Vandaag twee thema’s: abortuswetgeving en partnergeweld. Ze worden verbonden door uitgelichte iconische bouwwerken en het gynocentrisme waarover het gisteren ook ging.
Onlangs tekende de gouverneur van de staat New York, Andrew Cuomo, een wet die abortus legaal maakt tot in het derde trimester, dus tot aan een voldragen zwangerschap. Zoals te verwachten, vrezen voorstanders geen kwalijke praktijken. Een zo dramatische beslissing als tot een late abortus zal nooit lichtvaardig genomen worden, veronderstelt men. En zulke complexe en delicate situaties laten zich niet in precieze wetsbepalingen vangen: de autonomie van de vrouw en de met haar overleggende artsen moet optimaal gegarandeerd zijn. Tegenstanders stellen vragen bij het criterium “gevaar voor de gezondheid van de moeder”: hoe ernstig gevaar? ook geestelijke gezondheid? wat valt daar allemaal onder?
Hoe je ook over deze wetgeving denkt – en ze gaat in een aantal opzichten verder dan het geldende Nederlandse recht – op zijn minst bevreemdend is het geweldige enthousiasme waarmee de New Yorkse senatoren hun eigen besluit beklonken: bij de ondertekening door Cuomo werd er luid en langdurig geapplaudisseerd, met veel stralende gezichten, echt een feestelijk moment. Dat past niet goed bij het onderwerp, zou je zeggen. Maar dat is het ‘m nu juist. Wat was het onderwerp van het tekenmoment: wetgeving over een hoe dan ook gruwelijke zaak of het goede gevoel dat de aanwezigen over zichzelf hadden? Zijzelf zouden nog iets anders zeggen: het is een geweldige stap in de verovering van rechten voor de vrouw. Voor velen is dat niet alleen het beheersende, maar praktisch het enige gezichtspunt in de discussies rond abortus.
Op 22 januari (de verjaardag van Roe vs Wade, de beslissing van het Hooggerechtshof uit 1973 om de restricties op abortus in bepaalde staten ongrondwettelijk te verklaren) werd het One World Trade Center in New York roze uitgelicht om de nieuwe wetgeving te vieren. Gaat dat niet heel erg ver? Niet als jouw progressiviteit niet enkel een standpunt onder andere standpunten is, maar een vorm van morele pioniersgeest of een soort publieke religie.
Zulk uitlichten als in New York gebeurt vaker. Na aanslagen in Parijs kleurden er rond de hele wereld bouwwerken met een symbolische status rood wit en blauw. “Samen sterk staan tegen geweld en ander onrecht, solidair zijn met slachtoffers” – dat lijkt de gedachte. In het New Yorkse geval zouden de slachtoffers dan zijn: vrouwen die geen abortus mogen laten plegen. Afgelopen november werden in Rotterdam de Erasmusbrug, de Euromast en de Hofpleinfontein in oranje licht gezet om aandacht te vragen voor geweld tegen vrouwen. Wat de beide stadsbesturen verbindt, is de gedachte dat vrouwen vanouds onderdrukt worden en daardoor straffeloos aangetast in hun lichamelijke en geestelijke integriteit, een historisch onrecht waartegen mannen als Cuomo en Aboutaleb opstaan, zij aan zij met hun strijdbare zusters. Die visie mag er zijn en haar plaats opeisen in de discussies. Maar ook op de eenzijdigheid ervan mag gewezen worden. Zorg om het lot van een volgroeide menselijke vrucht is geen vrouwvijandigheid en de dood van zulke kinderen geen reden voor een feestje. En ook tegen de flinkheid van het Rotterdamse stadsbestuur zijn heel redelijke bezwaren in te brengen.
Laten we de Amerikaanse abortusdiscussie aan de Amerikanen overlaten en ons beperken tot de sentimenten aan de Maas. Ik ben tegen geweld tegen vrouwen. Daar zitten Aboutaleb en ik op één lijn. Maar ik heb ook een grote hekel aan geweld tegen mannen. Niet dat ik deze tweede soort erger vind dan de eerste. Ook als bestuurlijk probleem weegt geweld tegen mannen wat mij betreft niet zwaarder, al komt het vaker voor. Nee, beide categorieën zijn even ernstig, dat lijkt me evident. Daar denken de Rotterdamse bestuurderen dus anders over. De sekse van het slachtoffer maakt voor hen alle verschil van de wereld. Dat roept toch wel de vraag op: hoe zouden de reacties geweest zijn als men op straat bloemen had uitgedeeld en de Euromast oranje had uitgelicht voor de blanke slachtoffers van geweld? of voor de niet-joodse? of exclusief voor de mannelijke?
Over de student die in Groningen door wildvreemden voor de grap werd neergeschoten en nu levenslang aan een rolstoel gebonden is kun je toch moeilijk zeggen: “Gelukkig is het geen vrouw, anders was het nog erger geweest.” Maar burgemeester Aboutaleb vindt van wel – en protesten daartegen blijven uit.
In mijn post van gisteren ging ik in op wat onder deze, op het oog zo wonderlijke, eenzijdigheid ligt: gynocentrisme; complexe biologische relaties tussen de seksen, met waarschijnlijk zowel sociale als hormonale en neurologische componenten. Die relaties zijn diep verankerd en vrijwel universeel. Maar de feministische wind die er in het Westen waait geeft er extra energie aan.
In dit ideologisch klimaat past de geplande vierdelige documentaire waarin Lorena Bobbitt uitgelicht wordt als (o, ironie!) slachtoffer van huiselijke geweld en heldin van het verzet hiertegen (zie mijn post van gisteren). Nou ja, het komt ook uit Amerika, mag je zeggen: het is daar allemaal nog een beetje erger dan in ons land. Zo zijn er in de Verenigde Staten ca. 2000 blijf-huizen voor vrouwen en daarnaast slechts 1, zegge één, voor mannen (zo was het tenminste in 2017, toen Cassie Jaye er de aandacht op vestigde in haar documentaire The Red Pill ). Amsterdam heeft sinds enige jaren een opvanghuis voor mannelijke slachtoffers van partnergeweld: één voorziening op 17 miljoen inwoners tegenover één op 330 miljoen – een gunstiger verhouding. Wat misschien meer zegt: onlangs bereikten realistische gegevens over huiselijk geweld (meestal tweezijdig, veel mannelijke slachtoffers) voor een kort moment onze mainstream media, zonder dat dit geluid onmiddellijk verdronken werd in een luid geschreeuw over “vrouwenhaat” of smalen over de losers in de manosphere.
Toch is ook in Nederland het gif van het feministisch perspectief alom aanwezig. Zelfs ministeries verspreiden desinformatie over de geweldsproblematiek volgens het “man=dader, vrouw=slachtoffer”-paradigma. En zoals we zagen: het stadsbestuur van Rotterdam zal niet tegen deze stroom in zwemmen. Krijgt de documentaire over Lorena Bobbitt ooit hier de aandacht van de media, dan zullen de kritische stemmen nog een hele strijd te voeren hebben.
Wie tegenwicht zoekt tegen feministische propaganda raad ik nogmaals het YouTubekanaal van Janice Fiamengo aan. Vandaag verscheen een korte video over de Lorena-docu: