Het schrijven met een beschuldiging aan Kavanaughs adres kreeg vanwege het doorspelen aan de FBI meteen vertrouwelijke status. Pas na een paar dagen vernam Kavanaugh uit de pers de gelekte details:
In de brief stelde de vrouw dat tijdens een ontmoeting op een feestje Kavanaugh haar neergehouden had en dat hij gepoogd had haar te overweldigen. Ze beweerde in de brief dat Kavanaugh en een klasgenoot van hem, die beiden gedronken hadden, de muziek in de kamer luider zetten om haar protesten te overstemmen en dat Kavanaugh zijn hand over haar mond legde. Ze slaagde erin zichzelf te bevrijden. Al vond het incident tientallen jaren geleden plaats en waren de drie betrokkenen minderjarig, de vrouw zei dat de herinnering voor haar een bron van niet aflatende stress was geweest en dat ze daarom psychologische hulp had gezocht.
Eindelijk kon Kavanaugh reageren met een categorische en ondubbelzinnige ontkenning. Hij kreeg steun in een verklaring van zesenvijftig vrouwen die hem sinds lang kenden, veelal van jongs af aan, vrouwen ook met zeer uiteenlopende politieke en maatschappelijke opvattingen, die zijn karakter en in het bijzonder zijn respectvolle omgang met vrouwen loofden. Nu brak de oorlog op sociale media uit en de vrouwen van de verklaring kregen van alles over zich heen.
Van een journalist die een artikel voorbereidde voor de Washington Post vernam Kavanaugh voor het eerst de naam van de vrouw die hem beschuldigde: Christine Blasey Ford, een psychologiedocente aan een sterk feministisch georiënteerde universiteit in Californië. Ze had ruim vijfendertig jaar geleden een meisjesschool bezocht in de buurt van de jongensschool van Kavanaugh. Hij herinnerde zich haar niet, een jeugdvriend die hij opbelde wel. Diens indruk van Ford was niet gunstig geweest en ook in de volgende weken kwamen er over haar achter de schermen verhalen los die men in een laster- en smaadcampagne goed had kunnen gebruiken. Van die tactiek werd echter welbewust afgezien: om ethische redenen en omdat men op die benadering zou worden afgerekend. Dat laatste zou terecht zijn geweest. Alleen gold het niet in omgekeerde richting: in de loop van de strijd intensiveerden de progressieve media hun zoektocht naar alles wat ook maar enigszins het beeld van Kavanaugh onsympathiek kon maken, daarmee de deur openzettend voor valse beschuldigingen.
Hier zien we de kracht van het ideologisch narratief: zijn vrouwen een slachtofferklasse “die het niet meer pikt” en mannen hun historisch bevoordeelde onderdrukkers, dan ontstaat er een dubbele maatstaf voor verdacht maken en besmeuren: in de ene richting is het een strijdmiddel dat we (eventueel met tegenzin) moeten gebruiken ter wille van een nobele zaak; in de andere richting is het blaming the victim, het slachtoffer op de koop toe ook nog eens de schuld geven, een uitvloeisel en voortzetting van de onderdrukking. Vrouwen zijn dan in het algemeen bij voorbaat slachtoffer en daarom in elk bijzonder geval hoogst waarschijnlijk slachtoffer. Het woord “slachtoffer” wordt inderdaad in zaken van beweerde seksuele misdragingen veelal van meet af aan gebruikt voor de vrouwelijke klaagster, alsof de feiten al vaststonden. En is een klacht eenmaal afgewezen of zelfs bewezen vals te zijn, dan nog blijft men de betrokken vrouw “slachtoffer” noemen, ongeacht hoe diep en duurzaam de beweerde “dader” door de aantijgingen beschadigd is.
De valse beschuldigingen waar de media bijna om vroegen kwamen natuurlijk en werden met dodelijke ernst behandeld. Dat wil zeggen: de toon was dodelijk ernstig, sensationeel, gelardeerd met opgelegde verontwaardiging. Een andere vorm van ernst, de traditioneel journalistieke kritische benadering van bronnen, zeker van al te smeuïge verhalen met een geur van partijdigheid, stond al langer bij het oud vuil.
Het Washington Post-artikel van Emma Brown is hiervoor bewijsstuk nummer één. De schrijfster had Blasey Fords jeugdvriendin Leland Keyser benaderd, omdat die volgens Ford op het betreffende feestje aanwezig was geweest. Het bleek dat Leland Keyser Kavanaugh indertijd nooit ontmoet of gekend had en zich van een feestje als beschreven niets herinnerde. Leland Keyser was tegenstander van de benoeming van Kavanaugh – maar ze had een geweten en wilde er niet om liegen. Een gewetensvolle en professionele journalist vermeldt een dergelijke ontkenning van het verhaal van haar bron. Zo niet Emma Brown, is achteraf gebleken: zij verzweeg in haar artikel het hele bestaan van Leland Keyser, nu eerlijkheid daarover niet in haar en Fords kraam te pas kwam.
Wederom de werking van het narratief: het naar het niveau van propaganda afzakken van de journalistiek – niet in de laatste plaats van bladen als de New York Times en de Washington Post, die vijftig jaar geleden bij uitstek als kwaliteitskranten mochten gelden en op die reputatie (in)teren – zou een thema op zich moeten zijn in de discussie; maar door de kracht van het dominante narratief is het vrijwel onmogelijk de aandacht van redacties of van een groter publiek daarbij te bepalen. Zij die dat in de kwestie Kavanaugh wel deden of het te midden van de anti-Trump-hysterie trachten te doen worden in het spraakmakende progressieve deel van de VS al gauw betiteld als “uiterst rechts” of erger.
(wordt vervolgd)