Andrew, Ahmed, nog eens Lorena, nog eens Janet

Vandaag twee thema’s: abortuswetgeving en partnergeweld. Ze worden verbonden door uitgelichte iconische bouwwerken en het gynocentrisme waarover het gisteren ook ging.

Onlangs tekende de gouverneur van de staat New York, Andrew Cuomo, een wet die abortus legaal maakt tot in het derde trimester, dus tot aan een voldragen zwangerschap. Zoals te verwachten, vrezen voorstanders geen kwalijke praktijken. Een zo dramatische beslissing als tot een late abortus zal nooit lichtvaardig genomen worden, veronderstelt men. En zulke complexe en delicate situaties laten zich niet in precieze wetsbepalingen vangen: de autonomie van de vrouw en de met haar overleggende artsen moet optimaal gegarandeerd zijn. Tegenstanders stellen vragen bij het criterium “gevaar voor de gezondheid van de moeder”: hoe ernstig gevaar? ook geestelijke gezondheid? wat valt daar allemaal onder?

Hoe je ook over deze wetgeving denkt – en ze gaat in een aantal opzichten verder dan het geldende Nederlandse recht – op zijn minst bevreemdend is het geweldige enthousiasme waarmee de New Yorkse senatoren hun eigen besluit beklonken: bij de ondertekening door Cuomo werd er luid en langdurig geapplaudisseerd, met veel stralende gezichten, echt een feestelijk moment. Dat past niet goed bij het onderwerp, zou je zeggen. Maar dat is het ‘m nu juist. Wat was het onderwerp van het tekenmoment: wetgeving over een hoe dan ook gruwelijke zaak of het goede gevoel dat de aanwezigen over zichzelf hadden? Zijzelf zouden nog iets anders zeggen: het is een geweldige stap in de verovering van rechten voor de vrouw. Voor velen is dat niet alleen het beheersende, maar praktisch het enige gezichtspunt in de discussies rond abortus.

Op 22 januari (de verjaardag van Roe vs Wade, de beslissing van het Hooggerechtshof uit 1973 om de restricties op abortus in bepaalde staten ongrondwettelijk te verklaren) werd het One World Trade Center in New York roze uitgelicht om de nieuwe wetgeving te vieren. Gaat dat niet heel erg ver? Niet als jouw progressiviteit niet enkel een standpunt onder andere standpunten is, maar een vorm van morele pioniersgeest of een soort publieke religie.

Zulk uitlichten als in New York gebeurt vaker. Na aanslagen in Parijs kleurden er rond de hele wereld bouwwerken met een symbolische status rood wit en blauw. “Samen sterk staan tegen geweld en ander onrecht, solidair zijn met slachtoffers” – dat lijkt de gedachte. In het New Yorkse geval zouden de slachtoffers dan zijn: vrouwen die geen abortus mogen laten plegen. Afgelopen november werden in Rotterdam de Erasmusbrug, de Euromast en de Hofpleinfontein in oranje licht gezet om aandacht te vragen voor geweld tegen vrouwen. Wat de beide stadsbesturen verbindt, is de gedachte dat vrouwen vanouds onderdrukt worden en daardoor straffeloos aangetast in hun lichamelijke en geestelijke integriteit, een historisch onrecht waartegen mannen als Cuomo en Aboutaleb opstaan, zij aan zij met hun strijdbare zusters. Die visie mag er zijn en haar plaats opeisen in de discussies. Maar ook op de eenzijdigheid ervan mag gewezen worden. Zorg om het lot van een volgroeide menselijke vrucht is geen vrouwvijandigheid en de dood van zulke kinderen geen reden voor een feestje. En ook tegen de flinkheid van het Rotterdamse stadsbestuur zijn heel redelijke bezwaren in te brengen.

Laten we de Amerikaanse abortusdiscussie aan de Amerikanen overlaten en ons beperken tot de sentimenten aan de Maas. Ik ben tegen geweld tegen vrouwen. Daar zitten Aboutaleb en ik op één lijn. Maar ik heb ook een grote hekel aan geweld tegen mannen. Niet dat ik deze tweede soort erger vind dan de eerste. Ook als bestuurlijk probleem weegt geweld tegen mannen wat mij betreft niet zwaarder, al komt het vaker voor. Nee, beide categorieën zijn even ernstig, dat lijkt me evident. Daar denken de Rotterdamse bestuurderen dus anders over. De sekse van het slachtoffer maakt voor hen alle verschil van de wereld. Dat roept toch wel de vraag op: hoe zouden de reacties geweest zijn als men op straat bloemen had uitgedeeld en de Euromast oranje had uitgelicht voor de blanke slachtoffers van geweld? of voor de niet-joodse? of exclusief voor de mannelijke?

Over de student die in Groningen door wildvreemden voor de grap werd neergeschoten en nu levenslang aan een rolstoel gebonden is kun je toch moeilijk zeggen: “Gelukkig is het geen vrouw, anders was het nog erger geweest.” Maar burgemeester Aboutaleb vindt van wel – en protesten daartegen blijven uit.

In mijn post van gisteren ging ik in op wat onder deze, op het oog zo wonderlijke, eenzijdigheid ligt: gynocentrisme; complexe biologische relaties tussen de seksen, met waarschijnlijk zowel sociale als hormonale en neurologische componenten. Die relaties zijn diep verankerd en vrijwel universeel. Maar de feministische wind die er in het Westen waait geeft er extra energie aan.

In dit ideologisch klimaat past de geplande vierdelige documentaire waarin Lorena Bobbitt uitgelicht wordt als (o, ironie!) slachtoffer van huiselijke geweld en heldin van het verzet hiertegen (zie mijn post van gisteren). Nou ja, het komt ook uit Amerika, mag je zeggen: het is daar allemaal nog een beetje erger dan in ons land. Zo zijn er in de Verenigde Staten ca. 2000 blijf-huizen voor vrouwen en daarnaast slechts 1, zegge één, voor mannen (zo was het tenminste in 2017, toen Cassie Jaye er de aandacht op vestigde in haar documentaire The Red Pill ). Amsterdam heeft sinds enige jaren een opvanghuis voor mannelijke slachtoffers van partnergeweld: één voorziening op 17 miljoen inwoners tegenover één op 330 miljoen – een gunstiger verhouding. Wat misschien meer zegt: onlangs bereikten realistische gegevens over huiselijk geweld (meestal tweezijdig, veel mannelijke slachtoffers) voor een kort moment onze mainstream media, zonder dat dit geluid onmiddellijk verdronken werd in een luid geschreeuw over “vrouwenhaat” of smalen over de losers in de manosphere.

Toch is ook in Nederland het gif van het feministisch perspectief alom aanwezig. Zelfs ministeries verspreiden desinformatie over de geweldsproblematiek volgens het “man=dader, vrouw=slachtoffer”-paradigma. En zoals we zagen: het stadsbestuur van Rotterdam zal niet tegen deze stroom in zwemmen. Krijgt de documentaire over Lorena Bobbitt ooit hier de aandacht van de media, dan zullen de kritische stemmen nog een hele strijd te voeren hebben.

Wie tegenwicht zoekt tegen feministische propaganda raad ik nogmaals het YouTubekanaal van Janice Fiamengo aan. Vandaag verscheen een korte video over de Lorena-docu:

 

Lorena is terug

Een man zit hopeloos onder de plak van zijn gewelddadige vrouw, beweert hij. Als zij een keer in diepe slaap is, snijdt hij haar schaamlippen af, die hij ergens langs een autoweg dumpt. Aanvankelijk beweert hij dat het allemaal is omdat zijn vrouw in bed een dildo prefereert boven hem, maar dat verhaal verandert hij later: ze is uiterst gewelddadig en dwingt hem op die manier tot seks. In de rechtszaal wordt hem deze wending in zijn getuigenis niet aangerekend. Bovendien heeft hij als in een roes gehandeld, zegt hij, dus kan zijn daad hem niet toegerekend worden. Hij toont geen enkel berouw, niet kort na het gebeuren, niet tijdens de rechtszaak, niet in de jaren daarna. Hij komt er zonder straf af. Buiten het gerechtsgebouw wordt hij moreel gesteund door in groten getale opgedaagde mannenrechtenactivisten. Van de broodjes van de hotdogs die daar verkocht worden zijn de randen afgesneden, om de verzetsdaad van de man te vieren. Allerwegen wordt het geval gnuivend ontvangen: smalende grappen over de vrouw, lachend maken mannen een knipgebaar als teken van strijdbare verbondenheid. De vrouw ondergaat een plastisch chirurgische operatie en ten bewijze van haar herwonnen seksualiteit treedt ze op in enkele pornofilms waarin haar vagina prominent in beeld verschijnt.

U herkent waarschijnlijk het beroemde verhaal van Lorena Bobbitt die in juni 1993 de penis van haar man afsneed. Voor elk element van bovenstaande spiegelversie is er een pendant in het werkelijke verhaal. Is uw weerzin tegen mijn variatie op het thema even groot? Bijvoorbeeld bij het knipgebaar? Of bij de hotdogbroodjes? Nee, groter, vermoed ik.

Al sinds de oertijd wordt er gevoellozer gereageerd op pijn en lijden van mannen dan op sores van vrouwen. Logisch: mannen moesten geschikt zijn voor jacht en noodtoestanden, voor verwonding en dood. In principe is dat nog steeds zo: alle 343 brandweerlieden die omkwamen op 9/11 waren mannen (al mag je ze geen firemen noemen, want dat is exclusief taalgebruik: firefighters is de politiek correcte benaming). Voor het voortbestaan van een familie of een volk heb je minder mannen nodig dan vrouwen. Vandaar de bescherming van de vrouw in alle samenlevingen: voor hen lopen de mannen wacht op de muren, overleggen over het beleid, komen in de vuurlinie. Men noemt dit “gynocentrisme”: het in het centrum stellen van vrouwelijke veiligheid en welbevinden. Een element hiervan is de zogenaamde “empathiekloof”: onze evolutionair gegroeide neiging meer mee te voelen met vrouwen dan met mannen.

Van die empathiekloof nog een ander voorbeeld. In 2014 ontvoerde Boko Haram in Nigeria 180 schoolmeisjes. Wereldwijd medeleven was het gevolg. Maar wat velen nog steeds niet weten: al eerder had Boko Haram scholen overvallen, honderden leerlingen gedood, eenmaal zelfs levend verbrand – en het waren allemaal jongens. Op een gemengde school werden de meisjes vrijgelaten, de jongens gedood. Omdat de terreurgroep zo niet de aandacht van de wereld kreeg, probeerde ze het eens met de ontvoering – niet het doden! – van meisjes en dat werkte wel. Zo deed Boko Haram zijn voordeel met de empathiekloof.

Het feminisme borduurt voort op deze patronen. Het eist al meer bescherming en bevoordeling van vrouwen en doet elk mannelijk protest smalend af als kleinzerigheid. Gynocentrisme en empathiekloof spelen een hoofdrol in de trend waarvan #metoo deel uitmaakt. Een valse beschuldiging van seksueel geweld richt dikwijls evenveel schade aan als een lijfelijke verkrachting, soms meer. Maar vrouwen komen er meestal makkelijk mee weg.

Terug naar Lorena Bobbitt. Want ze is zelf terug! Ditmaal als middelpunt van een documentaire over “haar kant van het verhaal”. Als niet alle tekenen bedriegen, wordt ze daarin gepresenteerd als poster child (publiek symbool) van de seksuele onderdrukking van vrouwen en de bittere noodzaak van #metoo.

Naar aanleiding hiervan bespreken in een lange-afstandsgesprek Janice Fiamengo (zie post van 26 januari), Paul Elam (A Voice for Men) en Tom Golden (auteur van o.a. The Way Men Heal) het echtpaar Bobbitt en de stuitende ontvangst die het verhaal ten deel viel. De geluids- en beeldkwaliteit is af en toe niet goed, vooral vanuit huize Fiamengo. Maar er komen een aantal interessante gedachten langs.

Janice Fiamengo onderstreept nog eens hoe anders alles zou zijn opgevat bij een omgekeerde rolverdeling (vanaf 7:00) – zoals ik dat hierboven deed.

Het gynocentrisme – onderstreept vooral Tom Golden met de beelden van een algemene inenting en van de Möbiusband – zit ongelooflijk diep. Maar dan overvalt je toch opeens het cynisme waarmee John Bobbitt werd bejegend, de grappen over zijn afgesneden penis – ook van de kant van mannen (hierover Paul Elam vanaf 12:15).

Volgens berichten heeft Lorena Bobbitt een bijzonder laag IQ en ook John heeft kennelijk het zwarte garen niet uitgevonden. Onderzoek wijst op een correlatie tussen IQ en geweld: hoe lager het IQ, des te groter de kans op geweld in conflictsituaties (vanaf 22:20). Dat is (draag ik zelf bij aan het gesprek) een element van de verklaring waarom er in het algemeen meer strafbaar geweld wordt gepleegd door mannen dan door vrouwen: gemiddeld is er geen verschil in intelligentie tussen de beide seksen, maar zowel in de top (geniale begaafdheid) als aan de onderkant van de statistieken (problematische intellectuele armoede) zijn mannen oververtegenwoordigd. Het is natuurlijk maar één factor en de gewelddadige impuls van vrouwen wordt zeker algemeen onderschat, alleen al in de sfeer van huiselijk geweld. Maar interessant is het.

Is het extra ontzien van vrouwen, tot en met de krankzinnige toegeeflijkheid tegenover een zieke geest als Lorena Bobbitt, geheel terug te voeren op culturele conditionering? Golden vertelt (vanaf 27:00) van een onderzoek waarover hij heeft gelezen. Men ving tranen van vrouwen op en bewaarde ze (vgl. Psalm 56:9) om ze vervolgens bij mannen op de bovenlip te smeren. Daarop volgde bij die mannen een daling van het testosterongehalte. Het kan dus heel goed zijn dat het in zo’n beetje elke cultuur aanwijsbare gynocentrisme een belangrijke chemische component heeft (vgl. de rol van feromonen bij seksuele aantrekking): geuren die een beschermend instinct wakker roepen. Dat instinct – zo verbind ik de punten – zal niet alleen onmiddellijk werken, maar ook tot een geconditioneerde reflex worden in de loop van de socialisatie. Het lijkt een belangrijk spoor van onderzoek.

Conservatief worden in Amerika

Jong Amerika schuift naar links. Zelfs “socialisme” is voor velen geen vies woord meer. Een minderheid in alle generaties echter schaamt zich juist steeds minder voor het etiket “conservatief”. In dit proces van polarisatie zijn beide polen even interessant, maar voor de trek naar rechts hebben we in Europa wellicht minder begrip. Wie hier alles op de noemer brengt van “een wereldwijde tendens naar nationalisme” slaat in elk geval de plank behoorlijk mis.

Onder mijn post van gisteren stond een link naar een PragerU-filmpje van Stephen Harper, de oud-premier van Canada. Hij pleit daarin voor “populistisch conservatisme”. Dat houdt in: niet vervallen in pure reactie tegen globalisering en alles wat door die locomotief getrokken wordt; maar wel je beleid afstemmen op de somewheres, d.w.z. de mensen die niet vandaag in Londen aan hun latte lurken en volgende maand in Singapore (de anywheres), maar die diep verbonden zijn met de plaats waar zij wonen en met de gemeenschap die hen daar draagt – en die gebukt gaan onder het verval van dat alles. Het zijn de mensen waar economische en politieke elites hun schouders over ophaalden voordat Trump op het toneel verscheen; die als een domme en potentieel gewelddadige kudde werden afgeschilderd tijdens zijn verkiezingscampagne; en die nu in de media in het gunstigste geval ten tonele worden gevoerd als misschien wat zielig, maar toch vooral misleid en nog altijd niet in staat hun eigen situatie te begrijpen. Het woord “populistisch” is voor Stephen Harper niet alleen een geuzennaam: je kunt het woord immers ook afleiden van people, de mensen die je serieus wilt nemen. En, besluit hij, al is de toevoeging “populistisch” dan zinvol in het huidige politiek klimaat, eigenlijk gaat het gewoon om conservatisme.

Stephen Harper was altijd al conservatief. Maar velen die in de VS en Canada tot het conservatieve kamp gerekend worden, ook zichzelf zo benoemen, zijn van progressieve herkomst. Vaak noemden ze zich voorheen liberal, toen dat woord nog stond voor “leven en laten leven”. Maar liberal, progressive en left zijn sindsdien samengevloeid tot één betekeniscomplex: in dat kamp sta je altijd klaar om een ander te betichten van racisme, vrouwenhaat, homohaat en wat dies meer zij; heb je iemand eenmaal zo’n stempel gegeven, dan moet je zoveel mogelijk voorkomen dat hij of zij in het openbaar kan spreken of via nieuwe media een publiek bereiken; daarnaast ben je pro-choice, d.w.z. dat het abortusprobleem voor jou louter draait om de beschikking van een vrouw over haar eigen lichaam (eventueel tot pal voor de geboorte); je bepleit ver gaande inkomensoverdracht via de belastingen; je twijfelt niet aan eenvoudige verklaringen en even eenvoudige positieve beïnvloeding van klimaatfenomenen; en je stemt uiteraard links – op Justin Trudeau in Canada, op de Democraten in de VS. Geconfronteerd met deze betekenisverschuiving willen velen niet meer liberal of “links” heten, ook als ze sommige van hun oude standpunten niet hebben opgegeven. Vooral de eerste twee kenmerken die ik noemde, identiteitsdenken en belemmering van de uitingsvrijheid, maken dat ze zich distantiëren van hun vroegere geestverwanten. Dan maar “conservatief”, als dat de mentaliteit is geworden van “leven en laten leven”.

Helder wordt het allemaal uitgelegd door Dave Rubin. In zijn interviewserie The Rubin Report op YouTube krijgen zijn gasten echt de tijd en de psychologische ruimte om te zeggen waar ze voor staan. Maar in dit PragerU-filmpje spreekt hij kort en krachtig voor zichzelf:

Ook bij het lezen van Ship of Fools (2018) van Fox-commentator Tucker Carlson of van Righteous Indignation (2012) van wijlen Andrew Breitbart valt op dat de auteurs qua mentaliteit veel dichter staan bij een Nederlandse progressief van een paar decennia geleden dan je dacht toen je hoorde gewagen van “de conservatieve nieuwszender Fox” of “de alt-right Breitbart-nieuwssite” (je hoort trouwens zelden of nooit van “het linkse CNN” of “de Trump-vijandige Washington Post”, terwijl zulke kwalificaties beslist op hun plaats zijn).

Nogmaals: het is vooral de intolerantie van hen die claimen de tolerantie in pacht te hebben waardoor kritisch denkende mensen zich niet meer thuis voelen in de linkse sferen waaruit ze afkomstig zijn. Die bieden steeds minder (in de klassieke zin “liberale”) ruimte voor een diversiteit aan opinies en levensvisies. Ook hierover is Dave Rubin duidelijk:

Kidnapped

Ik was achttien toen ik, waarschijnlijk in Hull (dat weet ik niet meer), in de trein stapte die mij naar de Schotse Hooglanden zou brengen. Bij het behalen van mijn gymnasiumdiploma hadden mijn ouders mij een aanzienlijk geldbedrag geschonken en een reis naar het eind van de wereld leek mij daarvan wel een goede besteding. Kyle of Lochalsh, in het verre westen van het land was mijn eerste bestemming, daarna zou ik naar Drumnadrochit aan Loch Ness gaan. Er zat iets van escapisme in: weg van de verstikkend vol groeiende moderne wereld. En een zekere troosteloosheid en ongastvrijheid van het landschap leek mij ook wel wat: dat zou mooi harmoniëren met mijn pessimistische kijk op de wereld, het leven en mijzelf.

In de trein raakte ik aan de praat met een andere Nederlander, een oudere heer. Het ging over de Hooglanden, Bonnie Prince Charlie en Walter Scott – in die tijd voor een VWO-klant geen buitenissige onderwerpen. Mijn reisgenoot sprak lovend over de roman Kidnapped van Robert Louis Stevenson.

Ik onthield het gesprek in de trein en de titel, maar jarenlang bleef het daarbij. Zelfs toen ik het boek eenmaal bij De Slegte was tegengekomen en had gekocht, kwam het alleen maar stil op de boekenplank te staan. Enkel bij het in- en uitpakken rond verhuizingen ging het door mijn vingers.

Zo gaat dat soms. Ik heb geen bucket list, zo’n lijst van alle dingen die je van jezelf nog moet doen voor Magere Hein toeslaat. In plaats daarvan wacht mij een behoorlijk aantal nog ongelezen boeken: evenzovele beloften aan mijzelf, arrows of desire zo u wilt. Kidnapped was er jarenlang een van, maar onlangs heb ik hem dan toch ter hand genomen – en vrijwel in één ruk uitgelezen.

Stevenson is een meesterverteller. Avontuur en spanning in overvloed, wie Engels leest moet het zichzelf maar eens gunnen. Hier wil ik alleen een paar dingen vermelden die mij opvielen en die een zekere actualiteit hebben.

De hoofdpersoon van het in 1751 in Schotland spelende verhaal, de jonge David Balfour, wordt ontvoerd (vandaar de titel) en meegenomen op een schip naar de Engelse koloniën in Amerika. De kapitein wil hem daar als slaaf verkopen. Goed om dat te beseffen: er heeft veel slavernij van blanken bestaan, niet alleen in moslim-landen, niet alleen in diverse vormen in het Europa van de Middeleeuwen, maar ook in de Europese koloniën van de moderne tijd. Vooral Ieren werden in de zeventiende eeuw in groten getale als slaaf over de Oceaan gevoerd. (Een boek hierover is White Cargo. The Forgotten History of Britain’s White Slaves in America [2008] van Don Jordan en Michael Walsh.) Denk nog eens aan wat de katholieke blanke jongens van Covington High School werd toegeroepen door zwarte sekteleden (zie mijn post van 23 januari): “Jullie opleiding en de hypotheken van jullie ouders worden betaald met het bloedvergieten van de slavernij.” Los van de onzinnigheid van zulke verbanden en zulke verwijten: onder de voorouders van leerlingen op Covington High School konden er heel wel zijn die in boeien naar Amerika kwamen.

In Stevensons verhaal maakt David Balfour kennis met een historische figuur: Alan Breck Stewart. Samen moeten ze een strijd op leven en dood leveren met een vijandige scheepsbemanning en samen moeten ze later ontkomen uit de Hooglanden als ze daar (ten onrechte) verdacht worden van de moord op een vertegenwoordiger van het Engelse gezag. Alan Breck is een geweldige vechtersbaas, een meester in de kunst van het overleven op de grens van de bewoonde wereld (hij zou goed een metgezel kunnen zijn van die andere David die moest vluchten), trots en ijdel, gauw beledigd en dan naar zijn zwaard grijpend, bereid zichzelf in een ballade te bezingen. Het zijn een paar van de eigenschappen die Schotten en anderen meenamen uit het grensgebied van de Engelse beschaving naar het zuiden van de Verenigde Staten en die hun daar de verachtelijke naam van crackers opleverden (zie mijn post van 24 januari over “Zwarte rednecks”).

Alan Breck hoort bij een wereld die verdwijnt. Enkele jaren eerder, in 1745, heeft Bonnie Prince Charlie een vergeefse poging gedaan de Engelse troon vanuit Schotland te heroveren voor de in ballingschap levende Stuarts. De Schotse clans konden in die strijd hun trotse afkeer van de Engelse beschaving uitleven. Maar ze verloren. Hun ruige leven en hun laatste strijd werden in de volgende eeuw een onderwerp voor romans als van Walter Scott en Robert Louis Stevenson – en vervolgens werd het allemaal de folklore van kilts en tartans. Het knappe van Stevenson is dat hij de figuur van Breck met sympathie schildert zonder het Schotse verleden kinderlijk te verheerlijken. Hij bereikt dat onder meer door de blik van David Balfour te gebruiken. De tiener is door heel het verhaal heen harde lessen aan het leren over mensen en het leven. In de leergierige onbevangenheid waarmee hij naar Breck kijkt krijgen zowel zijn scepsis als zijn bewondering de ruimte. Zelf heeft hij het leven nog voor zich liggen: het Schotse verleden zal hem nooit gevangennemen.

Ja, Alan Breck is het soort man waar feministen hun notie van toxic masculinity op baseren. Maar op zijn plaats en in zijn tijd is hij ook precies het soort man dat David Balfour nodig heeft. Zonder zijn vechtkunst waren Davids leven en daarmee het verhaal van Stevenson in de knop gebroken. Zijn uithoudingsvermogen, zijn kunst om onzichtbaar te blijven ook in een open landschap, zijn waaghalzerij soms – dat alles sleept David erdoor. Zijn ruige levensstijl past bij een ruige omgeving, die omgeving maakt mannen als hij mogelijk en noodzakelijk. Stevensons briljant vertelde verhaal maakt dingen zichtbaar waar het steriele getheoretiseer van feministen geen weet van heeft.

Met name blijft Stevenson mensen in een periode van culturele overgang – in de achttiende eeuw trok Schotland een beschavingsspurt: het werd het eerste land met schoolplicht – primair zien als karakters, als personen en niet als illustratie van een of andere “historische noodzaak”. Ja, Schotland moest de moderne tijd binnengaan – maar daarom hoeven we de Alan Brecks van die wereld nog niet aan de verachting prijs te geven. In onze tijd van globalisering gebeurt dat juist wel met wie niet meekomt en ook niet meewil met de beweerde historische noodzaak: zo iemand heet een clinger (Obama), een deplorable (Clinton) en wie zich er verwant mee voelt mag je in de VS zonder repercussies een cracker noemen.

Het is misschien geen toeval dat ik juist dezer dagen, vijfenveertig jaar na het gesprek in de trein, Kidnapped ben gaan lezen.

Over de huidige cultuurovergang en de clingers en deplorables:

Het testosteronplafond

Toen ik op de ochtend van 9 november 2016 de NOS-site bezocht was ik uitermate verrast: Donald Trump had het hem geflikt! Niet dat ik het hem gunde, pas later zou de gunfactor toenemen. Ook toen al was ik echter niet onder de indruk van het verhaal “De jaren dertig keren terug! We beleven een opmars van sterke mannen! Trump is er een van! Democraten, antiracisten en antiseksisten, verenigt u!” Maar ik vond the Donald gewoon een rare snuiter die niet in het Witte Huis thuishoorde. Had ik in de VS gewoond, dan had ik waarschijnlijk tandenknarsend op Hillary gestemd, zo meende ik toen. Inmiddels weet ik meer van mevrouw Clinton en is mijn antipathie jegens haar dermate toegenomen dat ik het dilemma van miljoenen Amerikanen op die achtste november 2016 beter kan navoelen: moeten kiezen tussen twee onmogelijke kandidaten.

Echt blij met Hillary’s nederlaag (niet per se met Trumps overwinning) werd ik kort daarna. Ik las het bericht over een feestelijk moment dat was voorzien voor na haar onontkoombaar geachte triomf: in de hal waar zij haar speech zou houden zouden duizenden plastic snippers van het plafond neerdalen op de enthousiaste menigte, symbool van het doorbroken “glazen plafond”. Het was mij opeens een troost dat Hillary Clinton het Witte Huis niet gehaald had.

Ik schreef het gisteren al: in de identiteitspolitiek (waar ook Clinton haar kracht in had gezocht) speelt het feminisme de hoofdrol. De notie “glazen plafond” – meestal zonder aanhalingstekens gebruikt, als betrof het een objectief gegeven – vertegenwoordigt de diepe onwaarachtigheid die het hele feminisme doortrekt. Het begrip suggereert dat er geen zichtbare, rationele verklaring is voor het gegeven dat vrouwen in bepaalde sectoren van de maatschappij slechts in beperkte mate doordringen tot hogere, machtiger, meer status verlenende en beter betalende posities. Bij ontstentenis van zo’n verklaring blijft er maar één conclusie mogelijk, zo gaat men dan verder: vrouwen worden achtergesteld puur op grond van seksistische vooroordelen.

Er is echter wel degelijk een reeks factoren aan te wijzen die het fenomeen verklaren en die erop neerkomen dat mannen gewoon anders in elkaar zitten dan vrouwen. Ik noem een paar dingen, die onderling verband houden. Mannen zijn door de bank genomen meer competitief in de publieke sfeer. Ze zijn vaker bereid vrijwel zonder ophouden te werken aan de opbouw van iets of aan hun eigen loopbaan. Moeten ze zich persoonlijk meten met anderen, dan worden ze daarbij geholpen door hun mannelijke hormoonspiegel.

Ik kan verder gaan, maar deze paar factoren volstaan als draagvlak voor de stelling: het glazen plafond is helemaal niet van glas, is niet doorzichtig. Er is wel een plafond, maar men maakt dat doorzichtig door allerlei mogelijke verklaringen systematisch buiten beschouwing te laten. Laten we de factoren die beloven tot echt inzicht te leiden samenvatten in de term “testosteronplafond”. Dat is natuurlijk kort door de bocht: het verwijst naar de wetenschap, maar het pretendeert niet de bevindingen van neurologie, endocrinologie, persoonlijkheidsonderzoek enzovoorts in één term samen te vatten. De verwijzing is evenwel zinvol: het inzicht in structurele verschillen tussen mannen en vrouwen neemt in de genoemde wetenschappen alleen maar toe.

Voor wie even nadenkt brengen de paar genoemde factoren nog iets anders aan het licht. Ze verklaren niet alleen waarom vrouwen (althans zonder bevoordeling op grond van hun sekse) moeilijker bepaalde topfuncties bereiken. Ze verklaren ook waarom niet alle mannen die dat willen erin slagen en waarom niet alle mannen het nastreven. Immers, we hebben het over statistische verschillen tussen mannen en vrouwen. Dat zijn tevens statistische verschillen tussen mannen onderling. Niet alle mannen beschikken in gelijke mate over het pakketje eigenschappen waarmee je een directiezetel ambieert, er een serieuze kandidaat voor bent of dat doel ook daadwerkelijk bereikt. Tegen het testosteronplafond stoten mannen even hard hun hoofd als vrouwen – en meer mannen dan vrouwen – en mannen al veel langer dan vrouwen.

Moeten we de mannen die het niet of net niet redden tot op de power floors beklagen? Ach nee, ze kiezen zelf voor deze weg. De meeste mannen verdelen hun krachten over andere aspecten van het leven, vinden daar ook voor hun competitieve behoeften uitlaten. Gevolg: ze stoten hun hoofd niet. Wel past de kanttekening dat een mooie carrière en status de kansen van een man op de markt van seks en huwelijk verhogen. Voor veel vrouwen – niet in de laatste plaats feministische – maken de eigenschappen die tot status en een goed inkomen leiden iemand begeerlijk als partner. Mannen hebben in zoverre meer reden om competitief te zijn dan vrouwen. Vrouwen die zogenaamde “topfuncties” ambiëren hebben veelal een ander type motivatie: ze lijken meer bezig aan een ideologisch ideaalbeeld te voldoen.

Niet alle mannen die wel zouden willen of die het ernstig proberen redden het tot aan de top – dat is nu zo, dat was in de tijd van onze grootouders zo en als niet alle tekenen bedriegen was het honderdduizend jaar geleden ook al zo. We zagen in 2016 een gedoodverfde vrouwelijke presidentskandidaat gepasseerd worden. Maar hoe vaak zal niet een gedoodverfde mannelijke kandidaat gepasseerd zijn als nieuw stamhoofd? Hoeveel mannen zijn niet teleurgesteld in hun hoop partner in een accountants- of advocatenfirma te worden? Hoeveel mannen zijn in de loop der eeuwen een professoraat misgelopen bij gebrek aan een voldoende effectieve elleboogslijper – of gewoon aan een gezonde competitieve instelling? Het testosteronplafond is een realiteit, maar één waar het feminisme moeilijk zijn voordeel mee kan doen. Gebruik je eenmaal deze andere term, dan komen er dingen in beeld die door de mythe van het “glazen plafond” juist onzichtbaar gemaakt worden.

Met een “testosteronplafond” kunnen feministen niet veel. Stel je voor dat je voortdurend je betoog moest beginnen met: “natuurlijk stoten hier sinds mensenheugenis vrijwel alleen mannen hun hoofd”. Dat verzwakt de indruk van al het volgende. En moet je nu gaan zeggen dat de bult op het hoofd van die mannen hun verdiende loon is, maar dat vrouwen die hun lot delen een groot onrecht wordt aangedaan? Misschien zou iemand er nog een draai aan willen geven met: “het feminisme vecht ook voor mannen die de top niet halen, zodat ook die alsnog in de directiekamer terechtkomen”. Laat wie het wil het vooral geloven.

Het zal u nu duidelijk zijn met welke intentie journalisten hardnekkig blijven spreken van “het glazen plafond” – en dan zonder aanhalingstekens. Een begrip dat bij uitstek ideologisch is, een deel van de werkelijkheid wil afdekken, wordt ons dag in dag uit gepresenteerd als ongeveer zo waardevrij als “bruto binnenlands product” of “tweetakt motor” – en dat moet ook: de mensen mochten er eens over gaan nadenken. Onder die mediadruk kun je je machteloos voelen. Maar soms breekt dan ineens de werkelijkheid door de verstikkende beelden. Amerika heeft in Hillary Clinton tenminste nog één keer de identiteitspolitiek afgestraft. Misschien voor het laatst in lange tijd, wie weet. Hoe dan ook, het verhaal van de plastic snippers die niet mochten neerdalen terwijl de verslagen kandidate zat te mokken op haar hotelkamer maakte in mij een gevoel wakker dat mannen en vrouwen even vertrouwd is: leedvermaak.

Gillette en onze ministers

In de cultuurstrijd is het feminisme het hart van de zaak. Het identiteitsdenken – waarbij mensen zichzelf of een ander in de eerste plaats beschouwen als vertegenwoordiger van een ras, etnische groep, “gender” of sekse en pas daarna, of helemaal niet, als individu – heeft zich vooral verbreid vanuit de vrouwenstudies. De andere “minderhedenstudies” zijn daarop gemodelleerd.

Een bepaalde feministische gedachte krijgt dezer dagen veel aandacht dankzij de inmiddels beruchte Gillettereclame van Kim Gehrig. Traditionele mannelijkheid zou de bron zijn van allerlei lelijks: pesten, seksuele intimidatie, geweld. Daartegenover brengt dan het feminisme een fris nieuw concept van mannelijkheid, heet het. Sommige mannen hebben het al omhelsd, maar het zijn er helaas nog te weinig: vrouwen, homo’s en zachtmoedige jongens blijven daardoor voorlopig opgejaagd wild.

Dit gedachtepatroon – “oude seksestereotypen zijn het probleem; het feminisme wijst de weg naar iets bevrijdend nieuws; vooral mannen moeten zich daardoor laten gezeggen” – vind je ook in de Emancipatienota van de minister van OCW (29 maart 2018, p. 8): “Geweld tegen vrouwen is niet zozeer een ‘vrouwenprobleem’; het grootste deel van de daders is man. Mannen moeten dus deel van de oplossing zijn.” Alles draait hier om het woordje “dus”. Het suggereert dat pas het daderschap van mannen geweld tot een probleem van ons allemaal maakt.

De traditionele visie is anders – en gezonder. Geweld inperken en bestrijden was daarin altijd al een zaak van mannen en vrouwen samen, met als belangrijkste instrumenten: wetgeving, wetshandhaving, opvoeding, psychiatrische behandeling, psychologische hulp, ingrijpen bij incidenten. Het geslacht van de daders was en is in deze visie een factor, maar niet het allesbeheersende gezichtspunt. Vanwege verschillen in lichaamskracht en driftleven wordt bij jongens extra aandacht gegeven aan zelfbeheersing en ridderlijkheid. Ook worden mannen geacht meer te kunnen en willen incasseren. Maar ieder mens moet leren zich te beteugelen, ook een vrouw. Dat dat gebeurt is vanouds iets waar beide seksen zich verantwoordelijk voor voelen. Mannen zetten daarbij tegenover jongens en mannen vaker hun lichamelijke kracht in en een vorm van gezag die leunt op de vaderrol. Vrouwen oefenen dikwijls een meer moederlijk gezag uit en in hun hand is het wapen van de beschaming bijzonder krachtig. De maatschappelijke opvatting is nooit geweest dat geweld tegen vrouwen een vrouwenprobleem is, waar mannen buiten staan voor zover ze geen dader zijn. De Emancipatienota verspreidt hier een feministisch fabeltje.

Dat er meer ernstig lichamelijk geweld gepleegd wordt door mannen dan door vrouwen heeft niemand ooit ontkend die een beetje bij zijn verstand was. Wat men echter voorheen niet deed: dit geweld voorstellen als uitvloeisel van de algemene man-vrouw-verhoudingen en van een heersende norm van mannelijkheid. Allicht niet, want bij de definitie van mannelijkheid hoort al millennia lang: durf en lichamelijke kracht inzetten ter bescherming van het eigen gezin en van de wijdere gemeenschap daaromheen. Geweld gebruiken puur om je eigen ik door te zetten of uit sadisme is geen uitvloeisel van deze norm, maar juist een schending ervan.

Wat de Emancipatienota van mannen verlangt – zich inzetten tegen zuiver destructief geweld – is dus niets nieuws. Is het dan wel iets nieuws dat de minister verzwijgt dat ook onder de slachtoffers er meer mannen dan vrouwen zijn? Nee, want er bestaat vanouds al een “empathiekloof”: we tillen minder zwaar aan lijden van mannen dan van vrouwen. Begrijpelijk, want mannen moesten en moeten zich vaker lijfelijk in de strijd werpen tegen de ongastvrije natuur en andere bedreigingen van de gemeenschap. Kleinzerigheid helpt daarbij niet.

Wat wel nieuw is, tenminste als grondslag voor overheidsbeleid, is de dubbele suggestie dat mannen te weinig doen om destructief geweld van hun seksegenoten tegen te gaan en dat zulk geweld wel degelijk in het verlengde ligt van hun traditionele mentaliteit en manier van doen. Daarmee gebruikt mevrouw Van Engelshoven haar positie om het feministisch dogma te versterken.

Ze staat daarin in de regering niet alleen. Haar collega van VWC stelt in een Kamerbrief (30 maart 2018, p. 7), dat “uit cijfers blijkt dat partnergeweld vrouwen disproportioneel treft” (die cijfers komen uit een EU-rapport, waarop veel is aan te merken). Gegeven het wijdverbreide beeld dat geweld van vrouwen tegen mannelijke partners zeer uitzonderlijk is, is de stelling van de minister misleidend. Op elke drie vrouwen met letsel ten gevolge van partnergeweld zijn er een à twee mannelijke slachtoffers. Als je “beeldvorming” zo belangrijk vindt (Kamerbrief, p. 7), dan was dit een mooie kans geweest iets recht te zetten.

Hier speelt de eerder genoemde empathiekloof een rol, maar ook het feministisch streven belangrijke wetenschappelijke inzichten aangaande huiselijk geweld onzichtbaar te maken. Ik noem er een paar. Intiem partnergeweld in heterorelaties gaat in tenminste de helft van de gevallen uit van de vrouwelijke partner. Tweezijdig geweld is hier de grootste categorie (60 à 70% van de gevallen), met op de tweede plaats eenzijdig geweld van de vrouw tegen de man. Pas op de derde plaats komt eenzijdig geweld van de man tegen de vrouw. Het meest gewelddadige type relatie is trouwens de lesbische. (Zie over deze materie: Philip W. Cook, Abused Men, 2009.)

Er is alle reden de bril van “geweld tegen vrouwen” en “geweld van mannen” te vervangen door de traditionele lenzen, maar daarmee scherper te zien dan voorheen. Met meer oog voor mannelijke slachtoffers en voor vrouwelijke daders. En ook voor het beschadigende van beeldvorming als door de Gillettereclame en door onze politieke machthebbers. Niet het feminisme wijst ons de weg naar een niet “giftige” vorm van mannelijkheid, onze beschaving doet dat al sinds mensenheugenis. Stellen we het anders voor, dan doet die leugen niet alleen onze ouders en verdere voorouders groot onrecht. Het zijn vooral jongens die de dupe zullen worden van de feministische gedrags- en gedachtenpolitie. Zij zullen voelen hoe allerlei in hun spontane gedrag – je fysiek aan elkaar meten; met jongens onder elkaar spelen en spelregels ontwikkelen; situaties van leven en dood naspelen; moeders helikoptertoezicht ontvluchten – verdacht wordt gemaakt en verstikt. Crimestop heet dat mechanisme in Orwells “Nineteen Eighty-Four”. Het lijkt te zijn waar minister Van Engelshoven en anderen heen willen.

De Gillettecommercial:

En twee kritische commentaren. Van Janice Fiamengo en van Daisy Cousens:


De cultuurstrijd: motieven (1)

Wat beweegt toch Hollywoodsterren als Robert de Niro en Alyssa Milano om voor heel de wereld hun politieke correctheid en hun Trump-haat tentoon te spreiden? Die vraag naar persoonlijke motieven is nog interessanter dan wat ik gisteren schreef over de lange-termijn-strategie van de Democratische partij.

Maar je moet de vraag ook stellen ten aanzien van mensen die geen vervreemdend sterrenbestaan leiden en ten aanzien van andere aspecten van de politieke correctheid. Wat beweegt bij voorbeeld een man als Jos van der Schot om (Trouw, 23 januari jl.) feministische ideologische clichés te verspreiden over het “schadelijke” van “traditionele mannelijkheid”? Natuurlijk zijn motieven even belangrijk waar het gaat om een meer of minder strijdbare weerzin tégen politieke correctheid, zoals de mijne.

Er is zoveel over te zeggen, dat het niet bij één post zal blijven. Vandaag deel ik een paar gedachten mee die bij me opkwamen toen ik een tekst van Janice Fiamengo las. Kent u Janice Fiamengo niet? Dat wordt tijd. Haar YouTubekanaal:
https://www.youtube.com/channel/UCwu6ByzAWMRvZ3SXoGvaYtw
En een recent commentaar op de (door genoemde Jos van der Schot zeer gewaardeerde) Gillette-reclame :
https://www.youtube.com/watch?v=qFO4xvnv_DM&feature=

Vorig jaar publiceerde Fiamengo de tweede druk van een verzameling verhalen van mannen die in het feministische tijdperk opgroeiden (Sons of Feminism. Men Have Their Say. Introduced and Edited by Janice Fiamengo. Ottawa 2018 [2]). De opdracht van het boek luidt: “Voor alle onschuldige mannen die hebben geleden door feministisch beleid en de algemene misandrie van onze tijd.” Misandry is in Canada veel meer een ingeburgerd begrip dan hier, hetgeen iets zegt over de meer gevorderde discussie aldaar. Eveneens in 2018 verscheen het complement, waarin vrouwen vertellen waarom ze in het feministische klimaat opkomen voor mannen (Daughters of Feminism. Women Supporting Men’s Equality. Introduced and Edited by David Schackleton. Ottawa 2018).

In haar bijdrage aan het tweede boek (“A License to Hate”, p. 268-274) stelt Fiamengo zichzelf ten aanzien van haar jongere ik de vraag: “waarom aanvaardde ik de feministische mythe dat ik onderdrukt was, dat de maatschappij niet alleen seksistisch was maar actief misogyn, vrouwenhatend? Hoe kwam het dat ik, beginnend in graduate school [zeg maar: de masterfase van de universiteit, MS], de feministische theorie die ik las meteen overtuigend vond, en dat op een heftige, bedwelmende manier?” Verschillende mogelijke antwoorden zijn haar te oppervlakkig. Dat de late jaren ’80 het hoogtepunt vormden van extreme feministische theorievorming en dat haar docenten aan de universiteit daar nooit tegenin gingen, haar ook niet corrigeerden toen zij zelf een scriptie en dissertatie schreef en daarbij volledig bevangen bleef in deze denktrant – dat is allemaal waar. Maar het verklaart niet haar bereidheid alle eigen ervaringen die het paradigma weerspraken te ontkennen. Hoe kon zij het “slachtoffer van onderdrukking” spelen en bij herhaling tijdens optochten haar righteous fury uitschreeuwen, haar gerechtvaardigde en daarom rechtvaardige razende woede?

En dan komt er een heel belangwekkende passage. In het woord righteous ligt volgens Fiamengo de sleutel. Ze werd geen feministe, schrijft ze, omdat ze absoluut geloofde dat alle vrouwen onderdrukt werden in een patriarchale orde, “maar omdat ik wilde geloven dat ik een onschuldig slachtoffer was, verwikkeld in een dapper gevecht tegen onrecht. Dat geloof verschafte mij een geruststellende identiteit, een bron van macht en het gevoel een doel te hebben. Hoe fijn dat is, die prikkelende opwinding van een louterende woede: onderschat het nooit. In een samenleving waar in bijna al je fysieke behoeften is voorzien geeft het een diepe voldoening om met een elektriserende urgentie te geloven dat je begrepen bent in een overlevingsstrijd.” De auteur werkt dit nog verder uit, maar ik laat het even bij dit citaat. Herlees het vooral en laat het tot u doordringen.

Als je je afvraagt waarom Fiamengo zo helder is in haar analyses van de – in zijn strekking totalitaire – waanzin van het feminisme, dan ligt hier het antwoord: ze kijkt ook naar binnen. Ik moet denken aan wat Peter Ackroyd schreef over George Orwell: “Hij zag door alles heen omdat hij ook door zichzelf heen zag.” Als vanzelf komt ze van de persoonlijke op de culturele en historische dimensie: de ongekende bescherming die de moderne samenleving biedt tegen de hardheid van de natuur, tegen ziekte en schaarste. Zelfs tegenover het betrekkelijk recente verleden (denk aan de wereld van onze grootouders) is dat een groot verschil. Maar de culturele fase-overgang is al langer bezig en is wezenlijk als achtergrond voor de discussies over man-vrouw-verhoudingen, feminisme en mannenrechten. Dit besef speelt een belangrijke rol bij auteurs als Warren Farrell en Tim Goldich. De “samenleving waar in bijna al je fysieke behoeften is voorzien” vraagt om een nieuw doordenken van man-vrouw-verhoudingen. Dit trouwens niet in de laatste plaats omdat de fysieke infrastructuur van die samenleving op kritieke momenten altijd weer vraagt om de kracht, pioniersgeest, kundigheid, inzet en specifieke durf van mannen.

Wat in de aangehaalde passage staat over de vertroosting van zich te mogen zonnen in een mooie, zelfs edele persoonlijke identiteit verdient aparte aandacht. De geschetste nieuwe cultuurfase – de robotisering zal nog een intensivering betekenen – brengt nieuwe psychologische gegevens met zich mee: nieuwe problemen, nieuwe aberraties.

Er zit aan dat zich-rechtvaardig-voelen ook een theologische kant. In de afgelopen jaren heb ik enkele Latijnse teksten van Luther vertaald voor de wetenschappelijke uitgave van prof. Markus Matthias. Daarin gaat het veel over “rechtvaardiging”: hoe word je als mens rechtvaardig voor God, hoe kom je in de rechte verhouding tot hem te staan? en hoe blijf je in het goede spoor? Bij het antwoord op deze vragen speelden in vroomheid en theologie van de late Middeleeuwen “goede werken” een grote rol. Je moet daarbij denken aan herkenbaar vrome handelingen, zoals een bijdrage aan de bouw van een kerk of een bedevaart. Luther besefte dat hier iets heel erg wrong met de kern van de Bijbelse boodschap en hij sprak dat helder uit: het is van A tot Z God die het goed maakt met ons, niet wij met hem, zelfs niet met een heel klein eerste stapje. Het christelijk leven is daarom een geschenk en een veel meer spontane, minder pretentieuze, ook minder angstvallige zaak dan wat Luther om zich heen zag en wat door veel zielzorg nog gestimuleerd werd op de koop toe. Het verlangt niet dat je voortdurend kunt aanwijzen dat je aan de goede kant staat. Jezelf rechtvaardig voelen, liefst meer dan een ander, je aan dat gevoel bedrinken – het is natuurlijk allemaal in het protestantisme en bij Luther zelf ook voorgekomen. Maar in elk geval heeft hij omstreeks 1520 een centraal theologisch én psychologisch probleem in het volle licht gesteld. Er volgde een periode van verbreiding en intensivering van zulke Bijbelse beseffen. Ze nestelden zich nog sterker in de westerse beschaving – juist in die beschaving die heden ten dage zo graag als de bron van alle kwaad wordt aangewezen (“Hey hey, ho ho, western civ has got to go”). Het is geen toeval dat in onze tijd en in verband met de afkeer van al wat westers is het probleem van de zelfrechtvaardiging terugkomt. Schouderklopjes van een God zijn daarbij niet nodig, maar dat is minder belangrijk dan het lijkt. Het persoonlijke, overweldigende gevoel van rechtvaardig te zijn en gerechtvaardigd in een tomeloze woede heeft ook zonder die traditionele vorm een religieuze dimensie. Deze ligt in het streven naar wat Thomas Sowell noemt: kosmische gerechtigheid. (Voor Thomas Sowell, zie de post van 24 januari.)

Genoeg voor dit keer, misschien teveel om snel te verteren. Op allerlei elementen van het voorgaande hoop ik nog terug te komen. En zeker zal de naam van Janice Fiamengo daarbij regelmatig vallen.

De petjes van de Covington-jongens

Amerika is er nog mee bezig. Natuurlijk, Venezuela, de overheidssluiting en de strijd om de State of the Union beginnen de echo’s van Sandmann vs. Phillips (zie post van 23 januari) te overstemmen. Maar een deel van progressief Amerika kan zijn misstap nog niet erkennen. Sommigen graven zich een schuttersputje.

Eén variant op “en toch is het de schuld van Trump” krijgt veel aandacht: de jongens droegen MAGA-petjes, een bekend attribuut van Trump-aanhangers. Dat heeft op mij hetzelfde beangstigende effect, zei CNN-medewerkster Angela Rye, als de witte kap van de Ku Klux Klan. Actrice Alyssa Milano maakte die vergelijking al eerder en bleef erbij, in een commentaar op The Wrap: “Deze jongens, van een religieuze school, waren daar op een trip van de school om te protesteren tegen de rechten van een vrouw op reproductieve vrijheid. Sommige van die jongens droegen MAGA-petjes, een pet die synoniem geworden is met wit nationalisme en racisme. Sommigen maakten het gebaar van hakken met een tomahawk. Sommigen lachten. Toen ik die video zag, zag ik jongens die pronkten met hun entitlement en die hun toxic masculinity ten toon spreidden. Voor mij weerspiegelden ze het witte nationalisme en racisme waar die petjes op hun hoofd voor zijn komen te staan.” (Voor wie de opkomst van de identiteitsreligie niet gevolgd heeft: entitlement = de aanmatigende houding van wie denkt op van alles zomaar recht te hebben, met name als die persoon man en/of blank en/of hetero is; toxic masculinity = de gevaarlijk consequente vorm van traditionele mannelijkheid.)

Om te beginnen: was Obama nog president, dan zou niemand aanstoot nemen aan petjes met de tekst “Yes we can”. Dat op zich is al een aanwijzing dat je in de huidige VS veiliger liberal (= progressief) dan conservatief, Democraat dan Republikein kunt zijn.

Maar goed, Alyssa Milano formuleert (per ongeluk) zorgvuldig als ze spreekt van “het blanke nationalisme en racisme waar die petjes op hun hoofd voor zijn komen te staan“. Ze bedoelt het niet zo, maar inderdaad: de petjes hebben een betekenis gekregen door de definitiemacht van de tegenstanders van Trump. Echte white supremacists (= voorstanders van dominantie van het blanke ras) zijn er zeker in de VS, zoals er ook black supremacists zijn, Louis Farakhan is van het laatste een duidelijk voorbeeld. Maar onder de Trump-bewonderaars vormen racisten een kleine minderheid. Zeker zo verontrustend is wat er onder Democratische politici en kiezers leeft aan blankenhaat, mannenhaat en haat tegen de westerse beschaving.

Reeds vanaf 2000 bombardeerden Democraten en geestverwanten in de media de Bush-regering aanhoudend met het verwijt van “racisme”. Bush gaf daar noch als persoon noch met zijn beleid aanleiding toe, maar daar ging het niet om: beeldvorming was het doel. Dat was en is een belangrijk wapen om zwarte kiezers massaal binnen het Democratisch electoraat te houden. Dat onder Bush voor het eerst in de geschiedenis zwarte Amerikanen het land naar buiten toe vertegenwoordigden, met achtereenvolgens Colin Powell en Condoleezza Rice als minister van Buitenlandse zaken, het mocht niet helpen. Het beeld moest gevestigd worden: Republikeinen zijn openlijk of heimelijk racisten.

Vanaf 2016 is die campagne geïntensiveerd. Bij iedere handeling of uiting van de nieuwe president zoekt de pers naar een duiding als racisme (of islamofobie of vrouwenhaat of homofobie of transfobie – er is een heel ideologisch kretenapparaat ontwikkeld, maar “racisme” is de belangrijkste categorie, met “vrouwenhaat” als goede tweede). Noemt hij bij voorbeeld illegale immigratie een groot probleem (zoals tien jaar geleden prominente Democraten ook deden) en de toestanden aan de grens met Mexico een crisis (zoals indertijd Obama deed), dan is dat racisme: hij wil natuurlijk Amerika blank houden! Gebruikt hij intern over enkele rommelige Afrikaanse landen het soort stoere taal waar iemand als president Johnson bekend om stond? Racisme! Het gaat natuurlijk eigenlijk om de huidskleur van de inwoners…

Trump is af en toe klunzig. Een white supremacist, een echte dit keer, reed in augustus 2017 bij een akelig soort demonstratie (anti-zwart en antisemitisch) in Charlottesville op een groep voetgangers in en doodde daarbij de 32-jarige Heather Heyer. De hele dag al waren er, deels gewelddadige, confrontaties geweest tussen demonstranten en tegendemonstranten, terwijl een met geweren bewapende derde groep had gepretendeerd de orde te komen herstellen. In zijn eerste reactie betreurde de president uiteraard de dood van de vrouw, maar hij vermeed het ten aanzien van de onoverzichtelijke gebeurtenissen partij te kiezen. Begrijpelijk, als je weet hoezeer geweld en dreiging met geweld al sinds jaar en dag kenmerkend zijn voor bepaalde linkse activisten – ANTIFA heten ze: anti-fascisten – maar wijs was het niet. We wisten het al: in de genuanceerde benadering ligt niet Trumps kracht. Bij de verschillende betrokken groepen, zei hij, waren er goede mensen, maar was er ook verwerpelijk gedrag geweest. Een misser, die verontwaardiging wekte. Waarop Trump alsnog de pers bijeenriep en verklaarde: “Racisme is kwaadaardig; en wie in naam daarvan geweld bedrijven zijn misdadigers en schurken; dat omvat de KKK, neo-Nazis, white supremacists en andere haat-groepen.” Er is geen reden om aan te nemen dat hier ook maar één woord niet gemeend is.

De campagne om Republikeinen te doodverven als racisten dateert al van lang voor Trumps aantreden als president. Ze is deel van een electorale strategie en van de cultuurstrijd rondom de identiteitsideologie. Wat het eerste betreft: de Democraten moeten tot elke prijs de zwarte kiezer vasthouden en zoveel mogelijk hispanic immigranten het gevoel geven dat ze alleen onder een Democratische regering veilig zijn. Wat het identiteitsdenken betreft: het creëert zelf in de geesten de vijanden die het nodig heeft. Dat lukt verbazend goed: volgens een recent onderzoek is de meerderheid van de Democraten ervan overtuigd dat Republikeinen racisten zijn – nou ja, voor wat zo’n enquête waard is, om maar te zwijgen van de presentatie door journalisten. Maar toch, het succes van de campagne is onmiskenbaar.

Trumps populariteit en zijn overwinning in 2016 waren in hoge mate een reactie op dit alles. Conservatieve christenen, arbeiders in vervuilende industrieën of economisch neergaande gebieden, bewoners van de staten in het midden van het continent, jaar in jaar uit waren ze weggezet als bekrompen, fanatiek, naar het verleden gericht, vrouwenhaters dan wel vrouwelijke zelfhaters – en racisten natuurlijk: gevangen in angstige afweer van het paradijselijk veelkleurige, diverse Amerika dat eraan kwam. Het waren Hillary Clintons deplorables (“sneue types”), Obama’s clingers (“zich vastklampend” aan het verleden en aan hun wapens). Volgens Joe Biden maakten ze gemene zaak met the dregs of society (“de droesem van de maatschappij”). Het MAGA-petje was en is tegenover dit alles een symbool van herwonnen waardigheid.

Die waardigheid is het die hun niet wordt gegund – niet wordt gegund door de zelfverklaarde kosmopolieten in de grote steden aan de Oost- en de Westkust, niet door de multimiljonairs die de top van de twee partijen (en vooral van de Democratische) uitmaken, niet in de villa’s van Palo Alto waar Ms. Blasey Ford en haars gelijken wonen, niet in Hollywood, de habitat waarin Robert de Niro en Alyssa Milano gedijen. Vandaar dat die tieners met hun petje van Alyssa nog steeds de wind van voren krijgen – na alle haat en smerigheid die ze al te verduren hadden.

Dat de andere hoofdpersoon in het drama, Nathan Phillips, blijkt te hebben gelogen én over zijn Vietnam-veteraan zijn én over het verloop van de gebeurtenissen bij het Lincoln Memorial en dat hij bovendien op diezelfde vrijdag heeft getracht een rooms-katholieke eredienst te verstoren – het interesseert Alyssa en haar geloofsgenoten niet. Sterker nog, tot dit alles is Phillips gerechtigd: krachtens de mythe van “de edele wilde” en omdat we were all wounded at Wounded Knee. Deze blanco cheque zal Phillips zeker verzilveren. Grootmoedig als Winnetou, heeft hij zich al bereid verklaard leerlingen en docenten van Covington Catholic High School iets te komen leren over “diversiteit”. Hij hoeft niet op veel sarcasme te rekenen – niet bij Alyssa Milano, niet bij die Amerikaanse media waar Nederlandse journalisten veelal hun wijsheid uit putten. Als ik in de VS woonde, kocht ik nú een MAGA-petje.


Zwarte rednecks

In verband met blank en zwart racisme bestaat er nuttige kennis die weinig verbreid is. Omdat de racisme-kaart meer en meer troef is, geef ik hier iets door van zulke kennis. De titel van deze post verwijst naar mijn voornaamste bron, het opstel “Black Rednecks and White Liberals” in het gelijknamige boek uit 2005 van Thomas Sowell.

We zetten in bij een stukje taalgeschiedenis. In mijn relaas van het incident bij Lincoln Memorial kwam het scheldwoord “crackers” voor. Het is te vergelijken met “niggers”: een uiting van minachting voor mensen van een bepaald ras, in dit geval het blanke. Een verschil is dat tegenwoordig “niggers” in de VS zelfs in afkeurende zin niet volledig mag worden uitgesproken – men zegt dan netjes “the N-word” – terwijl “crackers” veel minder taboe is. Zo kon het door de leden van House of Israel tegen de jongens van Covington Catholic High School gebruikt worden zonder dat er in alle mediakabaal een haan naar kraaide.

De betekenis van het woord is in de loop van de tijd verschoven. Tegenwoordig wordt het (volgens de Urban Dictionary) veelal gebruikt voor alle blanken van Noord-Europese afkomst. Vroeger was de betekenis preciezer, zoals blijkt uit een brief, gedateerd 27 juni 1766, van Gavin Cochrane aan de Engelse graaf van Dartmouth: “Ik moet U, mijnheer, uitleggen wat er bedoeld wordt met crackers; een naam die ze gekregen hebben omdat het zulke geweldige opscheppers zijn; een wetteloos stelletje schelmen aan de grenzen van Virginia, Maryland, de Carolinas en Georgia, die vaak van verblijfplaats wisselen.” Later werd het: arme blanken, “poor white trash”, in het Zuid-Oosten van de VS.

“Crackers” gaat terug op een betekenis die het werkwoord “to crack” in Schotland had, nl. “opzichtig uiterlijk vertoon” – en daar hebben we twee interessante gegevens: een gedragskenmerk en een Schotse connectie. Ik zal ze beide toelichten.

De Amerikaanse kolonisten van de zeventiende en achttiende eeuw kwamen uit heel verschillende delen van Europa. In de zuidelijke koloniën waren velen afkomstig uit de noordelijke grensstreken van Engeland, de Schotse Hooglanden of Ulster. Het leven in hun land van herkomst was ruig. Pas in de achttiende eeuw volbracht met name Schotland een geweldige beschavingsinhaalslag. Maar de meeste emigranten vertrokken voor die tijd naar de Nieuwe Wereld en namen hun kleurrijke levensstijl mee. Daarbij hoorden: een grandioos eergevoel, zich uitend in grootspraak en vertoon van mannelijkheid; prikkelbaarheid, gemakkelijk leidend tot grote conflicten; een sterke neiging om zulke conflicten met (vaak extreem, wreed en dodelijk) geweld op te lossen; bewondering voor dit geweld bij zowel mannen als vrouwen; de keuze voor genot op korte termijn boven geleidelijke verbetering van het levenspeil door spaarzaamheid. In een relatief wetteloze wereld is dat allemaal te begrijpen, tot op zekere hoogte onvermijdelijk. In het nieuwe vaderland echter schudden immigranten van andere herkomst het hoofd over het contraproductieve van deze mentaliteit.

Alleen, je verandert diep zittende attitudes en waarden niet een-twee-drie. Kenmerkend voor veel blanken in het Zuiden – “crackers”, “rednecks” – bleven tot diep in de twintigste eeuw: een laks arbeidsethos, neiging tot geweld, verwaarlozing van onderwijs, seksuele promiscuïteit, niet vooruitkijken, dronkenschap, gebrek aan ondernemingszin, een roekeloze zucht naar opwinding, energieke muziek en dans en een emotionele, flamboyante stijl van religieuze retoriek. (Deze opsomming ontleend aan Thomas Sowell: “Black Rednecks and White Liberals” (2005), p. 6.) “Opzichtig uiterlijk vertoon”, die Schotse betekenis van “to crack”, is deel van het geschetste patroon. Je geeft je geld bij voorbeeld uit aan glimmende sieraden of dure kleren, liever dan te sparen voor de opleiding van je kinderen.

Als gezegd: in “het land van de ongekende mogelijkheden” was de hele mentaliteit contraproductief. Wet en orde waren hier meer gegarandeerd, de natuur niet schraal, maar men liet de eenvoudigste kansen liggen om een paar stapjes vooruit te komen. En zo werden “crackers” in het spraakgebruik vooral arme blanken.

Maar nu het punt waar het Thomas Sowell vooral om gaat. Het gedragspatroon van de “crackers” werd overgenomen door zwarte slaven. Voor hen waren de banden met hun stam wreed doorgesneden. Hun oude leven liet zich niet overplanten naar het nieuwe continent: het mocht niet, het zou niet eens kunnen, met het verstrijken van de tijd steeds minder. Als vanzelf werden daarom veel elementen overgenomen van de cultuur van die blanken met wie men te maken had. Vooral in de armen onder hen zal men iets van zichzelf herkend hebben, uiteraard zonder ooit het verschil tussen vrij en slaaf te kunnen vergeten. Zo werd de eerder genoemde reeks kenmerken van “rednecks” er ook een van zuidelijke zwarten. Vandaar “Black Rednecks” in de titel van Sowells boek. Vandaar ook, in oudere boeken, prenten en films clichés als van de zwarte die pronkt in een overdreven modieuze outfit of bij wie primitieve emoties de toon bepalen. Vandaar allerlei elementen in de zwarte ghettocultuur, die men – historisch onzinnig – verklaart tot Afrikaans erfgoed of in elk geval tot deel van de zwarte raciale identiteit. Het is een identitaire armoedeval, een excuus voor wat eeuwen geleden in de Schotse Hooglanden gewaardeerd werd als moed en trots, maar wat volgens de wetten van de Verenigde Staten niet zelden criminaliteit is – en zware ook.

Blanke progressieven (de “White Liberals” van Thomas Sowell) en zwarte leiders zien voor zichzelf brood in identiteitspolitiek. Als het even kan brengen ze alles op die noemer. Zo krijgen de minder bevoorrechte blanke Trump-aanhangers volhardend het stempel “racisten” opgedrukt, al hebben zij in de regel niets tegen mensen met een andere huidskleur: hun weerzin betreft de rechtvaardiging van agressie en voorkeursbehandeling met een beroep op de slavernij en de segregatie van vroeger. Men houdt zich doof voor die tegenwerping. Reflexmatig wordt het verband gelegd tussen de slavernij van ooit en de onleefbare zwarte binnensteden van thans. Hoe dat verband dan precies ligt blijft vaag. Is de slavernij kortweg “de oorzaak” van het feit dat 50 procent van de moorden in de VS wordt gepleegd door zwarten, terwijl die slechts 14% van de bevolking uitmaken? Meestal wijst men als tussen-oorzaak aan de armoede, die tot misdaad zou leiden. Los van de vraag waarom de meeste armen niet misdadig zijn: waar komt de stagnatie in armoede vandaan? Hier verklaren de inzichten van Sowell en zijn zegslieden niet alles, maar verhelderend zijn ze wel. In die helderheid zijn veel progressieven en zelfverklaarde zwarte leiders niet geïnteresseerd. Ze zouden dan immers moeten toegeven dat de mentaliteit die veel zwarten in de weg zit ook veel blanken uit het zuiden heeft gehinderd. En de subcultuur van zwarte jongeren in bepaalde binnensteden was dan niet langer een mooi ding dat door de blanke suprematie te weinig erkenning vindt en waaraan de liberal zijn tolerantie kan demonstreren, maar een obstakel voor een betere toekomst – zoals het gezond verstand al meteen oordeelde.

Zo vinden belangrijke argumenten tegen blank én zwart racisme niet hun weg naar het grote publiek. Ik noem er één. Zwarte immigranten uit Jamaica vinden van oudsher veel vaker de weg omhoog op het gebied van werk, inkomen en onderwijs dan zwarten die (onder andere namen) de cultuur der Southerners handhaven. De criminaliteitscijfers zijn er ook beduidend lager. Hetzelfde geldt voor zwarten die na de afschaffing van de slavernij onderwijs en een stuk opvoeding ontvingen door protestanten of katholieken uit de noordelijke staten. Met huidskleur en andere raskenmerken hebben armoede en criminaliteit onder zwarte jongeren dus kennelijk niets te maken. De “Zwarte studies” aan universiteiten versterken de mythe van een specifieke zwarte identiteit, maar onder de loep van onderzoekers als Sowell blijkt dat een kunstmatige constructie.

Het opstel van Thomas Sowell, ja, al zijn geschriften, kan ik niet genoeg aanbevelen. Gewapend met de inzichten die hij met ons deelt ontdek je nieuwe dimensies aan bij voorbeeld het recente incident bij Lincoln Memorial en de commotie daarover. De politieke retoriek uit het anti-Trump-kamp en uit de mond van Democratische aspiranten naar het presidentschap wekt misschien ook bij u een intuïtief onbehagen. Er is veel nuttige kennis verzameld die kan helpen die intuïtie uit te werken. Het werk van Thomas Sowell is een schatkamer van zulke kennis.

Voor een kennismaking met Thomas Sowell leent zich dit interview uit 2005:

Over het voorwoord bij “Black Rednecks and White Liberals” gaat het vanaf 37:18, over het begrip “black rednecks” vanaf 39:55.

 



Het incident bij Lincoln Memorial en het dagblad Trouw

Ik lees het dagblad Trouw. Daarnaast volg ik langs digitale weg het nieuws in de VS. Wat meldt Trouw dezer dagen over de VS? Op zaterdag 19 januari twee dingen. James Kennedy verheugt zich in zijn column dat er in de VS nog fatsoensnormen bestaan, ondanks Trump. Bas den Hond bericht vanuit Washington over de verdeeldheid die de Women’s March parten speelt. De volgende maandag is er van dezelfde correspondent een artikel over de gevolgen van de overheidssluiting voor ambtenaren. Op dinsdag vind ik niets, op woensdag een kort bericht over een uitspraak van het Hooggerechtshof onder de kop “Trump mag transgenders weren” (namelijk uit het leger). De column van Kennedy besluit met de wens dat Trump zelf eens aan fatsoensnormen gehouden wordt. De artikelen van Bas den Hond zijn relatief uitgebreid en geven achtergrondinformatie. Over de precieze strekking van de uitspraak van de hoogste Amerikaanse rechter word je uit het beknopte bericht niet wijzer (en mogelijk op een dwaalspoor gebracht).

Goed, dat is dus de oogst in Trouw. Wat ik mis is: de kwestie van de jongens van Covington Catholic High School en meneer Phillips. In de Amerikaanse kranten, bij CNN, Fox en andere zenders kon je er in de afgelopen dagen niet omheen.

Eerst de feiten, zoals die allengs boven water gekomen zijn. Afgelopen vrijdag, 18 januari, vond in Washington de massale March for Life plaats, een jaarlijkse anti-abortusbetoging. Leerlingen van de katholieke Covington Catholic High School in Kentucky (een jongensschool) namen daaraan deel. Velen van hen droegen rode MAGA-petjes. MAGA staat voor “Make America Great Again”, de verkiezingsleus uit 2016 van Donald Trump. Toen de jongens aan het eind van de middag bij het Lincoln Memorial wachtten op de bus die hen terug naar huis zou brengen, werden ze beschimpt door leden van de religieuze groepering House of Israel: mensen die zich beschouwen als nazaten van de verdwenen tien stammen van Israëls Noordrijk (in de jaren na 722 voor Christus deels gedeporteerd door de Assyriërs en historisch weldra uit beeld verdwenen). De groepering heeft overwegend zwarte leden. Hun voorman Chief Ephraim Israel nam bij de scheldkanonnade het voortouw: “Jullie zijn een stelletje flikkers, geboren uit incest.” Hij of een medestander riep: “Jullie college degrees (= de diploma’s van jullie toekomstige hogere opleiding) zijn betaald met het bloedvergieten van de slavernij.” Van “de huizen en de hypotheken van jullie ouders” zou hetzelfde gelden. “Crackers” wordt de jongens toegeroepen: een scheldwoord voor blanken met voorvaderen in onze streken. (Vroeger duidde men er minachtend arme blanken in het Zuiden mee aan.) De jongelui, kinderen deels (zeventien jaar en jonger), laten zich niet provoceren. Na enige tijd vragen en krijgen ze van hun begeleiders toestemming om hun “spirit chant” aan te heffen, om daarmee de racistische leuzen van de zwarten te overstemmen. Een “spirit chant” is een ritmisch gezang waarmee de sportteams en hun supporters van veel High Schools zichzelf en elkaar moed inzingen. Dan naderen enkele “native Americans” – vertaal het maar even met de oude term “indianen” – van de Omahastam, die in verband met een eigen evenement naar het Lincoln monument willen. De weg daarheen is vrij, maar zij zoeken de groep jongens op en begeven zich in het midden daarvan. Voorop gaat, slaande op een trom en in indiaanse trant zingend, Nathan Phillips, een Vietnamveteraan. In de groep, die zich nu het mikpunt voelt van twee provocerende groepen volwassenen, stelt hij zich op voor een van de jongens met een MAGA-petje. Die zeventienjarige knaap heet Nick Sandmann. Phillips blijft op de trommel slaan en zijn vocalise zingen. Nick gaat niet opzij, maar doet ook verder niets, behalve ongemakkelijk glimlachen – “grijnzen” zal het later in de media heten. De situatie blijft enige tijd onveranderd, maar de oproep om naar de bus te gaan en de terugreis te aanvaarden maakt er ten slotte een eind aan.

Een incident van niets. De meeste blaam treft nog de volwassenen: de zwarte racisten, Phillips en consorten, misschien de begeleiders van de jongens. Maar dat die laatsten niet ingrepen kan heel wel een bewijs zijn dat zij de zelfbeheersing van hun pupillen waardeerden, de effectiviteit daarvan wilden erkennen en de jongens de eer laten die hun toekwam.

Maar nu komt het. Diverse mensen hebben het gebeuren gefilmd en een fragment van een van de opnamen ging al gauw viraal. Het begon bij Instagram en daarna een nep-account op Twitter, waar het bijschrift bij het beeld van Nick Sandmann luidde: “deze MAGA-loser hinderde gnuivend een Native-American-betoger bij de inheemse-volkeren-mars.” U begrijpt de strekking: de edele wilde was vernederd en gehoond door blanke kolonisten, onder meer met de “spirit chant” als een respectloze persiflage van zijn indiaanse gezang – en dat bij het monument voor de president die de slavernij afschafte! – alles geïnspireerd natuurlijk door de haat zaaiende racist Trump…

De commentaren buitelden over elkaar heen. Behalve voor zijn man zijn – zijn gedrag zou een voorbeeld zijn van “toxic masculinity” (= de gevaarlijk consequente vorm van traditionele mannelijkheid) – moest Nick Sandmann zich ook schamen voor zijn huidskleur, zijn bewondering voor de president, zijn anti-abortusstandpunt en zijn geloof. Men zag trouwens aanvankelijk een op Nick lijkende medeleerling aan voor de boosdoener. Zo kregen deze Michael Hodge en zijn familie hun deel van de massale uitingen van haat, met onder meer de belofte dat de toekomst van de jongen kapotgemaakt zou worden. Maar die vergissing werd hersteld, zodat het nu vooral Nick Sandmann en zijn familie zijn, die nog lang met de naweeën te maken zullen hebben. Dit geheel naar de wensen van comédienne Kathy Griffin, die bij herhaling opriep tot “doxing”, het publiek maken van alle persoonsgegevens nodig om iemand lastig te vallen. (Kathy Griffin poseerde eens met het model van een afgehakt hoofd van Trump, dat ze bij de haren vasthield als na een executie. Stel je eens voor dat iemand zich dat met een Obama-kop had gepermitteerd… )

Een greep uit de tweets (ontleend aan de Ben Shapiro-show, aflevering 699):
Reza Azlan (CNN) over Nick Sandmann: “Zeg eens eerlijk: heb je ooit een gezicht gezien dat er zo om vroeg een dreun te krijgen?”
Howard Dean (voormalig hoofd van het bestuur van de Democratische Partij): “Voor mij is Covington Catholic High School een soort haatfabriek. Zouden we hem niet gewoon sluiten?”
Christopher Mathias (Huffington Post) zette het beeld van Nick Sandmann oog in oog met Nathan Philips naast een foto van blanke jongeren die, in een lunchroom in Birmingham in 1960, drank en ketchup gieten over zwarten.
Anne Helen Petersen (Buzzfeed) plaatste de foto van de jongen naast die van Brett Kavanaugh, wiens benoeming als nieuw (conservatief) lid van het Hooggerechtshof door linkse pers en Democraten met een karaktermoord van ongekende perversiteit afgelopen november niet kon worden verhinderd. Haar bijschrift: “Wat een vertrouwde aanblik. Natuurlijk, het is het witte patriarchaat – maar dat het zo vertrouwd is, zo banaal, dat verklaart voor een deel die instinctieve reactie. Niets spectaculairs: dit is het leven in Amerika.”
Een journalist van de New York Times retweette instemmend een tekst die in de “grijns” van de jongen las: “Ik hoef niet eens kwaad te worden of te dreigen. Mijn ‘white privilige’ (= alle onverdiende voorrechten verbonden aan het blank zijn) maakt dat jij voor mij niets betekent, je waardigheid niet, je hele bestaan niet”. Het zou gaan om “racisme, tot zijn kern teruggebracht, ‘bigotry’ (= fanatieke benepenheid) in excelsis”.

De leiding van de Covington Catholic High School en het bisdom schrokken zich dood, spraken publiekelijk hun afkeuring uit en kondigden maatregelen tegen de betrokken leerlingen aan. Ook Republikeinen met een afkeer van Trump stonden met hun oordeel en analyse klaar: dat kreeg je er nu van, van Trump! Nathan Phillips glorieerde intussen in de hem aangereikte slachtofferrol. Op een filmpje ziet men hem achter zijn bril een traan wegvegen (het was koud in Washington) en CNN liet hem zijn “hartverscheurende” verhaal doen, dat de aanvankelijke algemene indruk moest bevestigen. Hij was, vertelde hij, ingesloten en geïntimideerd door de jongens, die racistische leuzen riepen en “Bouw de muur”, eerst naar de leden van House of Israël, toen naar hem, toen hij poogde de jongens tot bezinning te brengen.

Aandoenlijk.

Maar weldra kwam de ommekeer. Er verschenen langere filmpjes op het internet, vanuit verschillende posities (en niet alleen over de schouder van Phillips, zoals het fragment waarmee alles begon). Daarmee stortte het oorspronkelijke verhaal in en viel de basis weg onder alle verontwaardigde commentaren over die vreselijke, die katholieke, die blanke, die anti-abortus gezinde, die onverdraaglijk arrogante jongens, die je (zoals Disneyproducer Jack Morissey had gewenst) “met hun hoofd voorop in de houtversnipperaar zou moeten gooien”. Anti-Trump-media, Trump-dat-nooit-Republikeinen, tweederangs actrice Alyssa Milano (“de MAGA-pet is de nieuwe witte KuKluxKlan-kap”), ze stonden allemaal voor de keus: zich verontschuldigen of niet. Sommigen deden het, een enkeling ging zonder meer door het stof. Anderen verwijderden stilzwijgend hun tweets, weer anderen zochten en vonden een weg naar “en toch is het de schuld van Trump”.

Hoe kon het zo ver komen? In de analyses was er aandacht voor het tempo en de lynch-mentaliteit op sociale media, alsmede de hijgerigheid van de traditionele media in hun verlangen mee te komen in die vaart. Conservatief commentator Ben Shapiro zag in het hele opgeklopte verhaal een poging de aandacht van het grote publiek af te leiden van de toch al praktisch doodgezwegen March for Life. Een andere conservatief, Victor Davis Hanson, wees op het denken in stereotypen: de onderdrukkende blanke man, de onderdrukte indianen, zwarten, vrouwen, homo’s, transgenders enz. enz. De persoon gaat daarbij schuil achter de categorie, gedefinieerd door bij voorbeeld huidskleur of sekse. Daar ligt volgens mij inderdaad het probleem. In de reactie op deze sfeer ligt ook een belangrijk deel van de aantrekkingskracht van Trump. Niet hij is de bron van deze tribale mentaliteit, maar universiteiten, media, een groot deel van de Democratische Partij en niet in de laatste plaats de vorige president.

Terug naar het zwijgen van Trouw. Over het beschreven haat zaaien, de beschamende afgang en de betrekkelijke onboetvaardigheid van de progressieve media in de VS lezen we daar niets. Hoe kan dat? Laat ik geen bewust boos opzet veronderstellen. Maar vaststaat dat het zwijgen over bepaalde zaken een van de manieren is waarop journalisten de beeldvorming bij het publiek feitelijk beïnvloeden. De problematiek van het identiteitsdenken dat progressief Amerika in zijn greep heeft en waar de Democratische Partij in de komende jaren electoraal op lijkt te blijven bouwen komt in Trouw niet scherp in beeld. Er kon op de redactie wel eens een stilzwijgende, nooit kritisch bekeken consensus bestaan om precies dat problematische niet te thematiseren. Men wil immers zo graag laten zien dat men weliswaar nog (half en half) christelijk is, maar heus niet conservatief, juist heel sociaal en in de voorhoede van culturele verandering. Dat zelfbeeld mag niet verstoord worden. Waartoe deze onwil tot zelfkritiek ten slotte leidt, dat kon je in de afgelopen dagen in Amerika weer eens zien.