weren, en dat door lieden – zie Donald Trump – die zich nogal zouden verbazen als ze vernamen wat Jezus van Nazareth zoal te melden had. 

Het voorval illustreert wat mij betreft iets anders dan voor Akkerman. Voor mij is het illustratief voor waar we samen in beland zijn met het door groepen toegeëigende evangelie, met de christelijke traditie als zitzak (zie vorige keer). Iemand die niet in die traditie staat, Baudet dus, waagt het in het publieke debat een stukje Bijbelse theologie in te brengen en vertegenwoordigers van de bedoelde traditie zijn er als de kippen bij om hem af te troeven. Zo ging het volgens berichten vroeger vaak toe op de Gereformeerde Jongelingsvereniging: elkaar Bijbelse vliegen afvangen, als oefening voor later in de kiesvereniging, in de kerkenraad, bij de kerkscheuring. Ook de triomfantelijke toon van de columnist past in dat sfeertje. Al verklaart Akkerman van tijd tot tijd dat hij tegenwoordig meer twijfelt, homoseksualiteit niet meer veroordeelt en dat soort dingen meer, de gereformeerde jongeling schud je met dat alles niet af. Het is nostalgie natuurlijk, maar het is meer dan dat: een structuur van beleven en denken die zich in nieuwe gestalten handhaaft. De zelfheiliging werd politieke correctheid. Het door verkrijgende verjaring verworven recht op de Bijbel als het-heilige-Boek-dat-aan-onze-kant-staat werd niet opgegeven. De Schrift werd wat soepeler gelezen, maar nog altijd met de gewenste politieke uitkomsten. En dus pepert Akkerman het Baudet als vanouds in: wij zijn hier de specialisten, jij bent de beginner – om niet te zeggen: de goedkope, nostalgische namaak.

Het was te verwachten dat Kamerleden die gepokt en gemazeld zijn in de traditie van ijdel gebruik van Gods Naam (Akkermans “bijbelvaste fracties”) Baudet niet zouden laten wegkomen met een beroep op “hun” Bijbel. Maar hebben ze echt gehoord wat hun collega zei? En hebben ze zich wel zo Bijbelvast betoond?

Hebben ze gehoord wat Baudet zei? Kerkmensen, zeker de intellectuelen onder hen, gaan er graag prat op dat ze in de uitingen van andere mensen altijd verschillende lagen onderscheiden, aanvoelen, vermoeden. Het heet een grote pastorale deugd en kundigheid te zijn de gesprekspartner niet op woorden vast te pinnen: die vormen maar de oppervlakte, het gaat om het niveau van de intenties en dat van de existentiële geraaktheid. Nu begrijp ik dat een Kamerdebat niet hetzelfde is als een kerkelijke gespreksgroep. Maar het zoeken naar de bedoeling van wat iemand zegt, dat is toch wel het minimum dat we van elkaar mogen verlangen als we het niveau van de politiek-culturele discussie willen opkrikken? Gaat het in de Kamer misschien te snel, omdat je hersens achterlopen bij je voeten die al op weg zijn naar de interruptiemicrofoon, dan is toch een column een mooie gelegenheid voor nadere bezinning en zelfcorrectie. Nee, vindt Akkerman: echt hóren, dat hoeft niet – trouwens, hij heeft een deadline.

Er is in Baudets opmerking wel degelijk een intentie te horen die het gesprek goed kan doen – als ze opgemerkt en erkend wordt. Ik doel op het volgende. Er zit een suggestie in de lucht dat visie A op de zeer complexe migratieproblematiek er een is van naastenliefde, “compassie”, christelijkheid, terwijl visie B berust op hardvochtige vreemdelingenhaat of tenminste gebrek aan empathie. Daar bracht Baudet tegenin dat het woord “naaste” in de Bijbel een andere betekenis heeft dan veel mensen zich voorstellen bij “naastenliefde”. De Bijbel kent niet die geest van heel de mensheid omhelzen (behalve vaak je buurman). En daar had hij doodgewoon gelijk in. Dat gelijk was bovendien relevant, omdat de misverstane naastenliefde inderdaad een belangrijke retorische, emotioneel manipulerende rol speelt in de discussie. Dat voelde Baudet aan en daar ging zijn protest tegen.

Zijn punt verdient ondersteuning met nog een ander type overwegingen dan waar hij zelf mee kwam. Bijbelse termen rechtstreeks toepassen op onze problemen – “naastenliefde, en dus visie A op grenzen en immigratie” – is een vorm van (ik gebruikte de term al eerder) biblicisme: een intellectueel gemakzuchtig overslaan van de tussenliggende eeuwen, een weigering de moderne situatie zorgvuldig te analyseren. Dat God zich door geen afstand in de tijd laat tegenhouden, dat Christus niet opgesloten is in de jaren 0-30, dat is één ding – maar wij zijn God niet. Het antieke vreemdelingenrecht, waar het Oude Testament een eigen variant van geeft, veronderstelt antieke verhoudingen. De moderne problematiek van massa-immigratie en illegale immigratie is een ander onderwerp. Je kunt de twee wellicht koppelen. Maar dat vergt een hoop denkwerk. Visie B neersabelen met een paar Bijbelteksten of Bijbelse noties is goedkoop. Baudets protest daartegen is ter zake, ook als hij het element van biblicisme niet thematiseert en zich bepaalt tot de discussie over één Bijbels concept.

Het goedkope van de CU en andere zitzakkers was er bij Baudet niet: hij reageerde op een wijdverbreide mentaliteit die christelijk wil heten, maar niet zulke overtuigende Bijbelse papieren heeft als men aanneemt. In dat verband moet men zijn theologische opmerking plaatsen en in dat verband is ze terecht. Ze zou voor de mensen van de C en voor de met hen geestverwante Stevo Akkerman aanleiding moeten zijn tot zelfkritiek, niet tot triomfantelijk vliegen afvangen.

Van de Bijbelvastheid van de CU ben ik dus veel minder onder de indruk dan Akkerman. Ze raakt bij mij dan ook geen nostalgische snaren. Er is nog wel meer kritiek op mogelijk dan ik hierboven gaf. Ik heb geaarzeld of ik die zou toevoegen: verval ik zo niet zelf in Bijbelse vliegen afvangen? Maar zoals Baudet allereerst reageerde op een wijdverbreide pseudochristelijke notie (en nogmaals: hij had een punt), zo wil ik meer in detail de theologische gemakzucht van de CU-fractie en van Akkerman niet schouderophalend laten voor wat ze is. Mijn hoop blijft dat ze hun zitzak een keer verlaten.

Men beweerde dus dat Christus, sprekend over de vraag ‘wie is uw naaste’, juist wijst op de verachte vreemdeling. Welnu, in het bekende verhaal van de barmhartige Samaritaan (Lucas 10: 25-37) speelt zeker een rol dat Jood en Samaritaan elkaar veelal verachtten. Wanneer je echter dat gegeven gebruikt om met een terloopse insinuatie het mediaverhaal kracht bij te zetten dat een Baudet en een Trump gemotiveerd worden door verachting, ben je toch wel heel onzuiver bezig: het is een geniepig retorisch trucje dat riekt naar de debatavond van de Gereformeerde Jongelingsvereniging. Verder zijn de Jood en de Samaritaan in het verhaal inderdaad ook vreemden voor elkaar: vooral geestelijk zijn ze van elkaar vervreemd. Ieder van hen vindt de ander religieus gesproken “geen echte”. Hier zou ik, niet geniepig terloops maar heel uitdrukkelijk, willen onderstrepen dat Akkerman Baudet en Trump “geen echten” vindt, in onderscheid van de mensen van de C en van zichzelf. Beseft hij, het verhaal van de barmhartige Samaritaan vanuit die gedachte herlezende, dat Baudet zijn naaste is? Dat diens stukje Bijbelse theologie – onbeholpen? nou vooruit! hij doet het met wat hij in zijn reisbagage heeft – wellicht de wonden van Stevo’s gereformeerde opvoeding zou kunnen reinigen (een beetje bijtend, maar dat gaat niet anders) en verzachten en zo wellicht beginnen te genezen?

Wat is christelijk? (3)

We hadden het over het segment van de Nederlandse bevolking dat zich de christelijke traditie, en daarmee indirect de Naam van God, heeft toegeëigend. “Christelijk” is dan de eigen groepssfeer, het eigen waardensysteem, zelfs de eigen organisatie. Die geest is niet beperkt tot het gebied van “de C”. Al generaties lang is er een proces van ontkerkelijking gaande, dus kun je ook in die zin in Nederland onderscheiden tussen “christenen” en anderen (de aflevering over de kerstviering van De Luizenmoeder illustreert het mooi tragikomisch). Ook daar kan het element van toe-eigening gemakkelijk insluipen. Of zit het er gewoon van meet af aan al in? Er is in elk geval een flinke overlap tussen dit meer algemene gebruik van het woord “christelijk” en dat van de organisaties die zichzelf en hun ideologische keuzes zo noemen.

Hier gaat het om meer dan alleen “wat doet men zijn mede-kerkleden aan?”. Twee andere, onderling samenhangende vragen zijn:
– Wat doet men het evangelie aan?
– Hoe doet men die milieus nog recht waarvan de kerk zich vervreemd heeft, soms al sinds enkele generaties?
Van de eerste vraag komen we vanzelf op de tweede.

Ik waarschuw maar even: nu wordt het wel echt theologisch. En dan van het soort theologie waar menige opleiding haar studenten min of meer van afschermt: zo steil en ouderwets hoeft het daar niet. Maar zo steil en ouderwets ben ik toch maar even wel.

Het woord “christelijk” verwijst naar Christus. Voor de kerk is dat: God zelf in ons midden. Kun je hem vastbinden aan een groep of aan een bepaalde mentaliteit – déze God, de God Israëls, de mens geworden en door de overige mensheid gekruisigde God? Of zo’n groep nu in kerkelijk verband opereert of niet; of ze georganiseerd is of dat het meer een bepaalde geest is die mensen bij elkaar herkennen; of ze bestaat uit (in Abraham Kuypers taal) “kloeke belijders” of juist uit van die ostentatieve relativeerders (“het gaat niet om een pretentie, maar om een intentie”, “vroeger wist ik alles heel zeker, nu heb ik de twijfel leren kennen, dat is meer authentiek menselijk”, enz.), ze maken mij niet wijs dat God zelf via zulk gedoe meetwittert. Het lijkt me gewoon een nep-account. Ook associaties uit de Bijbelse oudheid komen bij me op: met “christelijk” als een zichtbare groeps- of persoonlijke identiteit wordt Jezus’ graf in het heden opnieuw verzegeld (Mattheüs 27:66) – een futiele operatie, maar het gebeurt. En ik denk aan het verhaal van de heilige ark van Gods presentie, door de Israëlieten als een prestigieus machtsmiddel in het veld gevoerd tegen de Filistijnen (lees dat verhaal eens: 1 Samuël 4:1-11). Het evangelie is een boodschap die tot ons komt, niet een zitzak onder het “christelijk volksdeel” van enkele decennia geleden of onder “de overgebleven, maar nu veel bewustere gelovigen” of… nou ja, geen zitzak in elk geval. (En voor lezers met een geconditioneerde activistische reflex voeg ik toe: het evangelie is ook geen paar wandelschoenen.) Het is een werkelijkheid tegenover ons – en ze beweegt zich niet langs onze sporen: de gekruisigde was geen schijndode, uiteindelijk toch gevangen in onze wereld. Vrij tegenover de dood, is hij al helemaal vrij tegenover onze zegels en wachters (zie andermaal Mattheüs 27:66) en onze vrome manipulaties (zie andermaal 1 Samuël 4:1-11).

Het moet allemaal nog verder toegespitst worden. De tussen de Bijbel en ons liggende geschiedenis mag niet weggemoffeld worden (de fout van het zogenaamde biblicisme). Met het feit dat eeuwenlang het evangelie verkondigd werd zijn we hier in Europa, hier in ons land, allemaal geconfronteerd – de zogenaamde “niet-christenen” niet minder dan de kerk. En we zijn er allemaal mee geconfronteerd – de zogenaamde “christenen” niet minder dan de anderen. Geen onverschilligheid kan de eerste groep uit die situatie tillen, geen zitzakwaan de tweede. Voor beide is het evangelie een instantie tegenover hen. Wat bovendien voor beide groepen geldt: de evangelieverkondiging wilde en wil met God zelf confronteren. Voor zover ze ergens op slaat, is het op Gods eigen presentie: voorbij de dood, voorbij de afstand die Jeruzalem anno zoveel-en-dertig en ons hier-en-nu lijkt te scheiden, voorbij alle eigenmachtige groepsvorming. Het ging en gaat om God zelf, in persoon, hier en nu – of het gaat nergens over. Die presentie is wat mensen verenigt lang voordat ze het beseffen. Ze verenigt nu al objectief de hele wereld (waar Jezus immers voor instond). Ze verenigt op andere wijze onze hele cultuursfeer die door het evangelie is aangeraakt.

Alles wat niet God zelf is – “christelijke waarden” bij voorbeeld, of een discussie over “Godsbeelden” – is hooguit een onbeholpen verwijzing naar dat ene allesbeslissende: God in Christus, God in de verkondiging van het evangelie. Wie dat beseft, zal elke schijn vermijden primair naar zichzelf of de eigen groep of spiritualiteit te verwijzen. En zeker zal zo iemand niet suggereren dat bepaalde “waarden” of een actieprogramma concreter en actueler zijn dan Christus zelf, dan God zelf. Gemeten aan hem zijn het hoe dan ook abstracties: hij alléén is concreet en is de maat van alle concreetheid.

Wanneer nu een zogenaamde buitenstaander – iemand die geen kerkelijke bijdrage betaalt of die ons niet in een krantencolumn vertelt over de blijvende betekenis van zijn christelijke opvoeding – wanneer zo iemand het heeft over “de christelijke traditie” of “ons joods-christelijk erfgoed” of iets dergelijks, dan zal een kerk die weet waar ze mee bezig is meteen beseffen: indirect heeft die persoon het over God zelf, over God hier en nu. Ze zal weten: hier staan we niet alleen objectief, maar ook communicatief zo dicht bij elkaar als maar kan. Er is geen concurrentieverhouding: wij de specialisten, jullie de beginner (laat staan de goedkope namaak) – want het gaat überhaupt niet om ons of jullie, maar om waar we mee geconfronteerd zijn. Het gaat om de nieuwe wereld die ons hier ontmoet en die ons hier samen aantreft.

Wel even iets om tot je door te laten dringen. Niet alleen zijn we in deze streken feitelijk allemaal geconfronteerd met God zélf, ook ons denken en spreken is erdoor gestempeld. Verwijzing naar God is niet alleen aan de orde waar mensen bewust woorden van geloof zoeken. Spreken over “christelijke waarden” of “onze joods-christelijke beschaving” is niet alleen (als eerder gezegd) een onbeholpen verwijzing, het is vooral een verwijzing, hoe dan ook. Een onbewuste, een halfbewuste? Dat doet niet ter zake en het is niet uit te maken. Het doet niet ter zake: de kerk moet niet de psyche van mensen beoordelen aan de hand van een schaalverdeling van eigen maaksel. En het is niet uit te maken: of iemand echt iets beseft van God in Christus, dat bepaalt en bewerkt alleen God zelf. Wat waarlijk geloof mag heten, waar geloof psychologisch gesproken begint: het is Gods zaak. Exclusief.

In plaats van zich hoogmoedig in het werk van de Heilige Geest te dringen, moet de kerk zich verheugen als iemand, wie dan ook, indirect verwijst naar het evangelie. Zelfs ten aanzien van “de C” – op zich een traditie van ijdel gebruik van Gods Naam – is dit het element waarover de kerk zich mag verheugen. En wat de zogenaamde “niet-christen” betreft die zich in het gesprek over de betekenis van het christendom mengt, daar zal ze zich al helemaal over moeten verheugen. “Ja (moet ze in die richting beamen) we bevinden ons samen in dezelfde situatie: tegenover God die ons ontmoet, geconfronteerd met eeuwen van verkondiging. Wij zijn blij dat we elkaar daarin vinden, al snappen we dat u een beetje schrikt van onze kerkelijke taal. Maar wij willen proberen u beter te begrijpen en wie weet merkt u dan van uw kant dat onze traditionele taal vaak iets anders betekent dan u dacht. Hoe dan ook, het is goed dat u zich de christelijke traditie niet laat afpakken door de groepen die zich haar hebben toegeëigend. En een goede raad: bega diezelfde fout niet in spiegelbeeld. Als u tijd hebt, lees verder na dat verhaal van de ark (1 Samuël 4:1-11) en laat vooral 1 Samuël 5 tot u doordringen. Maar nogmaals: we zijn vooral blij met deze ontmoeting.”

Precies het omgekeerde van wat ik hier schets, tref ik aan bij sommige kerkleiders en bij iemand als Stevo Akkerman in hun kritiek op het cultuurchristendom in de kringen van Forum voor Democratie. Daarover een volgende keer.

Wat is christelijk? (2)

In de Nederlandse politiek is, net als in een reeks andere Europese landen, het etiket “christelijk” toegeëigend door bepaalde groeperingen. De C prijkt er op de gevel en daarmee wil men zeggen: “Hier bedrijven wij politiek als christenen” of: “Hier gaan wij uit van christelijke beginselen, waarden en normen”.

Naar tenminste twee kanten doet men daarmee anderen onrecht. Allereerst – daarover in deze post – is er de christelijke gemeente. In engere zin zijn dat: mensen die staan ingeschreven als lid van een kerkgenootschap; in ruimere zin: mensen, al dan niet gedoopt, die positief betrokken willen zijn op het evangelie. Hoe zit het met de mensen uit die groepen die niet lid zijn van een C-partij of daarop niet stemmen? Maken die minder ernst met de maatschappelijke en politieke dimensie van het evangelie? Zouden ze eigenlijk voor de C moeten kiezen om duidelijk te maken dat hun geloof ook déze dimensie omvat? Zo nee, waarom suggereert men dat dan? Waarom gebruikt men de C, dus de naam van Christus, dus Gods Naam om de eigen visies kracht bij te zetten?

Hetzelfde bezwaar, maar vanuit een iets ander gezichtspunt. De doop is een gelofte van gehoorzaamheid en dienstbaarheid aan het evangelie over de hele linie van het leven. Voegen christelijke partijen en hun programma’s aan die gelofte iets toe? Zo ver zal menigeen niet willen gaan. Goed, maar dan wordt het verband met de doop onduidelijk. De suggestie dat de C er wél iets aan toevoegt blijft in de lucht zitten en sticht verwarring. En wie toch verder gaat dan suggereren en inderdaad stelt dat er aan de doop iets kan worden toegevoegd, is bezig de doop af te waarderen.

Goed, zal misschien iemand zeggen, het gaat niet echt om een aanvulling op de doop, maar om een uitwerking: een specificatie, een concretisering met het oog op onze moderne maatschappij, een actualisering. Welnu, als men echt gelooft dat het evangelie, Gods eigen Woord, hier en nu concreet wordt in een partijprogramma of in een bepaald stemgedrag in de volksvertegenwoordiging – laat men zich dan onmiddellijk tot de kerk richten met het verzoek, nee, de eis dat zij dit goed hoorbaar uitspreekt. De kerk moet immers het evangelie verkondigen. Als deze of die politieke keuze daar op een bepaald moment bij hoort, dan dient de kerk die keuze ook onomwonden bij de naam te noemen. Dan mogen, nee, moeten ambtelijke vergaderingen en predikanten vanaf de kansel en in de catechisatielokalen die programma’s en dat stemgedrag als de wil van Christus hier en nu proclameren.

Zo veeleisend stellen de christelijke partijen zich meestal niet op tegenover de kerk. Is dat loffelijke bescheidenheid? Dat zou het zijn, als er niet die C was – en daarmee de naam van Christus – en daarmee Gods naam. Nee, de bescheidenheid is een maskerade. Zoals de C de doop ontledigt, zo ontledigt ze ook de volle betekenis van de kerk waartoe de doop de toegang is en de volheid van de verkondiging die aan de kerk is opgedragen.

Ja, maar – mag je christelijke partijen zo pressen dat ze het in volle ernst over het evangelie moeten hebben? Bedoelen ze met die C niet alleen maar dat het om “christelijke waarden” gaat in een meer historische, culturele zin? Het verweer zou mij oprecht voorkomen, als men dit onderscheid met grote klem en aanhoudend maakte. Maar dan nog. Al begon men daar morgen mee, ik zou niet graag de kost geven aan alle kerkleden voor wie zgn. christelijke partijen ook dan de default option zouden blijven. Gods naam zou nog steeds bij elke verkiezing een startvoordeel geven, in flagrante schending van Exodus 20:7. Velen hebben dat van jongs af aan als vanzelfsprekend meegekregen. Anderen – misschien vooral jongeren wier spiritualiteit een krachtige component van enthousiasme omvat – is nooit het verschil duidelijk geworden tussen menselijke waarden (ook “christelijke”) en het kruis als Gods eeuwig Nee over onze wereld met ál haar waarden (inclusief de “christelijke”).

Ik begon ermee dat de C onrecht doet aan “de christelijke gemeente”. Dat begrip bleek te omvatten de doop en de evangelieverkondiging. Met “de C” als niet meer dan een verwijzing naar de historische, culturele neerslag van de christelijke verkondiging (in waarden e.d.) zijn we gekomen bij een tweede groep mensen die men er onrecht mee doet. Naar dat secundaire, die ideële, culturele dimensie, verwijzen immers ook personen en groeperingen die niet actief zijn in kerk of christelijke partij, dat misschien nooit geweest zijn. Ze kunnen afkomstig zijn uit milieus waar de kerk al enkele generaties geleden van vervreemd raakte. Dat zijn – zo suggereert de C en zo wordt het soms expliciet gezegd – “niet de echten”. Daarover volgende keer.

Wat is christelijk? (1)

Na veel aandacht voor Amerika verleg ik voor een tijdje de focus naar de kerk, vooral die in Nederland. Het thema “theologie” was immers in mijn introductie (22 januari 2019) uitdrukkelijk beloofd, maar het kwam er tot nog toe niet zo van (behalve kort in de post van 26 januari). Als overgang gaat het vandaag nog over kerk en christendom in de VS.

Dicht onder de oppervlakte hebben de hevige ideologische tegenstellingen in de VS veel te maken met het verlangen naar een ander “groot verhaal” dan dat van “één natie onder God, ondeelbaar, met vrijheid en gerechtigheid voor allen” (zoals de eed van trouw aan de Amerikaanse vlag luidt). Ja, zelfs naar een ander verhaal dan dat van de Bijbel met zijn invloed door de eeuwen heen. Maar waar vind je iets dat zo mythisch omvattend kan functioneren? Voorlopig zoekt men zijn heil in een wereldbeeld waarbinnen de nazaten van historische onderdrukking eenvoudig zijn aan te wijzen en tot in het oneindige herstelbetalingen, financieel en emotioneel, mogen eisen van de anderen. Die anderen zijn bij voorbeeld “witte mensen”, “hetero mannen” – en van daaruit glijdt de afkeer verder af naar ieder die waarde hecht aan “de westerse, joods-christelijke cultuur”, vervolgens naar Jodendom en Christendom als zodanig. De helden in dit schema zijn “kwetsbare groepen”, zoals vrouwen, “mensen van kleur”, LHBTQ+ers, mensen met een fysieke uitdaging, enz.

Het verlangen naar een alternatief “groot verhaal” leeft zowel in de VS als hier, maar Amerika is natuurlijk Nederland niet. De dingen komen dus op een andere manier aan de oppervlakte. Laat ik daar één duidelijk voorbeeld van geven. Als de overheid een eed van je vraagt, kun je in ons land naar keuze zeggen: “Dat beloof ik” of “Zo waarlijk helpe mij God almachtig”. In de VS wordt bij sommige officiële gelegenheden gevraagd of men getrouwelijk zo en zo zal handelen en/of de waarheid spreken met de woorden so help you God, dus: “zo waarlijk helpe u God “. Dat is niet zo prettig als je niet in een God gelooft: er wordt je een formule opgedrongen. Onlangs werd in een van de vele commissies van het (nu door de Democraten beheerste) Huis van Afgevaardigden voorgesteld die dwingende woorden te schrappen en meteen was er reuring. Een vooraanstaande Republikeinse afgevaardigde noemde het van de Democraten “ongelooflijk, maar niet verrassend”. Ja, voegde ze toe: “Ze zijn echt de partij van Karl Marx geworden.”

Nou nou, tut tut, denk je in eerste instantie als Nederlander, is het zo’n probleem? Als je bij de eed graag God genoemd ziet, doe je dat toch gewoon zelf: so help me God (almighty)? Daarbij komt dat niet alle eedformules in de VS uitdrukkelijk van God spreken. Lees met name eens de eed bij de inzwering van de president: I do solemnly swear (or affirm) that I will faithfully execute the Office of President of the United States, and will to the best of my ability, preserve, protect and defend the Constitution of the United States. Daarna is So help me God facultatief. Theodore Roosevelt besloot met And thus I swear.

De eedformule in de commissie van het Huis is uiteindelijk niet veranderd. Toch zou die verandering theologisch te verdedigen zijn geweest, ja, mijn voorkeur hebben gehad (waarover later). Maar ik kan de opwinding bij conservatieven, zelfs de overspannen “Karl Marx”-uitspraak van afgevaardigde Liz Cheney, toch wel plaatsen. Je moet dan iets meer context hebben.

De laatste tijd zijn er een paar incidenten geweest waarbij rooms-katholieke kandidaten voor overheidsambten te horen kregen (van senatoren die de aanstelling moesten goedkeuren) dat hun religieuze overtuiging hun objectiviteit en dus hun geschiktheid voor het ambt wel eens behoorlijk in de weg kon staan. Eerder, in juni 2017, had senator Bernie Sanders (u kent hem misschien nog van de presidentsverkiezingen in 2016, hij heeft zich voor 2020 weer kandidaat gesteld) de evangelicale Russell Vought, door Trump voorgedragen als vicedirecteur van het Bureau voor Management en Budget, aan de tand gevoeld over zijn geloof. Geloofde Vought dat redding alleen door Christus en het geloof in hem kwam? Dan was hij dus niet geschikt voor een hoog overheidsambt in een pluralistische samenleving! Slechte theologie van Bernie, slecht staatsrecht – maar het gebeurde dan toch maar. Als je dan ook nog weet dat Bernie zich nu “socialist” noemt en vroeger “marxist” (zijn huwelijksreis ging naar het toen nog communistische Moskou: hij wist enthousiast te vertellen over het optimisme van de Russische bevolking en hoe blij ze waren met hun economische ordening, ja, het in de rij staan voor brood was eigenlijk een zegen, enz. – kortom, een oen, en dat is hij gebleven), dan begrijp je Liz Cheneys uitspraak wat beter.

Niettemin, de kwestie van de suggestief vragende senatoren is toch ernstiger dan die van de eedformule. In de Constitutie van de Verenigde Staten staat uitdrukkelijk dat voor geen ambt in de republiek een test op religie mag worden afgenomen. En de vrijheden van het eerste amendement, waaronder de vrijheid van godsdienst, staan hoog genoteerd. Senator Ben Sasse van Nebraska diende daarom een motie in waarmee de Senaat naar aanleiding van een recente kwestie zijn trouw aan die bepalingen nog eens bevestigde. Slimme zet: niemand kan tegen de Constitutie stemmen waar hij of zij al zo vaak trouw aan beloofde en dan ook nog eens bij aanvaarding van het ambt van senator. De motie werd met algemene stemmen aangenomen.

De tekst van de motie (resolution) vanaf 5:00.

Maar nu weer mijn meer Nederlandse blik. Is het niet in de geest van de Constitutie, juist ook gezien haar afwijzing van een test op religie, dat zo’n formule als so help you God verdwijnt? Past dat dwingende tegenover een polytheïst, een atheïst, een agnost? Je kunt trouwens ook de christenen noemen die in de doperse traditie de eed afwijzen. Moet je het niet aan iedere burger zelf overlaten God al dan niet te noemen tegenover de overheid? Veel Amerikanen zitten vast in valse dilemma’s: “een christelijke natie óf verdrukking van Christus en christenen” – aldus veel conservatieve christenen, vaak van zeer respectabele levensstijl, maar hoekig in hun denken over deze dingen; “geloof in de beslissende exclusieve betekenis van Christus óf je bevoegdheden onpartijdig kunnen uitoefenen” – aldus Bernie Sanders.

Je hoeft nu echter ook weer geen Europeaan te zijn om die dilemma’s te boven te komen. Ben Sasse maakte in de Senaat duidelijk: de Constitutie (1787-1789) met haar 27 amendementen weet al beter. De geest van die Constitutie was in dit opzicht verwant met de geest van iemand die al in de koloniale tijd grondig heeft nagedacht over (wat wij nu noemen) de scheiding van kerk en staat, en dat steeds in onmiddellijke wisselwerking met de bestuurlijke praktijk. Roger Williams (1603-1684), een van de grondleggers van wat nu de staat Rhode Island and Providence Plantations is, was een steile calvinist. De test van Bernie Sanders zou hij niet doorstaan: Christus was voor hem de enige weg van het heil, het alternatief was eeuwige verlorenheid. Hij was daarom niet minder de man die in die dagen meer dan wie ook op goede voet stond met de heidense indianen (of “niet joods-christelijke oorspronkelijke bewoners”, als u dat liever heeft). Je kunt mensen niets opdringen, vond hij. Juist als je op hun bekering hoopt moet je daarom steeds zoeken naar de eenvoudige menselijkheid die jou met hen verbindt. Hij schreef een taalgids en communicatieleer voor het verkeer met de stammen waarmee hij te maken had en speelde meermalen een bemiddelende rol bij uit de hand gelopen conflicten tussen hen en de Europese nieuwkomers. Dat dogmatische overtuiging mensen niet per se minder doet nadenken, maar tot vruchtbare kritische reflectie kan brengen bleek niet alleen op dit punt. Door zijn afwijzing van de zuigelingendoop werd Williams een van de pioniers van de Baptistische kerken, die in Amerika zo’n belangrijke rol spelen.

En om terug te komen op de kwestie van de eed: Williams was van oordeel dat je in het openbare leven van niemand een eed op God mocht verlangen. Want wat als mensen woorden als “zo waarlijk helpe mij God almachtig” niet van harte konden uitspreken? Dan was hun eed een ijdel gebruik van Gods Naam (Ex. 20:7) – en het was de overheid die daartoe aanzette: met name haar dienaren stonden dan schuldig. Omwille van de zuiverheid van het geloof – dat van binnenuit moest komen – wilde hij dat de overheid zich op religieus gebied in bedwang zou houden. Het is een concept van tolerantie dat ook Quakers en atheïsten omvatte en dat radicaler was dan het gedachtegoed van zijn invloedrijker tijdgenoot John Locke (1632-1704), op wie een Bernie Sanders zich veel eerder zal beroepen.

Maar zijn tolerantieconcept is ook radicaler christelijk dan de visie van zijn grote tegenspeler, de gouverneur van Massachusetts John Winthrop (1588-1649), die in de Nieuwe Wereld hoopte op zoiets als a city upon a hill, “een stad op een berg” waar de ogen van de hele wereld op gericht zouden zijn (vgl. Matth. 5:14). Iets van dat visioen is in Amerika, zeker in bewust christelijke kringen, helemaal in de conservatieve sector daarvan, altijd blijven leven. Maar in Massachusetts wilde men zo graag de Geest een handje helpen. Heel begrijpelijk, maar het berustte op een fundamenteel misverstand. “Christus alleen” dreigde te verworden – en verwerd ook vaak, in zoverre kan men de zorg van Bernie Sanders begrijpen – tot “onze christelijkheid alleen”.

Roger Williams zag hier scherp. Hij voerde felle discussies met de (in die tijd helemaal niet zo zachtmoedige) Quakers. Het maakte hem moedeloos dat met hen geen redelijke discussie mogelijk leek: regelmatig werd hem met geschreeuw het spreken onmogelijk gemaakt. Maar hij bleef de grens in het oog houden: deze onredelijkheid is één ding, verstoring van de openbare orde iets anders. Alleen in het tweede geval mag (en moet) de overheid ingrijpen – en dan zonder aarzelen, graag. Het verschil was mensen als John Winthrop niet duidelijk, met vaak tragische gevolgen. Het zou fijn zijn als én conservatieve Amerikaanse christenen én militant seculiere volksvertegenwoordigers aldaar een figuur als Roger Williams meer de aandacht gaven die hem toekomt. Een even pakkend (Williams’ leven is een roman op zich) als leerzaam boek is: John. M. Barry: Roger Williams and the Creation of the American Soul. Church, State, and the Birth of Liberty (2012).

MAGA-land

Op 13 oktober 2016 vroeg president Obama in een toespraak voor de Carnegie Mellon Universiteit (Pittsburgh) om bestrijding van nepnieuws op het internet. Zou hij daarbij ook gedacht hebben aan zaken als de reacties van Democratische voorlieden, waaronder aspiranten voor het presidentschap Kamala Harris en Cory Booker, op de beweerde racistische en homofobe aanval op acteur Jussie Smollett? Immers, dat verhaal zag er van meet af aan uit als nepnieuws en het verliest elke dag meer aan geloofwaardigheid. Het kwam in omloop via de traditionele media. De door Obama gewenste censuur zou daarmee op het bericht zelf dus niet van toepassing zijn. Maar in de verspreiding van de reacties speelden sociale media uiteraard weer een grote rol. Via die reacties steeg de status van Smolletts verhaal als feitelijk relaas. Dus: censuur?

Nee, ik denk niet dat Obama zou willen dat men in dit soort gevallen ingreep. Daarin zou hij groot gelijk hebben, maar wel maakt dat weer eens duidelijk hoe problematisch alle censuur van het internet is, voor zover het niet gaat om rechtstreeks strafbare zaken, zoals ondubbelzinnige oproepen tot geweld. Nepnieuws voorkom je niet met de door Obama gewenste censuur, het wurmt zich wel naar voren. En als er machtige belangen achter staan, zoals dat van de Democratische Partij en van de om behoud van hun monopolies strijdende traditionele media, dan geven die belangen het nepnieuws graag een zetje.

Het loont de moeite de kwestie van iets dichterbij te bekijken. Acteur Jussie Smollet vertelde dat hij midden in de nacht op straat in Chicago was afgerost door twee SA-achtige, onder hun gezichtsbedekking waarschijnlijk blanke, Trump-aanhangers, die met woorden als “flikker” en “nikker” duidelijk maakten waarom ze juist hem moesten hebben. Ze wierpen bleekwater over hem heen en gooiden een touw om zijn nek, daarbij roepend: “Dit is MAGA-land”. (MAGA = Make America Great Again: de populair gebleven verkiezingsleus van Donald Trump.) Het gebeurde allemaal in zestig seconden buiten het bereik van de vele camera’s die er in Chicago op straat hangen, al had Smollett gedurende het gevecht wel steeds zijn manager aan de telefoon. Toen hij weer bij een bewakingscamera in beeld verscheen, had hij het touw om zijn nek en de al voor de vechtpartij door hem gekochte sandwich nog in zijn hand. Wel had hij zich flink verweerd, meldde hij later, want homo’s zijn niet bang (en hij hoopte dat dat voor de jonge homo’s en zwarten, die in de met Trump begonnen hel leefden, een hart onder de riem zou zijn, enz. enz. enz. enz. enz. enz.). Na in zijn flat veertig minuten gewacht te hebben belde hij de politie. Zijn telefoon, dat belangrijke bewijsmiddel, wilde hij niet aan de agenten uit handen geven, want… eh… want… want nee, dat doe je natuurlijk niet!

Hoe krijg je zoveel onwaarschijnlijks en tegenstrijdigs bij elkaar… De geschiedenis waarmee mevrouw Blasey Ford vorig jaar de benoeming van Brett Kavanaugh in het Hooggerechtshof wilde voorkomen is er heilig bij – en dat wil wat zeggen. Het minste wat je hier als pers kunt doen is: het weergeven als wat het is, namelijk Jussie Smolletts versie van het verhaal. En wie er op wil reageren, moet niet zijn eigen twijfels overstemmen, liefst zijn kruit droog houden. Het gebeurde allebei ten dele. Maar jongens, wat valt het weer op hoe juist Democratische kopstukken zich onmiddellijk lieten gaan: een en al geschokt meegevoel met Smollett en plechtige verklaringen over de staat van de natie. Mijn vraag daarbij (een praktisch gesproken retorische vraag, geef ik toe): gaat het hier om naïeve verontwaardiging of is het berekening? Want wat geeft het dat je in tweede instantie je oordeel moet herzien, misschien ook publiekelijk (zij het natuurlijk gedempt), als je heel goed weet hoe het werkt: versterk het ideologische verhaal, dát blijft hangen, de feiten verdwijnen al gauw in de mist der geschiedenis. Met het oog op de verkiezingen van 2020 kan ook de grootste hoax dienen om het gevoel te versterken: “Dit is het Amerika van Trump en van zijn boze, bange witte mannen!”

Ook van die reacties laat ik u graag meegenieten. Je zou ze gewoon overhaast willen noemen, als je de politieke wegen van de betreffende personen niet al een tijdje volgde:

Nancy Pelosi (Democratisch voorzitter van het Huis van Afgevaardigden): “De racistische, homofobe aanval op Jussie Smollett is een belediging voor de menselijkheid.”

Maxine Waters (Democratisch afgevaardigde voor Californië – toegegeven, dat mens is gestoord): “Het komt van de president van de Verenigde Staten. Die geeft elke dag het signaal voor geweld.”

Kamala Harris (Democratisch senator, die reeds de Kavanaugh-hoorzitting om zichzelf en haar presidentiële aspiraties had laten draaien): “Dit is een moderne lynchpoging. Niemand moet voor zijn leven hoeven te vrezen vanwege huidskleur of seksualiteit. We moeten opstaan tegen deze haat.” Cory Booker (ook senator, ook een Democratisch aspirant-president, ook al voor de bühne spelend bij de Kavanaugh-hoorzitting) zei ongeveer hetzelfde.

Kirsten Gillibrand (Democratisch senator en presidentiële hopeful; van het type Believe all women; bijna even gek als Maxine Waters): “Dit is een ziekmakende en schandalige aanval en, vreselijk genoeg, de meest recente in een veel te lange reeks hate crimes tegen LGBTQ-mensen en mensen van kleur. Wij hebben allemaal de verantwoordelijkheid dit soort gedrag en iedereen die het mogelijk en normaal maakt te veroordelen. Wij bidden voor Jussie en zijn familie.”

Alexandria Ocasio-Cortez (jeugdig Democratisch lid van het Huis, auteur van de New Green Deal en een van de sterren van de in ons land ook door columnist James Kennedy toegejuichte nieuwe geest die door de VS waait): “Het was een racistische en homofobe aanval. Als je ongelukkig bent met wat er in ons land gebeurt, werk dan aan verandering. Niemand moet iets proberen af te doen of goed te praten aan de toename van hate crimes.”

Met de laatste regel doelt Alexandria (AOC zoals ze genoemd wordt) op voorzichtige formuleringen in de pers, waarbij opengelaten werd of alle feiten wel volledig bekend waren. Elke terughoudendheid tegenover het verhaal zoals Jussie Smollett het vertelde was voor AOC een ontkenning van het door Trump gecreëerde klimaat van haat en verdeeldheid.

Maar het verhaal ging voort. De door Smollett op bewakingscamera’s met stelligheid aangewezen daders (om twee uur ’s nachts is het in de vrieskou van Chicago sowieso niet druk op straat) bleken twee Nigeriaanse bekenden van hem te zijn. De door hemzelf overgelegde selectie van gesprekken vanaf zijn telefoon werd door de politie vergeleken met opgevraagde gegevens van het telefoonnetwerk. Smollett nam een strafrechtadvocaat in de arm. Het minste wat je op dit moment kunt zeggen is dat, terugziende, de voorzichtige benadering van het verhaal de meest verstandige was.

Maar nee. Wat is het eigenlijke probleem, als je menigeen mag geloven? Dat is dat in het algemeen de Republikeinen niet meteen op grote schaal hun verontwaardiging hebben uitgesproken over de laffe aanval, al was die dan misschien niet gebeurd. Dat maakt ze mede schuldig aan het toenemende geweld tegen kwetsbare minderheden enz. enz. enz. enz. enz.

Wat mij nog meer verontrust dan dit soort onzinnige reacties op wat eigenlijk lof verdient als de enige rationele houding, is dat één prominente Republikein wél meteen de politiek correcte reactie gaf: president Donald Trump. Was hij bang net als na Charlottesville te lang te wachten met partij kiezen? Zoiets, denk ik. En dat zou dan betekenen: het identiteitsdenken druppelt ook het Witte Huis binnen, voor zover het daar na Obama’s vertrek niet her en der aan de muren was blijven kleven.

Smollett mocht in een interview zowel het incident als de reacties bespreken. Hij zat op dat moment officieel nog niet in de hoek van verdachte. Hij acteert beter dan Ms Blasey Ford, het is dan ook zijn vak. Maar je begrijpt ook waarom tot voor kort bijna niemand van hem gehoord had:


Mensen van kleur

Tien dagen geleden liep nabij het gebouw van De Nederlandsche Bank in Amsterdam een man van 31 met een vuurwapen dreigend op een agent af. Deze schoot hem neer, de man overleed ter plekke aan zijn verwondingen, een toevallige voorbijganger werd door een kogel verwond. Achteraf bleek het wapen waarmee gedreigd was niet echt te zijn. Volgens nadere berichten had het psychisch verwarde slachtoffer waarschijnlijk zelfmoord via een politiewapen gezocht.

Tot zover is de zaak even vreselijk als eenvoudig. Een tragedie, alleen maar verliezers: de omgekomen man, zijn naasten, de verwonde voorbijganger, de politieagent. Voor die laatste is het het ergste wat je je kunt voorstellen. Niet alleen draag je zoiets je leven lang mee, op korte termijn moet je door een belastend onderzoek heen: natuurlijke gevoelens van schuld en tekortschieten lijken samen te spannen met de mensen van de Rijksrecherche die verplicht zijn jou lastige vragen te stellen. En als hun onderzoek oplevert dat je te veel kogels hebt afgevuurd (volgens welke maatstaf?), zal een deel van het publiek (dat nog nooit een pistool in zijn handen heeft gehad, laat staan weet hoe gemakkelijk ook een geoefende schutter mis schiet in zo’n situatie) weinig tot geen begrip tonen.

Gemeenteraadslid Sylvana Simons dacht kennelijk: wat ik toch al zou gaan zeggen na afsluiting van het onderzoek van de Rijksrecherche kan ik nu ook wel alvast in de media slingeren. Zij stelde vragen, bezorgd om de gevoelens van onveiligheid van vooral “mensen van kleur”. Gelukkig kreeg ze de hele gemeenteraad en de burgemeester tegen zich, die de zaak beoordeelden zoals ik haar schetste in de vorige alinea.

Maar het haakt in mijn geheugen en het zit me niet lekker: “mensen van kleur”. Het is een letterlijke vertaling van people of color, de moderne politiek correcte uitdrukking in de Verenigde Staten, Canada en Australië. Eerst zei je daar negroes, “negers”, een woord dat ook zwarte burgerrechtenactivisten als Martin Luther King gebruikten, al kan dat een tactische concessie zijn geweest. Iets ruimer was colored people. Toen werd het daar blacks en hier “zwarten”. Het door Astrid Roemer in de jaren negentig voorgestelde “gepigmenteerden” haalde het niet, maar Sylvana Simons probeert nu dus de moderne Angelsaksische term te importeren, die ongeveer alle variaties aan niet-blank omvat.

Zowel bij Astrid als bij Sylvana proef ik het verlangen mensen met taalwapens als het ware onder schot te houden. Om een zuiver Nederlands voorbeeld te geven: als je maar lang genoeg spreekt van “witte mensen” en dat in een context van nadrukkelijk anti-racisme, laadt iemand die “blanken” zegt vanzelf de verdenking op zich in het andere kamp te staan, een racist te zijn. Ik had het over “onder schot houden”. Voor wie dat te drastisch vindt een ander beeld: bij een vermoeden van dronkenschap laat men iemand wel eens over een rechte streep lopen, wat boven een bepaald promillage gedoemd is een jammerlijk tafereel op te leveren – zo kun je ook in elk gesprek waarin raciale gevoeligheden meetrillen de ander uitdagen over een dunne lijn van taalkundige correctheid te lopen. Als die uitdaging eenmaal in de lucht zit, hoeft zelfs niemand haar meer uit te spreken. Dat verklaart ook de pogingen van tijd tot tijd een nieuwe norm te stellen. Als de mensen eenmaal gewend zijn “zwarte” te zeggen in plaats van “neger”, kun je ze op dat punt niet meer pakken. Dan wordt bij voorbeeld “blank” opeens “wit” – of “zwart” wordt mede gevat onder “van kleur”.

Sylvana Simons’ woordkeuze rijmt met haar haastige duiding van het incident. Kennelijk ziet ze graag zoiets als de Amerikaanse Black Lives Matter beweging ook in Nederland van de grond komen. Nu is de situatie hier anders dan in de VS: geen verleden van rassenscheiding, zeker niet in wettelijke vorm; geen zwarte gettovorming in gedoemde binnensteden. En vooral: geen traditie waarin zwarte kiezers vrijwel en bloc op één bepaalde partij stemmen. De Democratische partij in de VS heeft er belang bij dat de zwarte bevolking in een bubbel van boosheid en angst blijft zitten, met de zogenaamd racistische Republikeinen en de etnisch profilerende politie als vijanden. Sowieso geldt dat rond verkiezingstijd, dus elke twee jaar – maar daarmee praktisch continu. Dat verklaart de financiële steun van iemand als George Soros aan de, vooral op desinformatie steunende en desinformatie verspreidende, Black Lives Matter beweging. (Het is altijd gevaarlijk op dit soort verbanden te wijzen. Bij Stevo Akkerman kwam ik al eens de redenering tegen: “Die en die hebben bezwaren tegen de activiteiten van Soros – Soros is een jood – die en die zijn dus antisemieten.”)

Voorlopig lijkt het verschil tussen Nederland en de VS te groot om ideologische waar succesvol onveranderd van daar naar hier te importeren. Om het klimaatverschil te illustreren: in Silicon Valley gelden leuzen als Blue Lives Matter (blauw als de kleur van de politie) en All Lives Matter als hate speech, “haatzaaien”. Het is voldoende grond voor een tik op de vingers of zelfs ontslag. Zover is het hier nog niet. Ander voorbeeld: zou ook in Nederland iemand ontslagen kunnen worden omdat hij in een memo erop wees dat vrouwen door de bank genomen niet dezelfde interesse vertonen in technische, exacte vakken als mannen, zoals het James Damore bij Google overkwam? Vooralsnog niet, geloof ik.

Maar de dreiging is er. Je vindt hier al veel taalkundige correctheid. Theologe Janneke Stegeman pusht het ideologische kretenapparaat van “het witte privilege”, dat “witte mensen” zich niet bewust zouden zijn (maar zijzelf wel) – welk gebrek aan bewustzijn juist weer zou bewijzen hoe bevoorrecht ze zijn: een taalval waaruit geen ontsnapping mogelijk is. Columnisten en journalisten vermelden zo tussendoor dat Trump het moet hebben van de angst van “witte mensen” voor een meer gemengde samenleving. Het sluipt erin. En (op het gevaar af als antisemiet weggezet te worden, maar ook de NRC berichtte erover, dus ik waag het erop) George Soros financiert de verspreiding van dit gedachtegoed. Vergis je niet, achter mensen als Sylvana Simons staat meer macht dan je zou denken. Als het aan hen ligt, mogen mensen als de ongelukkige agent van het schietincident in Amsterdam onder de wielen van die macht verpletterd worden.

A Memoir tegen cultureel geheugenverlies

De vakantie in Lissabon was kort en de ruimte voor handbagage in het vliegtuig beperkt, dus het werd een klein boekje: A Memoir of Jane Austen door James Edward Austen-Leigh. Het verscheen in 1869, ik las de tweede druk, van 1870. De auteur was een neef (tantezegger) van de in 1817 te jong overleden schrijfster en het betrof een familieproject: de laatste generatie met directe herinneringen aan de inmiddels steeds beroemder wordende tante Jane kreeg de eindstreep in zicht, het was nu of nooit voor een eigen biografisch initiatief. Men hoopte voor het nageslacht een eerlijk beeld na te laten, zonder de vertekening die men mocht vrezen onder de pen van een buitenstaander. Vanuit zulke overwegingen had Janes zuster Cassandra al eerder veel brieven vernietigd of met de schaar gecensureerd.

Onze tijd is voyeuristisch en exhibitionistisch. Neef James’ wat stijve, puur feitelijke verslag is ons al gauw te tam en menigeen fronst de wenkbrauwen over Cassandra, die naast het haardvuur gezeten en met een schaar in de hand door de stapels correspondentie ging. Het lijkt mij allebei niet terecht. De keerzijde van de schijnbare openhartigheid van menig artiest of publieke figuur is dat zo iemand voortdurend bewust werkt aan het eigen imago. Goethe bij voorbeeld maakte zijn leven tot een standbeeld voor de eeuwen. Prima, zijn goed recht, het resultaat mag er zijn – maar zijn Engelse tijdgenote was nu eenmaal uit ander hout gesneden. De brieven die door Cassandra’s handen gingen waren niet als monument bedoeld en bevatten ongetwijfeld van alles dat alleen door direct betrokkenen op waarde te schatten was. Ze kon de grenzen wel eens precies getrokken hebben waar ze ook volgens Jane lagen.

En neef James beperkt zich dus tot de feiten. Hij vermoeit ons niet met sociologische beschouwingen over ongetrouwd blijvende vrouwen rond het jaar 1800 of met pretentieuze analyses van zijn tante en haar romanpersonages – en dat is wel zo prettig.

Maar wat mij vooral opviel in de Memoir: van allerlei mannen in Janes familie en in de grote en de literaire wereld kreeg de vrouwelijke auteur alle bewondering die haar toekwam, alle steun die zij behoefde. Of het nu de Prince Regent was, de latere koning George IV, die haar romans gretig las en herlas en via zijn bibliothecaris liet weten vereerd te zullen zijn met de opdracht van een nieuw boek (een opdracht die er kwam met Emma); of Sir Walter Scott, wiens exemplaren van haar werk opvallende leessporen vertoonden en die eens verzuchtte dat hij nooit zulke levensechte karakters zou kunnen scheppen als zij; of de historicus Macauly, die overwoog een biografische schets als voorwoord voor nieuwe uitgaven te schrijven en onder meer met de opbrengst daarvan een monument voor de schrijfster te bekostigen in de kathedraal van Winchester, waar zij begraven ligt; of gewoon haar vader, die een vergeefse poging deed de eerste versie van Pride and Prejudice uitgegeven te krijgen – er is geen spoor van dedain voor de schrijvende vrouw.

Waarom publiceerden enkele grote vrouwelijke Engelse romanciers onder een mannelijk pseudoniem? De zusters Brontë deden dat (als Currer, Ellis en Acton Bell) en Mary Ann Evans (in dit geval is het pseudoniem George Elliot bekender gebleven dan de echte naam). Je leest wel: “omdat vrouwen niet geacht werden te schrijven”. Maar door wie dan? In de literaire wereld was er voor vrouwelijk talent veel erkenning en bereidheid het werk te promoten: Samuel Johnson steunde enthousiast Fanny Burney, Charles Dickens hielp Elizabeth Gaskell (die trouwens geen pseudoniem gebruikte) aan publicatiemogelijkheden. Misschien dat een deel van het koperspubliek geen stevige kost verwachtte als er een vrouwelijke naam op het titelblad prijkte – en “stevige kost” mag je een boek als Wuthering Heights toch wel noemen, zeker naar negentiende-eeuwse burgerlijke maatstaven. Dat was, kunnen we de feministen toegeven, een maatschappelijk vooroordeel. Maar wel een dat vrij eenvoudig te omzeilen was: een pseudoniem, dat kostte niets. En de creativiteit van de werkelijk literair begaafden lijkt er niet door geremd te zijn. Als er in de negentiende eeuw en in vele andere tijden reëel artistiek talent gesmoord is, zal dat toch eerder zijn geweest doordat armoede het leven reduceerde tot van dag tot dag overleven dan door al te stereotiepe rolpatronen.

Jane Austens boeken vermeldden op het titelblad “by a lady“. Zij en haar uitgever vreesden kennelijk niet dat dat lezers zou afschrikken. Ook mannen konden trouwens voor anonimiteit kiezen. Walter Scott was als dichter al bekend toen hij in 1814 zijn eerste roman, Waverley, anoniem publiceerde. Enkele volgende romans werden gepresenteerd als “by the author of Waverley” – reden waarom ze bekend staan als de Waverley novels. Misschien wilde Scott dat zijn proza het op eigen kracht zou redden, zonder steun van de roem die hij reeds genoot. Misschien had hij nog aarzelingen over het nieuw ingeslagen pad: bescheidenheid en onzekerheid zijn niet tot één sekse beperkt. Je kunt echter niet zomaar concluderen dat dichters niet geacht werden proza te schrijven.

Ik wil maar zeggen: er kunnen allerlei motieven, ook heel persoonlijke, een rol gespeeld hebben bij Jane Austens keuze niet eenvoudig onder haar eigen naam te publiceren. “De positie van de vrouw” in haar tijd zal wellicht één van haar redenen zijn geweest. Maar een dergelijke formule is weinig verhelderend en kan niet, hupsakee! meteen ingevuld worden als “achterstelling”, “beperking” e.d. Het beeld van een uphill battle voor vrouwelijke literatoren louter op grond van hun sekse? Het lijkt me grotendeels een constructie achteraf. Zo overzichtelijk zit de wereld niet in elkaar en zat ze tweehonderd jaar geleden niet in elkaar. Ideologische geschiedenisbeelden willen ons dat doen vergeten. De trouwhartige Memoir van neef James Austen-Leigh was voor mij een medicijn tegen zulk cultureel geheugenverlies.

Nepnieuws over nepnieuws?

Wie heeft het begrip fake news, “nepnieuws” uitgevonden? Nee, het begrip is zo oud als het fenomeen en dat is weer zo oud als de wereld, dus de vraag moet preciezer: wie heeft de term in de laatste jaren in omloop gebracht en opgestoten in de vaart der media? De Amerikaanse journaliste Sharyl Attkisson zocht het uit en was zelf verrast door wat ze vond: de term begon opgang te maken ongeveer twee maanden voor de presidentsverkiezingen van 8 november 2016 en werd vooral gepromoot door politici en media aan de linkerzijde van het spectrum. Niet door Donald Trump dus, die trouwens dikwijls een woord toevoegt: fake news media – waarmee hij doelt op de met Obama, Clinton en de Democratische Partij onder één deken liggende netwerken, websites, kranten en periodieken.

U merkt, we moeten twee betekenissen van de term onderscheiden. In de mond van Trump duidt hij op de algemene praktijk van progressieve framing bij veel outlets: bij op hun reputatie terende (en interende) kranten als de New York Times en de Washington Post, bij nieuwssites als de Huffington Post, bij netwerken als NBC en CNN. De andere, enkele maanden oudere, betekenis is: via de nieuwe media verspreide berichten die gekenmerkt worden door sterke partijdigheid, eenzijdige of ontbrekende bronnen, desinformatie of samenzweringstheorieën. Het was niet omdat ze Trumps retoriek te weinig bestudeerd had, dat Attkisson op het begrip attent werd, toen het nog alleen deze betekenis had: op 13 oktober 2016 hield president Obama een toespraak voor de Carnegie Mellon Universiteit in Pittsburgh, waarin hij stelde dat het hoog tijd was dat er een instantie kwam die het internet censureerde. Dat desideratum is in de VS sindsdien vooral van links blijven komen. En, niet minder belangrijk, de top van de grote internetbedrijven is in beginsel bereid de progressieve zaak langs deze weg te bevorderen.

Het oudere gebruik van de term is niet helemaal ondergesneeuwd door Trumps “vijandige overname” (Attkisson) ervan. En het door Obama ingezette offensief tegen de vrijheid van meningsuiting, informatievergaring en informatiewaardering van de burger gaat voort. Enerzijds is er druk van de Democratische Partij op de internetgiganten, inclusief de dreiging dat de federale overheid de zaak ter hand neemt. Anderzijds heerst er bij de grote bedrijven zelf een krachtig progressief vooroordeel en is men bepaald ingenomen met een poortwachtersfunctie waarmee men de liberal agenda (de strijd voor sociale gerechtigheid) kan bevorderen. Dat verklaart bij voorbeeld dat op YouTube conservatieve content, hoe bedaard van karakter ook, regelmatig niet wordt toegelaten, belemmerd in zijn financiering via het internet of beperkt in zijn toegankelijkheid. Dat laatste was het lot van veertig filmpjes van PragerU (van het type waarvan ik links gaf op 30 en 31 januari jl.). Ook filmpjes met een anti-abortus-strekking werden en worden geweerd.

En toch – zo suggereert de traditionele pers niet alleen in de VS, ook in Nederland – zou de grootste bedreiging van onze vrijheid komen van “autoritaire leiders” zoals Trump. Die zouden op het schild geheven worden door misleide, niet op een kwaliteitskrant geabonneerde, simpele zielen. En waar zijn ze op uit, deze “sterke mannen”? Op kneveling van de pers en het scheppen van een propagandabubbel als in Poetins Rusland! Tel Trumps leugens maar eens op en luister naar zijn anti-pers retoriek! U herkent de toon. Vanaf 2017 klinkt hij in verontruste redactionele commentaren en waakzame columns.Het lijkt me vooral nepnieuws over nepnieuws. Weinig mensen in ons land – en relatief weinig mensen in de VS – weten hoezeer de regering Obama de traditionele media gebruikte voor de beeldvorming die zij wenselijk achtte, zelfs voor schaakzetten op het internationale toneel (met name om druk te zetten op Israël inzake de atoomdreiging vanuit Iran). Dat ging via gecontroleerde lekken. Echter, journalisten die eigen contacten in en rond het Witte Huis gebruikten voor onderzoeken die de regering niet welgevallig waren kregen te maken met intimidatie en werden afgeluisterd en anderszins gevolgd.

Het overkwam Sharyl Attkisson, een witte raaf in het CNN- en CBS-milieu waar zij werkte. Zij berichtte over Fast and Furious: een slecht doordachte operatie in 2010, waarbij de Amerikaanse regering wapenverkoop op grote schaal aan de Mexicaanse drugskartels toeliet, in de verwachting op die manier een krachtig argument voor wetgeving ter beperking van het bezit en de handel in vuurwapens in handen te krijgen. Attkisson werd door voorlichtingsmensen van het Witte Huis de huid vol gescholden. Collega-journalisten, naast zowel als boven haar gesteld, lieten merken dat ze zich meegaander moest opstellen ten aanzien van de officiële versie van de door haar onderzochte zaken. Haar computer bleek op geavanceerde wijze gehackt, juist in de tijd dat zij bezig was met dit en een ander onderzoek dat president Obama (en minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton) in een zeer ongunstig daglicht dreigde te stellen (de Benghazi-zaak). Het bewijs dat een overheidsdienst er achter zat werd nooit geleverd. Maar Obama en de zijnen waren er in geen geval te scrupuleus voor: vaststaat immers dat medewerkers van Associated Press maandenlang door hun regering werden afgeluisterd.

Even tussendoor: over Fast and Furious zie “Count 2. Involuntary Manslaughter” in Ben Shapiro: The People vs. Barack Obama. The Criminal Case Against the Obama Administration, New York etc., 2014:

The People Vs. Barack Obama

Het boek kost €16,99. (Dat is dus een stuk goedkoper dan die andere aanrader van mij: The Russia Hoax.)

Het gevaar voor de vrijheid – van nieuwsgaring, van meningsuiting – komt niet primair van rechts: niet van Russische trollen, niet van “alt-right“, niet van traditionele conservatieven, niet van moeilijk precies te plaatsen figuren als president Trump (onconventioneel en provocerend in zijn uitingen, veelal gewoon conservatief in zijn beleid – al corrumpeert macht en zal ook hij daarvoor niet immuun zijn). Nee, het grootste gevaar komt van mensen die zozeer overtuigd zijn van de verhevenheid van hun doelstellingen (alle mensen gelijk; bepaalde minderheden en hun partijgangers meer gelijk dan anderen; volledige beschikking over het ongeboren of pas geboren leven bij de vrouw; het milieu spoedig schoon; gratis onderwijs voor iedereen; een wereld zonder grenzen) dat de in te zetten middelen best grondig onze vrijheden mogen beperken of vernietigen. Censuur, als tijdens de Pittsburghse lezing voorgesteld door Obama, is een realiteit die al enigszins gestalte aanneemt: de internetgiganten doen hun best. De traditionele media lenen zich al langer gewillig voor manipulatie. Juist met die traditionele media voelen Nederlandse journalisten zich vaak het meest verwant.

Sharyl Attkisson over nepnieuws:

 

 

Mulheres, geen homens

In het winkelcentrum bij het Lissabonse metrostation Baixa-Chiado zie ik op een groot televisiescherm beelden van een praatprogramma. Geluid is er niet bij, maar constant staan er links in het scherm een paar dingen die we als kijkers tot ons moeten laten doordringen. Rechts in beeld praat een middelbare heer met kennelijke deskundigheid over wat links in beeld te leren is: Violencia doméstica, huiselijk geweld, met daaronder 2004-2018 504 mulheres, en weer daaronder 2018 zo- en zoveel mulheres. Het zullen wel dodelijke slachtoffers in Portugal zijn, geen daders. Vrouwelijke slachtoffers dus, want een mulher is een vrouw. Ik wacht een tijdje of er ook cijfers verschijnen over homens, mannen, maar nee… Ach nee, dat had ik toch ook nauwelijks verwacht? Gegeven die 504 vrouwen is het een redelijke schatting dat er in de genoemde periode zo’n 125 mannelijke dodelijke slachtoffers te betreuren waren. Die verhouding gaat tenminste elders in de westerse wereld ongeveer op. Maar het televisieprogramma maakt zijn kijkers hier niet wijzer over.

De droom van Mal Maguire, een Canadees mannelijk slachtoffer van huiselijk geweld, was het maken van een documentaire over mannen die geweld ondergaan van hun vrouwelijke partner. Toen hij zelf in die situatie verkeerde, was er nauwelijks hulp te verkrijgen. Er waren in Canada wel ca. 300 voorzieningen voor vrouwen, maar niets voor mannen. Een psycholoog en een psychologisch onderlegde rooms-katholieke geestelijke waren er gelukkig wel voor hem. Maar de wereld van de specifiek op partnergeweld gerichte hulpverlening werd en wordt in Canada gedomineerd door feministen. Dat geldt voor organisaties op dat gebied en voor de overheid, terwijl er aan de universiteiten door serieuze onderzoekers in de traditie van Murray Strauss nog altijd strijd geleverd moet worden. Ook daar heerst een doctrinaire ideologische visie, waarin slechts plaats is voor mannelijke daders en vrouwelijke slachtoffers.

Omdat Mal geen filmmaker is, ging hij op zoek naar professionals op het gebied van beeld en geluid. Enkelen waren wel geïnteresseerd in het project, maar durfden het niet aan: het onderwerp was te heikel. Een van hen sprak het onomwonden uit: als ik dit doe, kom ik op een zwarte lijst, dan word ik voor andere mogelijke opdrachten geboycot.

De documentaire lijkt er nu toch te komen. Een Nederlandse filmmaker geeft Mal de nodige ondersteuning, Janice Fiamengo steekt eens te meer haar nek uit en gaat proberen fondsen te werven. Ik hoop dat Mal zijn film krijgt. En dat hij ook in Nederland uitgezonden wordt. En in Portugal.

The Russia Hoax

Een onzin-verhaal, een hoax, zo heeft Donald Trump steeds de suggestie afgedaan dat hij tijdens zijn verkiezingscampagne in 2016 onder één hoedje zou hebben gespeeld met de Russen. Volgens de teleurgestelde Hillary-aanhangers (en die bevolkten een groot deel van de media) zat het zo: de Russen hadden Trumps verkiezing slinks bevorderd, hij zou het Amerikaanse beleid op het wereldtoneel aanpassen aan hun behoeften. Aan dit haakje werd het nog steeds lopende onderzoek van speciaal aanklager Robert Mueller opgehangen.

Dat onderzoek is politiek gemotiveerd. De lijn van de Democraten en media als CNN, MSNBC, Washington Post en andere was vanaf dag één van dit presidentschap: delegitimeren – Trump mag dan formeel ons staatshoofd zijn en volgens de regels verkozen, hij is toch een usurpator; je krijgt hem niet een-twee-drie weg natuurlijk, maar je kunt in elk geval onophoudelijk spreken over zijn afzetting en de gronden die je daarvoor ziet. En je kunt zijn handen binden met onderzoeken. Dat laatste lijkt al in de aanloop naar de verkiezingen door Trump-haters in de top van de FBI te zijn overwogen als Plan B, voor het onwaarschijnlijke geval dat Hillary niet de nieuwe president zou worden. Wanneer straks – eindelijk – Mueller met zijn eindverslag komt, zal er wel een soort interpretatie-oorlog losbarsten, met conclusies uiteenlopend van “zie je wel: samenspannen! landverraad! afzetten!” tot “zie je wel: een hoax!”

Los van de politieke waardering van een en ander is er de juridische kant. Hebben FBI, CIA en andere instanties binnen hun grondwettelijke en wettelijke bevoegdheden gehandeld? Er is tot nog toe geen enkele aanwijzing dat de president dat niet gedaan heeft. Veel duidt er echter op dat zijn tegenstanders binnen het regeringsapparaat een loopje hebben genomen met de wet en daarbij elkaar de hand boven het hoofd hebben gehouden.

Hoe merkwaardig bij voorbeeld dat (de uiteindelijk in mei 2017 door Trump ontslagen) FBI-directeur James Comey de resultaten van het FBI-onderzoek naar Hillary Clintons onwettige omgang met vertrouwelijke en topgeheime gegevens niet doorleidde naar de degenen die eventueel een beslissing tot vervolging konden nemen. En dan gebeurde dat ook nog eens in dezelfde tijd dat men de Trump-campagne begon te bespioneren, met misleiding van de rechter die daarvoor toestemming moest geven. Er zijn veel van zulke uiterst dubieuze momenten in “de jacht op Trump” (want zo mag je het toch wel noemen). Net als in de jacht op rechter Kavanaugh van afgelopen september-november lijkt het ook ditmaal progressief Amerika dat de beginselen van de rechtstaat ondergeschikt maakt aan gewenste politieke uitkomsten.

De juridische kant van de zaak wordt helder uiteengezet door Gregg Jarrett in zijn boek The Russia Hoax: The Illicit Scheme to Clear Hillary Clinton and Frame Donald Trump (2018).

Afbeeldingsresultaat voor the russia hoax afbeeldingen

De kracht van het boek ligt in twee zaken die de ervaren jurist verraden: 1. Jarrett verzamelt alle bekende feiten, zonder hele theorieën te bouwen op zijn beperkte speculaties over wat we niet weten; 2. hij legt die feiten naast alle eventueel relevante wetgeving, die hij zorgvuldig interpreteert. Het beeld dat je zo krijgt past beter in de sfeer van Fox News dan in die van CNN. Jarrett verschijnt dan ook regelmatig in Fox-programma’s. Op grond van de meer retorische passages van zijn boek is zijn politieke voorkeur wel te raden en behalve de titel wijst ook de ondertitel in een bepaalde richting: “De onwettige opzet om Hillary Clinton vrij te pleiten en Donald Trump erin te luizen”. Maar het gaat niet primair om een politieke, maar om een juridische stellingname. Wie de strekking van het betoog, in de ondertitel uitgedrukt, wil bestrijden zal daar een harde dobber aan hebben. Op essentiële punten kon het wel eens een onmogelijke opgave blijken.

The Russia Hoax is een boek van hoog juridisch en journalistiek niveau. Niet echt goedkoop (€ 30,99), maar voor journalisten die over de VS schrijven en voor ieder die de rechtstaat misschien wel het kostbaarste goed van de westerse beschaving vindt is het verplichte kost.