Het narratief (n.a.v. Kavanaugh) (5)

Het schrijven met een beschuldiging aan Kavanaughs adres kreeg vanwege het doorspelen aan de FBI meteen vertrouwelijke status. Pas na een paar dagen vernam Kavanaugh uit de pers de gelekte details:

In de brief stelde de vrouw dat tijdens een ontmoeting op een feestje Kavanaugh haar neergehouden had en dat hij gepoogd had haar te overweldigen. Ze beweerde in de brief dat Kavanaugh en een klasgenoot van hem, die beiden gedronken hadden, de muziek in de kamer luider zetten om haar protesten te overstemmen en dat Kavanaugh zijn hand over haar mond legde. Ze slaagde erin zichzelf te bevrijden. Al vond het incident tientallen jaren geleden plaats en waren de drie betrokkenen minderjarig, de vrouw zei dat de herinnering voor haar een bron van niet aflatende stress was geweest en dat ze daarom psychologische hulp had gezocht.

Eindelijk kon Kavanaugh reageren met een categorische en ondubbelzinnige ontkenning. Hij kreeg steun in een verklaring van zesenvijftig vrouwen die hem sinds lang kenden, veelal van jongs af aan, vrouwen ook met zeer uiteenlopende politieke en maatschappelijke opvattingen, die zijn karakter en in het bijzonder zijn respectvolle omgang met vrouwen loofden. Nu brak de oorlog op sociale media uit en de vrouwen van de verklaring kregen van alles over zich heen.

Van een journalist die een artikel voorbereidde voor de Washington Post vernam Kavanaugh voor het eerst de naam van de vrouw die hem beschuldigde: Christine Blasey Ford, een psychologiedocente aan een sterk feministisch georiënteerde universiteit in Californië. Ze had ruim vijfendertig jaar geleden een meisjesschool bezocht in de buurt van de jongensschool van Kavanaugh. Hij herinnerde zich haar niet, een jeugdvriend die hij opbelde wel. Diens indruk van Ford was niet gunstig geweest en ook in de volgende weken kwamen er over haar achter de schermen verhalen los die men in een laster- en smaadcampagne goed had kunnen gebruiken. Van die tactiek werd echter welbewust afgezien: om ethische redenen en omdat men op die benadering zou worden afgerekend. Dat laatste zou terecht zijn geweest. Alleen gold het niet in omgekeerde richting: in de loop van de strijd intensiveerden de progressieve media hun zoektocht naar alles wat ook maar enigszins het beeld van Kavanaugh onsympathiek kon maken, daarmee de deur openzettend voor valse beschuldigingen.

Hier zien we de kracht van het ideologisch narratief: zijn vrouwen een slachtofferklasse “die het niet meer pikt” en mannen hun historisch bevoordeelde onderdrukkers, dan ontstaat er een dubbele maatstaf voor verdacht maken en besmeuren: in de ene richting is het een strijdmiddel dat we (eventueel met tegenzin) moeten gebruiken ter wille van een nobele zaak; in de andere richting is het blaming the victim, het slachtoffer op de koop toe ook nog eens de schuld geven, een uitvloeisel en voortzetting van de onderdrukking. Vrouwen zijn dan in het algemeen bij voorbaat slachtoffer en daarom in elk bijzonder geval hoogst waarschijnlijk slachtoffer. Het woord “slachtoffer” wordt inderdaad in zaken van beweerde seksuele misdragingen veelal van meet af aan gebruikt voor de vrouwelijke klaagster, alsof de feiten al vaststonden. En is een klacht eenmaal afgewezen of zelfs bewezen vals te zijn, dan nog blijft men de betrokken vrouw “slachtoffer” noemen, ongeacht hoe diep en duurzaam de beweerde “dader” door de aantijgingen beschadigd is.

De valse beschuldigingen waar de media bijna om vroegen kwamen natuurlijk en werden met dodelijke ernst behandeld. Dat wil zeggen: de toon was dodelijk ernstig, sensationeel, gelardeerd met opgelegde verontwaardiging. Een andere vorm van ernst, de traditioneel journalistieke kritische benadering van bronnen, zeker van al te smeuïge verhalen met een geur van partijdigheid, stond al langer bij het oud vuil.

Het Washington Post-artikel van Emma Brown is hiervoor bewijsstuk nummer één. De schrijfster had Blasey Fords jeugdvriendin Leland Keyser benaderd, omdat die volgens Ford op het betreffende feestje aanwezig was geweest. Het bleek dat Leland Keyser Kavanaugh indertijd nooit ontmoet of gekend had en zich van een feestje als beschreven niets herinnerde. Leland Keyser was tegenstander van de benoeming van Kavanaugh – maar ze had een geweten en wilde er niet om liegen. Een gewetensvolle en professionele journalist vermeldt een dergelijke ontkenning van het verhaal van haar bron. Zo niet Emma Brown, is achteraf gebleken: zij verzweeg in haar artikel het hele bestaan van Leland Keyser, nu eerlijkheid daarover niet in haar en Fords kraam te pas kwam.

Wederom de werking van het narratief: het naar het niveau van propaganda afzakken van de journalistiek – niet in de laatste plaats van bladen als de New York Times en de Washington Post, die vijftig jaar geleden bij uitstek als kwaliteitskranten mochten gelden en op die reputatie (in)teren – zou een thema op zich moeten zijn in de discussie; maar door de kracht van het dominante narratief is het vrijwel onmogelijk de aandacht van redacties of van een groter publiek daarbij te bepalen. Zij die dat in de kwestie Kavanaugh wel deden of het te midden van de anti-Trump-hysterie trachten te doen worden in het spraakmakende progressieve deel van de VS al gauw betiteld als “uiterst rechts” of erger.

(wordt vervolgd)

Het narratief (n.a.v. Kavanaugh) (4)

Het was voor de Democraten moeilijk Kavanaugh ergens op te pakken, al zochten journalisten koortsachtig naar incidenten die vlekken zouden geven op zijn smetteloze reputatie. Men probeerde het met een creditcardschuld die hij eens had opgelopen toen hij voor een hele groep toegangsbewijzen voor een honkbalwedstrijd had gekocht. Dat werd uiteraard weggelachen. Onder de hashtag #KavanaughScandals vermaakte men zich op Twitter met berichten als “Hij heeft eens vergeten een videoband terug te spoelen alvorens hem terug te brengen naar de videotheek”. De discussie was voorlopig dus nog min of meer gezellig, al onderstreepte men van ter linkerzijde graag twee dingen: Kavanaugh was een gevaar voor Roe vs. Wade en hij zou president Trump ongetwijfeld beschermen als het Hooggerechtshof beslissingen moest nemen inzake het lopende onderzoek van Robert Mueller. In het begin van de Obama-regering had hij namelijk een stuk geschreven waarin hij bepleitte een president voor de duur van zijn regeerperiode niet lastig te vallen met zulke onderzoeken (waarmee hij terugkwam van zijn eigen eerdere opvatting daarover).

Er vonden uitvoerige een-op-een besprekingen plaats van Kavanaugh met de senatoren die zitting hadden in de justitiecommissie. Ook was hun een enorme hoeveelheid documenten uit zijn tijd in het Witte Huis onder Bush ter beschikking gesteld waarmee ze hun beeld van de kandidaat nader konden invullen. De Democraten speurden daarin naar iets waarover ze Kavanaugh konden laten struikelen, de Republikeinen hoopten de discussies ermee uit de buurt te houden van Roe vs. Wade en flink saai te maken voor het grote publiek, als dat straks de uitzendingen van de openbare hoorzittingen zou volgen.

Meteen bij de eerste van die zittingen was het niet leuk meer. Democratische commissieleden vielen de voorzitter reeds tijdens zijn welkomstwoord herhaaldelijk in de rede met een verzoek om opschorting van de zitting in verband met de genoemde grote hoeveelheid documentatie; in de zaal zaten vrouwen in kostuums uit de film The Handmaid’s Tale, een dystopie over een extreem vrouwonderdrukkende samenleving; herhaaldelijk moesten de besprekingen onderbroken worden om schreeuwende en tierende leden van het publiek uit de zaal te verwijderen.

In de volgende dagen ging het weliswaar rustiger toe, maar niet te missen was het streven van de Democraten de kandidaat ergens op te pakken. Dat was echter het soort ondervraging waarop Kavanaugh goed was voorbereid en dat in de oefensessies ongetwijfeld een hoofdrol had gespeeld. Senator Kamalah Harris – kan uit Californië iets goeds komen? ja, zie alleen maar Victor Davis Hanson, over wiens Trumpboek ik eerder berichtte; maar mevrouw Harris, met haar passief-agressieve politieke correctheid en gespeelde verontwaardiging alsmede haar altijd maar weer uitspelen van haar sekse en huidskleur, vertegenwoordigt alles wat in het geografische en ideologische midden van Amerika weerzin wekt tegen de zuidwestelijke kuststaat – Kamalah Harris dan zette een heuse perjury trap op, een “meineed-val”. Wij kennen dat niet zo, maar in de VS is het zo verbreid als hondenpoep. Een ondervrager – een congreslid, een FBI-agent, een openbaar aanklager – probeert jou te verleiden tot een uitspraak die bij nader toezien onwaar blijkt. Het doet er weinig toe of alleen je geheugen je even in de steek gelaten heeft of dat de vraag zelf misverstand kon wekken – als ze je echt hebben willen, is het gotcha! Meineed! Had Kavanaugh over het onderzoek van Mueller ooit contact gehad met iemand van de firma van Trumps persoonlijke advocaat?, was Harris’ vraag. Kavanaugh was even in de war gebracht: doelde de senator op iemand in het bijzonder? Hoe kon hij weten wie er in de afgelopen twee jaar allemaal korter of langer bij de betreffende firma hadden gewerkt? Al zorgt een rechter, zoals Kavanaugh, natuurlijk ook in privégesprekken altijd voor terughoudendheid in zaken waar hij ambtshalve nog wel eens mee te maken kan krijgen, niemand in Washington sprak niet over het onderzoek, dus het was sowieso oppassen geblazen. Kavanaugh vermeed in eerste instantie een rechtstreeks antwoord. Zoiets ziet er niet goed uit voor een lekenpubliek. Waarom zo ontwijkend en aarzelend? Maar iedereen achter de tafel van de senatoren wist heel goed dat dit de enige verstandige tactiek was. Kavanaugh zou een slechte praktijkjurist zijn als hij volmondig “ja” of “nee” geantwoord had. Met de gewekte indruk van “draaien” had Harris niet meer dan een waardevolle troostprijs binnengehaald. Kavanaugh zou hier niet struikelen, maar de op strenge toon ondervragende Kamalah had zichzelf nationaal op de kaart gezet: goed voor haar latere gooi naar het presidentschap.

Dit illustreert al ons thema. Als eenmaal de narratieven zijn neergezet: “Kandidaat zal, eenmaal benoemd, optreden als advocaat van de president” en: “Vrouwen laten hun tanden zien”, dan krijgen de feiten vanzelf een bepaalde kleur. Wie lééft in zulke narratieven, gaat gemakkelijk mee in de hoopvolle bewondering waarmee een columniste van de Washington Post van het voorval berichtte: met haar “kunde van openbaar aanklager” (wat zij inderdaad geweest was) werd Harris “op slag een heldin van de Democraten”. En ongetwijfeld dragen de televisiebeelden dan bij tot dat effect. Mij viel op, dat het voor de eerste indruk reeds verschil maakte vanuit welk camerastandpunt je de ondervraging gepresenteerd kreeg. In eerste instantie zag ik alleen een fragment waarbij Kavanaughs gezicht niet in beeld was, dat van Harris wel. Daarbij maakte de ondervraagde meer de indruk te “bungelen” dan toen ik later zijn gezicht er bij kon zien: toen was echt duidelijk dat zijn woorden niet die van een betrapte zondaar waren, maar dat hij over elk woord nadacht, bedacht op een boobytrap. Het bewijst dat het begrip “beeld” zijn betekenis houdt naast “verhaal” of “narratief”.

Goed, Kavanaugh was er niet ingetrapt. Het team dat hem ondersteunde ging koortsachtig aan het werk om uit te zoeken wie er bij de firma Kasowitz, Benson & Torres werkten of in de laatste jaren gewerkt hadden en op welke persoon senator Harris mogelijk gedoeld had. Op grond van dat zoekwerk kon Kavanaughs antwoord de volgende dag ondubbelzinnig luiden: “Nee, senator, ik heb niet met advocaten van de bedoelde firma over het Mueller-onderzoek gepraat.”

De zittingen bleven doorspekt met onaangename en soms bizarre momenten, maar wat er van het begin af aan in gezeten had leek steeds meer te worden bewaarheid: de commissie zou langs partijlijnen verdeeld blijven over Kavanaugh en dus een positief meerderheidsadvies afgeven aan de voltallige Senaat. Te voorzien was dat hij ook daar op een kleine meerderheid kon rekenen en dan was de tijd gekomen voor taart en limonade voor de kinderen en een welgemeend dankwoord voor de velen achter de schermen die in de afgelopen tijd net zoveel slaap tekort waren gekomen als de kandidaat zelf. (Zo moest deze tussen maandagmiddag 10 september en de volgende woensdagavond nog 1287 schriftelijke vragen beantwoorden, vier van de Republikeinen, de rest van de Democraten – meer dan alle schriftelijke vragen die in het verleden aan kandidaten gesteld waren bij elkaar opgeteld. Zijn team had de vragen gegroepeerd en met nog andere ingrepen Kavanaughs taak beperkt tot het essentieel inhoudelijke.)

En toen gebeurde het. Senator Dianne Feinstein, ranking member, d.w.z. leider van de minderheid in (in dit geval) de justitiecommissie, kwam opeens met het bericht dat zij een zeer vertrouwelijke brief van een burger had ontvangen, waarover ze nu niets kon zeggen, maar die zij had doorgegeven aan de FBI. Ze had de brief al meer dan zes weken in haar bezit, maar noch commissievoorzitter Grassley noch Kavanaugh op de hoogte gesteld. Had ze dat wel gedaan, dan was er ongetwijfeld een vertrouwelijk gehouden onderzoek ingesteld om de beschuldiging van seksueel wangedrag – want daarom ging het – op haar merites te beoordelen en er vervolgens ofwel mee voor de dag te komen ofwel haar als kennelijk ongefundeerd of onbewijsbaar terzijde te leggen. Die weg had Feinstein, die tot dan altijd een goede, vertrouwensvolle werkrelatie met Grassley had gehad, bewust niet gekozen.

Zo had ze een hoop tijd gewonnen – nogmaals: dat was een streven van de Democraten – en hadden zij en haar partij in hoge mate het initiatief aan zich getrokken. Wat in de weken daarna volgde was een drama, niet alleen voor Kavanaugh en de zijnen – ik heb mijn redenen om niet toe te voegen: “en voor de betrokken vrouw, Christine Blasey Ford” – maar ook voor de rechtstaat. Het is moeilijk uit te maken wat in dat opzicht bedreigender is: de hysterische haat van links die in de volgende weken in deze kwestie zou losbarsten of de, door Trump terecht zo genoemde, heksenjacht tegen de president. Beide zijn in elk geval symptoom van ernstige ziekte van de westerse cultuur. En beide illustreren de kracht van het ideologische narratief.

(wordt vervolgd)

Het narratief (n.a.v. Kavanaugh) (3)

Komen we nu tot de bewogen geschiedenis van september en oktober 2018 rond de beoogde benoeming van Brett Kavanaugh. Voor de feiten leun ik (zonder voortdurende verwijzing met paginanummers) op het voortreffelijke boek van Mollie Hemingway en Carrie Severino: Justice on Trial. The Kavanaugh Confirmation and the Future of the Supreme Court, Regnery Publishing 2019. Het munt uit door een streven naar feitelijkheid, bij een eerlijk erkende conservatieve overtuiging van de auteurs. Hoe hoog en hoe lang het ook op de bestsellerslijst van de New York Times heeft gestaan, op de inhoud is door de liberal, dat wil heden ten dage zeggen: de anti-Trump media – New York Times, Washington Post, CNN, MSNBC enz. – nooit serieus ingegaan. Dat is des te pijnlijker omdat deze media een kwalijke hoofdrol hebben gespeeld in de, steeds duidelijker als zodanig onthulde, karaktermoord op Kavanaugh.

Aanvankelijk waren de aanvallen op de door Trump voorgedragen Kavanaugh niet persoonlijk. Voor feministische kritiek bood hij weinig grip. De assistenten die hij als rechter had gehad waren in meerderheid vrouwen. Zoals veel mannen met alleen dochters – hij heeft er twee: Margaret en Liza – ging hij nadrukkelijk mee in het streven vrouwen een extra zetje te geven. Ik vermoed zelfs dat hij weinig oog had voor de nadelige gevolgen voor jongens en mannen van het almaar doortrekken van die ideologische lijn, iets waar al decennia lang alle aanleiding voor bestaat (zie het werk van Christina Hoff Summers). Hoe dat zij, over de vrouwen in zijn leven weidde Kavanaugh nogal uit in de speech waarmee hij de nominatie voor het Hooggerechtshof door president Trump aanvaardde: zijn moeder, die rechter was; Elena Kagan, thans een progressief lid van het Hooggerechtshof, die de conservatieve Kavanaugh indertijd had aangenomen aan de in overweldigende meerderheid progressieve rechtenfaculteit van Harvard; zijn vrouw en dochters; de meisjes-basketbalteams die hij coachte.

De opsomming wekte ter linkerzijde enige wrevel. Het was ook wel iets te veel van het goede, maar daar had bij een progressieve kandidaat wellicht geen haan naar gekraaid. Op zijn minst was de irritatie dan anders van aard geweest: Republikeinen, en conservatieven in het algemeen, worden door links Amerika geacht vrouwvijandig te zijn, zoals ze bij voorbeeld ook niet zwart mogen zijn. Denk aan de bewering van Hillary Clinton dat vrouwen die in 2016 op Trump gestemd hadden dat uit gehoorzaamheid aan hun echtgenoten en vaders hadden gedaan: zelf denkende vrouwen stemden natuurlijk op haar! Wie zulke narratieven doorbreekt krijgt het voor zijn kiezen, in de VS veel meer dan hier. Het venijn van sommige latere aanvallen op Kavanaugh – “de beschuldigingen van seksueel wangedrag plaatsen zijn enthousiasme voor het meisjesbasketbal in een ander licht”, “het coachen van meisjes moet hem verboden worden”: dat soort dingen – kondigt zich achteraf bezien al aan in die vroege kritiek op zijn vrouwvriendelijke braafheid.

Maar echt belangrijk voor de tegenstanders van de nominatie was het gegeven dat een conservatief de bejaarde Anthony Kennedy zou vervangen, die weliswaar onder Ronald Reagan was aangesteld, maar in het verleden liberaal had geoordeeld over zaken als abortus en homo-huwelijk. De gevreesde ruk naar rechts was niet per se verbonden aan de persoon van Brett Kavanaugh. Sommige betogers voor het gebouw van het Hooggerechtshof droegen borden met de namen van andere kandidaten die eerder rondgezoemd hadden: #StopKethledge, #StopHardiman. De persberichten der verontrusten lagen al klaar en ook die werden soms niet tijdig bijgewerkt. De organisatoren van de Vrouwenmars lieten een verklaring uitgaan tegen “Trumps nominatie van XX voor het Hooggerechtshof”. In een persbericht van een andere organisatie werd Kavanaugh aangeduid met “zij”, kennelijk omdat men op de nominatie van Amy Coney Barrett had gerekend. Die gold inderdaad als een sterke kandidaat. Bij haar benoeming als federale rechter, enkele maanden eerder, had zij van Democratische zijde te horen gekregen dat zij te katholiek was om een goede rechter te kunnen zijn. Dat zou haar ongetwijfeld opnieuw voor de voeten geworpen worden, maar daar stond tegenover dat zij als vrouw praktisch immuun was voor beschuldigingen in de #MeToo-sfeer, zoals men die voor willekeurig welke mannelijke kandidaat verwachtte.

Na de voordracht door de president is de procedure: de vaste Senaatscommissie voor justitie hoort de kandidaat en geeft dan aan de voltallige Senaat (2 senatoren voor elk van de vijftig staten) een met de voordracht instemmend of een negatief advies, waarna de Senaat de benoeming voltrekt of afwijst. Ooit speelden partijtegenstellingen daarbij een ondergeschikte rol, maar die tijd ligt onmiskenbaar achter ons. Ditmaal was de verwachting dat de kandidaat het met minimale meerderheid zou halen: de Republikeinen hadden een meerderheid van 51 tegen 49, een paar Democratische senatoren moesten vrezen voor hun herverkiezing als ze tegen Kavanaugh stemden. Belangrijk is verder dat er in november verkiezingen voor het Congres zouden zijn. Slaagden de Democraten er op een of andere wijze in de procedure daar overheen te tillen, dan zouden de getalsverhoudingen wellicht in hun voordeel veranderen.

(Even over de uitkomst van die verkiezingen in november. In de Senaat versterkten de Republikeinen hun positie, in het Huis van Afgevaardigden verloren ze hun meerderheid. Het is niet onaannemelijk dat de uitslag in beide huizen gunstiger zou zijn geweest voor de Republikeinen als Robert Mueller vóór die tijd zijn (toen al vaststaande) conclusie bekend had gemaakt dat zijn in mei 2017 begonnen onderzoek geen bewijzen van collusie van de Trumpcampagne met Poetins Rusland had opgeleverd. Dat hij deze bevinding achter de kiezen hield tot vier maanden na de verkiezingen is maar één van de vele indicaties dat het onderzoek, inclusief het daaruit resulterende rapport, primair een politieke hit job was.)

(wordt vervolgd)

Het narratief (n.a.v. Kavanaugh) (2)

Voor ik op het kortstondig hernieuwde publicitair offensief tegen Kavanaugh inga, moet het eerst gaan over de gebeurtenissen van een jaar geleden en over de inzet van het conflict.

De VS kennen twee politieke partijen die ertoe doen, de Democraten en de Republikeinen. Beide hebben hun vleugels en stromingen. De Democratische Partij is meer en meer het thuis voor velen met, kort gezegd, een progressieve agenda. Sommigen van hen zouden de VS willen hervormen naar het beeld van een Europese verzorgingsstaat, anderen willen het klimaat tot programmapunt nummer één maken, weer anderen willen de vrijheid van meningsuiting (in de VS vastgelegd in het eerste amendement op de Grondwet) beperken voor niet-progressieve opvattingen (dit laatste verlangen leeft vooral op universiteitscampussen en bij internetgrootmachten als Google en Twitter). Een van de belangrijkste items voor progressieven is de vrijheid voor een vrouw om een abortus te ondergaan.

Elk van de vijftig staten van de VS heeft zijn eigen wetgeving aangaande abortus, maar het Congres kan in beginsel marges vaststellen waarbinnen die wetgeving moet blijven. Echter, dat is voor die gekozen wetgevers een heikele zaak. De kwestie ligt nu eenmaal uiterst gevoelig. Als landelijk de wetgeving vanuit Washington geliberaliseerd zou worden, zou de achterban van een lid van het Huis van Afgevaardigden of van een senator bij de volgende verkiezingen zijn ongenoegen kunnen laten blijken. Mogelijk gevolg: een breuk in een beoogde loopbaan als beroepspoliticus. Nee, men brandt zijn vingers niet aan de abortuskwestie.

Daarom kwam het goed uit dat het Hooggerechtshof in 1973 zich uitsprak over de abortuswetgeving van resp. de staten Texas en Georgia, waarin een fundamentele beslissing viel: het Hof oordeelde met ruime meerderheid (zeven tegen twee) dat het recht op abortus in de Grondwet besloten lag. “Besloten” of “door de vinders er eerst in verborgen”, daarover zijn de meningen verdeeld: de rechters beriepen zich met name op het veertiende amendement, dat de persoonlijke vrijheid van het individu tegenover de overheid wil waarborgen. Men refereert aan de twee beslissingen met de aanduiding van de procespartijen in een van de twee zaken: Roe v. Wade.

De beslissing is omstreden gebleven, niet alleen om haar inhoud, maar minstens evenzeer om haar constitutioneel gehalte. Moet over een kwestie als deze niet beslist worden door de gekozen vertegenwoordigers van het volk? Kan de ongekozen rechter een streep zetten door de democratisch tot stand gekomen wetgeving van een bepaalde staat? Dat kan, als de Grondwet het gebiedt. Maar mag je in de Grondwet met haar amendementen betekenissen inlezen die de opstellers van die teksten indertijd nooit bedoeld of voorzien hebben, wellicht hartstochtelijk zouden hebben afgewezen? Goed, laat de gedachtewereld achter die teksten deels verouderd zijn. Is het dan wederom niet aan de wetgever om die teksten, volgens de daarvoor aangewezen procedures, te veranderen of aan te vullen?

Lange tijd had het Hooggerechtshof een overwegend liberaal karakter. Dat was een garantie voor het in stand blijven van Roe v. Wade en voor nieuwe beslissingen in progressieve zin. (Zo werd in 2015 een verbod op het homohuwelijk ongrondwettelijk verklaard.) Waar de benoeming van een uitgesproken conservatieve rechter in het hoogste rechtscollege dreigde, bleken Democratische politici bereid zeer hard toe te slaan. De zonder meer unfaire aanval van senator Edward Kennedy op kandidaat Robert Bork bracht in 1987 zelfs een aanvulling op het Engelse woordenboek: to bork someone. Rechter Clarence Thomas werd in 1991 uit het niets van de zijde van een oud-medewerkster geconfronteerd met beschuldigingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dat het persoonlijk ressentiment van de vrouw, Anita Hill, een andere bron had dan zij beweerde – het was de intuïtie van velen. De beschuldigingen als zodanig waren enerzijds lachwekkend (“Is dat een schaamhaar in mijn cola?” zou Thomas eens gevraagd hebben), anderzijds berekend op reputatieschade.

President Trump heeft tot nu toe twee keer een kandidaat voorgedragen voor het Hooggerechtshof. De benoeming van Neil Gorsuch (januari 2017) was in de Senaat – die uiteindelijk beslist, na advies door de vaste commissie voor justitie – weliswaar inzet van politiek armpje drukken, maar echt persoonlijk en vuil werd het niet. Gorsuch zou immers de plotseling overleden Antonin Scalia vervangen: een conservatief voor een conservatief. In rechtsfilosofische termen: een textualist voor een originalist – in beide gevallen wil men dicht bij de oorspronkelijke zin van de opstellers van een wetstekst blijven. Gorsuch voor Scalia, dat was geen ruk naar rechts, eerder een lichte verschuiving naar links.

Maar toen, in juni 2018, diende de tweeëntachtigjarige opperrechter Anthony Kennedy zijn ontslag in. Met een nieuwe benoeming, ongetwijfeld andermaal van een conservatief, zou het liberale overwicht pas echt verdwijnen, althans precair worden. Die laatste nuancering is wel nodig. Een rechterlijke instantie beslist immers per geval en volgens de gegeven wet – een rechter moet daarbij niet zelden tegen zijn persoonlijke politieke overtuigingen ingaan. Die overweging was echter geen geruststelling voor progressief Amerika.

De voorgestelde kandidaat was Brett Kavanaugh, een bekende naam in het Washingtonse. Eind jaren negentig was hij lid geweest van het team van onafhankelijk aanklager Kenneth Starr, dat het rapport had opgesteld op grond waarvan president Clinton een afzettingsprocedure moest ondergaan. Als medewerker van president George W. Bush leerde hij zijn latere vrouw Ashley kennen, die Bush al in zijn tijd in Texas terzijde had gestaan. Kavanaugh had op het moment van de voordracht twaalf jaar zitting gehad in het Hof van Beroep van het District of Columbia (d.i. Washington), een belangrijke functie die kon gelden als springplank naar het opperrechterschap. Zijn behoudende rechtsfilosofie was zeker niet extreem. Ze liet flink ruimte voor het principe dat nieuwe rechterlijke beslissingen in de lijn van voorafgaande moeten liggen, mits die niet evident onhoudbaar zijn. Dat is onder meer van belang als het gaat om Roe v. Wade. Niettemin, velen hadden het gevoel dat wellicht de dagen van Roe v. Wade geteld waren. Dat verklaart veel van wat zou volgen.

(wordt vervolgd)

Het narratief (naar aanleiding van Kavanaugh) (1)

En ja hoor, het was weer raak. Eerst maar eens de versie van het verhaal die de NOS-site gaf op zondag 15 september jl. (22:20 uur). Ik zeg er bij dat er tot nog toe op die site geen aanvulling op, laat staan correctie van het bericht verscheen. Dat is een heel verschil met de VS, waar de focus snel verschoof van de berichte zaak naar de berichtgeving. Zowel de New York Times als de auteurs van het door die krant gepromote boek waarin de “nieuwe beschuldiging” staat zijn zwaar onder vuur komen te liggen. En ditmaal toonden niet alleen conservatieve medestanders van Brett Kavanaugh zich verontwaardigd.
Goed, eerst het woord aan de buitenlandredactie van de NOS:

Trump verdedigt rechter Kavanaugh na nieuwe beschuldiging seksueel wangedrag

President Trump heeft het opnieuw opgenomen voor Brett Kavanaugh, de rechter bij het Amerikaanse Hooggerechtshof die in verband is gebracht met seksueel wangedrag in zijn studententijd. Aanleiding is een nieuwe beschuldiging aan het adres van Kavanaugh.
Kavanaugh was nog kandidaat-rechter toen hij vorig jaar onder vuur kwam te liggen nadat drie vrouwen hem hadden beschuldigd van seksueel overschrijdend gedrag. Nadat een Senaatscommissie hem erover had ondervraagd, stemde de Senaat in met een krappe meerderheid in met zijn aanstelling.
The New York Times publiceerde gisteren een artikel met daarin een nieuwe aantijging. Een oud-studiegenoot aan Yale stelt dat Kavanaugh op een studentenfeestje zijn geslachtsdeel in de hand van een studente drukte. Het voorval zou zijn gerapporteerd aan de FBI en Senatoren, maar nooit zijn onderzocht. Daarop riepen drie Democratische presidentskandidaten, Kamala Harris, Elizabeth Warren en Julian Cástro, op de rechter af te zetten. Trump wil daar niets van weten en adviseert Kavanaugh aangifte te doen van smaad. Ook zou hij graag zien dat het ministerie van Justitie hem verdedigt. Hij spreekt op Twitter van “verzonnen verhalen”, “valse beschuldigingen” en “leugens”.
– Dan volgen de tweets van Trump. Het bericht gaat verder: –
Vorig jaar zei toenmalig studiegenoot Deborah Ramirez dat Kavanaugh in de jaren 80 op een feestje zijn geslachtsdeel voor haar gezicht had gehouden. Daarvoor had Christine Ford, een oude bekende van de rechter, laten weten in de jaren 80 als tiener te zijn betast door een “stomdronken” Kavanaugh. Ze werd op bed geduwd en ontsnapte toen een vriend ingreep. Ook Julie Swetnick beschuldigde hem van seksueel wangedrag in zijn studiejaren.
Kavanaugh heeft de beschuldigingen altijd ontkend. Vorig jaar sprak hij tegen de Senaatscommissie van pogingen tot “karaktermoord”. Op het artikel van gisteren in The New York Times heeft hij nog niet gereageerd.

Laat het bericht bij u eerst maar een beeld vormen van wat er aan de hand is. Want dat is waar ik het eigenlijk over wil hebben: hoe de media door selectieve (in dit geval deels ook feitelijk onjuiste) berichtgeving en de toonzetting daarvan een verhaal ingang doen vinden, dat op zijn beurt past in een groter verhaal. De verhalen versterken elkaar dan. Je kunt spreken van “beelden” en “beeldvorming”, zoals ik zojuist deed. Maar het begrip “verhaal” is vaak passender om het dynamische aspect, het feit dat je er als hoorder of lezer “in komt”, in betrokken raakt, deel van wordt. Ik zal ook de term “narratief” gebruiken. Dat lijkt alleen een lelijk synoniem van “verhaal”, maar de betekenis is specifieker: een verhaal dat men breed ingang tracht te doen vinden om de overtuigingen van mensen te beïnvloeden.

Zowel de handelwijze van de New York Times in dezen – als gezegd: inmiddels in de VS zelfs van ter linkerzijde scherp veroordeeld – als die van de NOS-site verdienen onze aandacht. In beide gevallen hebben journalisten getracht bepaalde narratieven te versterken. Het betreft het grotere verhaal: “vrouwen zijn in onze samenleving vanouds overgeleverd aan mannen: die hebben de macht en misbruiken haar”; en daarbinnen het kleinere verhaal: “Kavanaugh is zo’n man (of lijkt het op zijn minst te zijn) en hoort daarom niet in het Hooggerechtshof thuis.” In beide gevallen werden klassieke journalistieke zorgvuldigheidseisen terzijde geschoven, en daarmee ook meer algemene, fundamentele ethische beginselen. Een persoonlijke beschadiging, moreel van dezelfde orde als een lijfelijke verkrachting of mishandeling, werd niet alleen voor lief genomen, maar als effectief strijdmiddel bewust nagestreefd.

U denkt misschien: “Nou nou, als ik het bericht zo lees, geeft het toch geen aanleiding tot zulke grote woorden. Het is toch nogal wat als er telkens weer zulke beschuldigingen opduiken…” Als dat uw primaire reactie is, zitten we meteen bij de kern van het probleem.

(wordt vervolgd)

A Memoir tegen cultureel geheugenverlies

De vakantie in Lissabon was kort en de ruimte voor handbagage in het vliegtuig beperkt, dus het werd een klein boekje: A Memoir of Jane Austen door James Edward Austen-Leigh. Het verscheen in 1869, ik las de tweede druk, van 1870. De auteur was een neef (tantezegger) van de in 1817 te jong overleden schrijfster en het betrof een familieproject: de laatste generatie met directe herinneringen aan de inmiddels steeds beroemder wordende tante Jane kreeg de eindstreep in zicht, het was nu of nooit voor een eigen biografisch initiatief. Men hoopte voor het nageslacht een eerlijk beeld na te laten, zonder de vertekening die men mocht vrezen onder de pen van een buitenstaander. Vanuit zulke overwegingen had Janes zuster Cassandra al eerder veel brieven vernietigd of met de schaar gecensureerd.

Onze tijd is voyeuristisch en exhibitionistisch. Neef James’ wat stijve, puur feitelijke verslag is ons al gauw te tam en menigeen fronst de wenkbrauwen over Cassandra, die naast het haardvuur gezeten en met een schaar in de hand door de stapels correspondentie ging. Het lijkt mij allebei niet terecht. De keerzijde van de schijnbare openhartigheid van menig artiest of publieke figuur is dat zo iemand voortdurend bewust werkt aan het eigen imago. Goethe bij voorbeeld maakte zijn leven tot een standbeeld voor de eeuwen. Prima, zijn goed recht, het resultaat mag er zijn – maar zijn Engelse tijdgenote was nu eenmaal uit ander hout gesneden. De brieven die door Cassandra’s handen gingen waren niet als monument bedoeld en bevatten ongetwijfeld van alles dat alleen door direct betrokkenen op waarde te schatten was. Ze kon de grenzen wel eens precies getrokken hebben waar ze ook volgens Jane lagen.

En neef James beperkt zich dus tot de feiten. Hij vermoeit ons niet met sociologische beschouwingen over ongetrouwd blijvende vrouwen rond het jaar 1800 of met pretentieuze analyses van zijn tante en haar romanpersonages – en dat is wel zo prettig.

Maar wat mij vooral opviel in de Memoir: van allerlei mannen in Janes familie en in de grote en de literaire wereld kreeg de vrouwelijke auteur alle bewondering die haar toekwam, alle steun die zij behoefde. Of het nu de Prince Regent was, de latere koning George IV, die haar romans gretig las en herlas en via zijn bibliothecaris liet weten vereerd te zullen zijn met de opdracht van een nieuw boek (een opdracht die er kwam met Emma); of Sir Walter Scott, wiens exemplaren van haar werk opvallende leessporen vertoonden en die eens verzuchtte dat hij nooit zulke levensechte karakters zou kunnen scheppen als zij; of de historicus Macauly, die overwoog een biografische schets als voorwoord voor nieuwe uitgaven te schrijven en onder meer met de opbrengst daarvan een monument voor de schrijfster te bekostigen in de kathedraal van Winchester, waar zij begraven ligt; of gewoon haar vader, die een vergeefse poging deed de eerste versie van Pride and Prejudice uitgegeven te krijgen – er is geen spoor van dedain voor de schrijvende vrouw.

Waarom publiceerden enkele grote vrouwelijke Engelse romanciers onder een mannelijk pseudoniem? De zusters Brontë deden dat (als Currer, Ellis en Acton Bell) en Mary Ann Evans (in dit geval is het pseudoniem George Elliot bekender gebleven dan de echte naam). Je leest wel: “omdat vrouwen niet geacht werden te schrijven”. Maar door wie dan? In de literaire wereld was er voor vrouwelijk talent veel erkenning en bereidheid het werk te promoten: Samuel Johnson steunde enthousiast Fanny Burney, Charles Dickens hielp Elizabeth Gaskell (die trouwens geen pseudoniem gebruikte) aan publicatiemogelijkheden. Misschien dat een deel van het koperspubliek geen stevige kost verwachtte als er een vrouwelijke naam op het titelblad prijkte – en “stevige kost” mag je een boek als Wuthering Heights toch wel noemen, zeker naar negentiende-eeuwse burgerlijke maatstaven. Dat was, kunnen we de feministen toegeven, een maatschappelijk vooroordeel. Maar wel een dat vrij eenvoudig te omzeilen was: een pseudoniem, dat kostte niets. En de creativiteit van de werkelijk literair begaafden lijkt er niet door geremd te zijn. Als er in de negentiende eeuw en in vele andere tijden reëel artistiek talent gesmoord is, zal dat toch eerder zijn geweest doordat armoede het leven reduceerde tot van dag tot dag overleven dan door al te stereotiepe rolpatronen.

Jane Austens boeken vermeldden op het titelblad “by a lady“. Zij en haar uitgever vreesden kennelijk niet dat dat lezers zou afschrikken. Ook mannen konden trouwens voor anonimiteit kiezen. Walter Scott was als dichter al bekend toen hij in 1814 zijn eerste roman, Waverley, anoniem publiceerde. Enkele volgende romans werden gepresenteerd als “by the author of Waverley” – reden waarom ze bekend staan als de Waverley novels. Misschien wilde Scott dat zijn proza het op eigen kracht zou redden, zonder steun van de roem die hij reeds genoot. Misschien had hij nog aarzelingen over het nieuw ingeslagen pad: bescheidenheid en onzekerheid zijn niet tot één sekse beperkt. Je kunt echter niet zomaar concluderen dat dichters niet geacht werden proza te schrijven.

Ik wil maar zeggen: er kunnen allerlei motieven, ook heel persoonlijke, een rol gespeeld hebben bij Jane Austens keuze niet eenvoudig onder haar eigen naam te publiceren. “De positie van de vrouw” in haar tijd zal wellicht één van haar redenen zijn geweest. Maar een dergelijke formule is weinig verhelderend en kan niet, hupsakee! meteen ingevuld worden als “achterstelling”, “beperking” e.d. Het beeld van een uphill battle voor vrouwelijke literatoren louter op grond van hun sekse? Het lijkt me grotendeels een constructie achteraf. Zo overzichtelijk zit de wereld niet in elkaar en zat ze tweehonderd jaar geleden niet in elkaar. Ideologische geschiedenisbeelden willen ons dat doen vergeten. De trouwhartige Memoir van neef James Austen-Leigh was voor mij een medicijn tegen zulk cultureel geheugenverlies.

Mulheres, geen homens

In het winkelcentrum bij het Lissabonse metrostation Baixa-Chiado zie ik op een groot televisiescherm beelden van een praatprogramma. Geluid is er niet bij, maar constant staan er links in het scherm een paar dingen die we als kijkers tot ons moeten laten doordringen. Rechts in beeld praat een middelbare heer met kennelijke deskundigheid over wat links in beeld te leren is: Violencia doméstica, huiselijk geweld, met daaronder 2004-2018 504 mulheres, en weer daaronder 2018 zo- en zoveel mulheres. Het zullen wel dodelijke slachtoffers in Portugal zijn, geen daders. Vrouwelijke slachtoffers dus, want een mulher is een vrouw. Ik wacht een tijdje of er ook cijfers verschijnen over homens, mannen, maar nee… Ach nee, dat had ik toch ook nauwelijks verwacht? Gegeven die 504 vrouwen is het een redelijke schatting dat er in de genoemde periode zo’n 125 mannelijke dodelijke slachtoffers te betreuren waren. Die verhouding gaat tenminste elders in de westerse wereld ongeveer op. Maar het televisieprogramma maakt zijn kijkers hier niet wijzer over.

De droom van Mal Maguire, een Canadees mannelijk slachtoffer van huiselijk geweld, was het maken van een documentaire over mannen die geweld ondergaan van hun vrouwelijke partner. Toen hij zelf in die situatie verkeerde, was er nauwelijks hulp te verkrijgen. Er waren in Canada wel ca. 300 voorzieningen voor vrouwen, maar niets voor mannen. Een psycholoog en een psychologisch onderlegde rooms-katholieke geestelijke waren er gelukkig wel voor hem. Maar de wereld van de specifiek op partnergeweld gerichte hulpverlening werd en wordt in Canada gedomineerd door feministen. Dat geldt voor organisaties op dat gebied en voor de overheid, terwijl er aan de universiteiten door serieuze onderzoekers in de traditie van Murray Strauss nog altijd strijd geleverd moet worden. Ook daar heerst een doctrinaire ideologische visie, waarin slechts plaats is voor mannelijke daders en vrouwelijke slachtoffers.

Omdat Mal geen filmmaker is, ging hij op zoek naar professionals op het gebied van beeld en geluid. Enkelen waren wel geïnteresseerd in het project, maar durfden het niet aan: het onderwerp was te heikel. Een van hen sprak het onomwonden uit: als ik dit doe, kom ik op een zwarte lijst, dan word ik voor andere mogelijke opdrachten geboycot.

De documentaire lijkt er nu toch te komen. Een Nederlandse filmmaker geeft Mal de nodige ondersteuning, Janice Fiamengo steekt eens te meer haar nek uit en gaat proberen fondsen te werven. Ik hoop dat Mal zijn film krijgt. En dat hij ook in Nederland uitgezonden wordt. En in Portugal.

Lorena is terug

Een man zit hopeloos onder de plak van zijn gewelddadige vrouw, beweert hij. Als zij een keer in diepe slaap is, snijdt hij haar schaamlippen af, die hij ergens langs een autoweg dumpt. Aanvankelijk beweert hij dat het allemaal is omdat zijn vrouw in bed een dildo prefereert boven hem, maar dat verhaal verandert hij later: ze is uiterst gewelddadig en dwingt hem op die manier tot seks. In de rechtszaal wordt hem deze wending in zijn getuigenis niet aangerekend. Bovendien heeft hij als in een roes gehandeld, zegt hij, dus kan zijn daad hem niet toegerekend worden. Hij toont geen enkel berouw, niet kort na het gebeuren, niet tijdens de rechtszaak, niet in de jaren daarna. Hij komt er zonder straf af. Buiten het gerechtsgebouw wordt hij moreel gesteund door in groten getale opgedaagde mannenrechtenactivisten. Van de broodjes van de hotdogs die daar verkocht worden zijn de randen afgesneden, om de verzetsdaad van de man te vieren. Allerwegen wordt het geval gnuivend ontvangen: smalende grappen over de vrouw, lachend maken mannen een knipgebaar als teken van strijdbare verbondenheid. De vrouw ondergaat een plastisch chirurgische operatie en ten bewijze van haar herwonnen seksualiteit treedt ze op in enkele pornofilms waarin haar vagina prominent in beeld verschijnt.

U herkent waarschijnlijk het beroemde verhaal van Lorena Bobbitt die in juni 1993 de penis van haar man afsneed. Voor elk element van bovenstaande spiegelversie is er een pendant in het werkelijke verhaal. Is uw weerzin tegen mijn variatie op het thema even groot? Bijvoorbeeld bij het knipgebaar? Of bij de hotdogbroodjes? Nee, groter, vermoed ik.

Al sinds de oertijd wordt er gevoellozer gereageerd op pijn en lijden van mannen dan op sores van vrouwen. Logisch: mannen moesten geschikt zijn voor jacht en noodtoestanden, voor verwonding en dood. In principe is dat nog steeds zo: alle 343 brandweerlieden die omkwamen op 9/11 waren mannen (al mag je ze geen firemen noemen, want dat is exclusief taalgebruik: firefighters is de politiek correcte benaming). Voor het voortbestaan van een familie of een volk heb je minder mannen nodig dan vrouwen. Vandaar de bescherming van de vrouw in alle samenlevingen: voor hen lopen de mannen wacht op de muren, overleggen over het beleid, komen in de vuurlinie. Men noemt dit “gynocentrisme”: het in het centrum stellen van vrouwelijke veiligheid en welbevinden. Een element hiervan is de zogenaamde “empathiekloof”: onze evolutionair gegroeide neiging meer mee te voelen met vrouwen dan met mannen.

Van die empathiekloof nog een ander voorbeeld. In 2014 ontvoerde Boko Haram in Nigeria 180 schoolmeisjes. Wereldwijd medeleven was het gevolg. Maar wat velen nog steeds niet weten: al eerder had Boko Haram scholen overvallen, honderden leerlingen gedood, eenmaal zelfs levend verbrand – en het waren allemaal jongens. Op een gemengde school werden de meisjes vrijgelaten, de jongens gedood. Omdat de terreurgroep zo niet de aandacht van de wereld kreeg, probeerde ze het eens met de ontvoering – niet het doden! – van meisjes en dat werkte wel. Zo deed Boko Haram zijn voordeel met de empathiekloof.

Het feminisme borduurt voort op deze patronen. Het eist al meer bescherming en bevoordeling van vrouwen en doet elk mannelijk protest smalend af als kleinzerigheid. Gynocentrisme en empathiekloof spelen een hoofdrol in de trend waarvan #metoo deel uitmaakt. Een valse beschuldiging van seksueel geweld richt dikwijls evenveel schade aan als een lijfelijke verkrachting, soms meer. Maar vrouwen komen er meestal makkelijk mee weg.

Terug naar Lorena Bobbitt. Want ze is zelf terug! Ditmaal als middelpunt van een documentaire over “haar kant van het verhaal”. Als niet alle tekenen bedriegen, wordt ze daarin gepresenteerd als poster child (publiek symbool) van de seksuele onderdrukking van vrouwen en de bittere noodzaak van #metoo.

Naar aanleiding hiervan bespreken in een lange-afstandsgesprek Janice Fiamengo (zie post van 26 januari), Paul Elam (A Voice for Men) en Tom Golden (auteur van o.a. The Way Men Heal) het echtpaar Bobbitt en de stuitende ontvangst die het verhaal ten deel viel. De geluids- en beeldkwaliteit is af en toe niet goed, vooral vanuit huize Fiamengo. Maar er komen een aantal interessante gedachten langs.

Janice Fiamengo onderstreept nog eens hoe anders alles zou zijn opgevat bij een omgekeerde rolverdeling (vanaf 7:00) – zoals ik dat hierboven deed.

Het gynocentrisme – onderstreept vooral Tom Golden met de beelden van een algemene inenting en van de Möbiusband – zit ongelooflijk diep. Maar dan overvalt je toch opeens het cynisme waarmee John Bobbitt werd bejegend, de grappen over zijn afgesneden penis – ook van de kant van mannen (hierover Paul Elam vanaf 12:15).

Volgens berichten heeft Lorena Bobbitt een bijzonder laag IQ en ook John heeft kennelijk het zwarte garen niet uitgevonden. Onderzoek wijst op een correlatie tussen IQ en geweld: hoe lager het IQ, des te groter de kans op geweld in conflictsituaties (vanaf 22:20). Dat is (draag ik zelf bij aan het gesprek) een element van de verklaring waarom er in het algemeen meer strafbaar geweld wordt gepleegd door mannen dan door vrouwen: gemiddeld is er geen verschil in intelligentie tussen de beide seksen, maar zowel in de top (geniale begaafdheid) als aan de onderkant van de statistieken (problematische intellectuele armoede) zijn mannen oververtegenwoordigd. Het is natuurlijk maar één factor en de gewelddadige impuls van vrouwen wordt zeker algemeen onderschat, alleen al in de sfeer van huiselijk geweld. Maar interessant is het.

Is het extra ontzien van vrouwen, tot en met de krankzinnige toegeeflijkheid tegenover een zieke geest als Lorena Bobbitt, geheel terug te voeren op culturele conditionering? Golden vertelt (vanaf 27:00) van een onderzoek waarover hij heeft gelezen. Men ving tranen van vrouwen op en bewaarde ze (vgl. Psalm 56:9) om ze vervolgens bij mannen op de bovenlip te smeren. Daarop volgde bij die mannen een daling van het testosterongehalte. Het kan dus heel goed zijn dat het in zo’n beetje elke cultuur aanwijsbare gynocentrisme een belangrijke chemische component heeft (vgl. de rol van feromonen bij seksuele aantrekking): geuren die een beschermend instinct wakker roepen. Dat instinct – zo verbind ik de punten – zal niet alleen onmiddellijk werken, maar ook tot een geconditioneerde reflex worden in de loop van de socialisatie. Het lijkt een belangrijk spoor van onderzoek.

De cultuurstrijd: motieven (1)

Wat beweegt toch Hollywoodsterren als Robert de Niro en Alyssa Milano om voor heel de wereld hun politieke correctheid en hun Trump-haat tentoon te spreiden? Die vraag naar persoonlijke motieven is nog interessanter dan wat ik gisteren schreef over de lange-termijn-strategie van de Democratische partij.

Maar je moet de vraag ook stellen ten aanzien van mensen die geen vervreemdend sterrenbestaan leiden en ten aanzien van andere aspecten van de politieke correctheid. Wat beweegt bij voorbeeld een man als Jos van der Schot om (Trouw, 23 januari jl.) feministische ideologische clichés te verspreiden over het “schadelijke” van “traditionele mannelijkheid”? Natuurlijk zijn motieven even belangrijk waar het gaat om een meer of minder strijdbare weerzin tégen politieke correctheid, zoals de mijne.

Er is zoveel over te zeggen, dat het niet bij één post zal blijven. Vandaag deel ik een paar gedachten mee die bij me opkwamen toen ik een tekst van Janice Fiamengo las. Kent u Janice Fiamengo niet? Dat wordt tijd. Haar YouTubekanaal:
https://www.youtube.com/channel/UCwu6ByzAWMRvZ3SXoGvaYtw
En een recent commentaar op de (door genoemde Jos van der Schot zeer gewaardeerde) Gillette-reclame :
https://www.youtube.com/watch?v=qFO4xvnv_DM&feature=

Vorig jaar publiceerde Fiamengo de tweede druk van een verzameling verhalen van mannen die in het feministische tijdperk opgroeiden (Sons of Feminism. Men Have Their Say. Introduced and Edited by Janice Fiamengo. Ottawa 2018 [2]). De opdracht van het boek luidt: “Voor alle onschuldige mannen die hebben geleden door feministisch beleid en de algemene misandrie van onze tijd.” Misandry is in Canada veel meer een ingeburgerd begrip dan hier, hetgeen iets zegt over de meer gevorderde discussie aldaar. Eveneens in 2018 verscheen het complement, waarin vrouwen vertellen waarom ze in het feministische klimaat opkomen voor mannen (Daughters of Feminism. Women Supporting Men’s Equality. Introduced and Edited by David Schackleton. Ottawa 2018).

In haar bijdrage aan het tweede boek (“A License to Hate”, p. 268-274) stelt Fiamengo zichzelf ten aanzien van haar jongere ik de vraag: “waarom aanvaardde ik de feministische mythe dat ik onderdrukt was, dat de maatschappij niet alleen seksistisch was maar actief misogyn, vrouwenhatend? Hoe kwam het dat ik, beginnend in graduate school [zeg maar: de masterfase van de universiteit, MS], de feministische theorie die ik las meteen overtuigend vond, en dat op een heftige, bedwelmende manier?” Verschillende mogelijke antwoorden zijn haar te oppervlakkig. Dat de late jaren ’80 het hoogtepunt vormden van extreme feministische theorievorming en dat haar docenten aan de universiteit daar nooit tegenin gingen, haar ook niet corrigeerden toen zij zelf een scriptie en dissertatie schreef en daarbij volledig bevangen bleef in deze denktrant – dat is allemaal waar. Maar het verklaart niet haar bereidheid alle eigen ervaringen die het paradigma weerspraken te ontkennen. Hoe kon zij het “slachtoffer van onderdrukking” spelen en bij herhaling tijdens optochten haar righteous fury uitschreeuwen, haar gerechtvaardigde en daarom rechtvaardige razende woede?

En dan komt er een heel belangwekkende passage. In het woord righteous ligt volgens Fiamengo de sleutel. Ze werd geen feministe, schrijft ze, omdat ze absoluut geloofde dat alle vrouwen onderdrukt werden in een patriarchale orde, “maar omdat ik wilde geloven dat ik een onschuldig slachtoffer was, verwikkeld in een dapper gevecht tegen onrecht. Dat geloof verschafte mij een geruststellende identiteit, een bron van macht en het gevoel een doel te hebben. Hoe fijn dat is, die prikkelende opwinding van een louterende woede: onderschat het nooit. In een samenleving waar in bijna al je fysieke behoeften is voorzien geeft het een diepe voldoening om met een elektriserende urgentie te geloven dat je begrepen bent in een overlevingsstrijd.” De auteur werkt dit nog verder uit, maar ik laat het even bij dit citaat. Herlees het vooral en laat het tot u doordringen.

Als je je afvraagt waarom Fiamengo zo helder is in haar analyses van de – in zijn strekking totalitaire – waanzin van het feminisme, dan ligt hier het antwoord: ze kijkt ook naar binnen. Ik moet denken aan wat Peter Ackroyd schreef over George Orwell: “Hij zag door alles heen omdat hij ook door zichzelf heen zag.” Als vanzelf komt ze van de persoonlijke op de culturele en historische dimensie: de ongekende bescherming die de moderne samenleving biedt tegen de hardheid van de natuur, tegen ziekte en schaarste. Zelfs tegenover het betrekkelijk recente verleden (denk aan de wereld van onze grootouders) is dat een groot verschil. Maar de culturele fase-overgang is al langer bezig en is wezenlijk als achtergrond voor de discussies over man-vrouw-verhoudingen, feminisme en mannenrechten. Dit besef speelt een belangrijke rol bij auteurs als Warren Farrell en Tim Goldich. De “samenleving waar in bijna al je fysieke behoeften is voorzien” vraagt om een nieuw doordenken van man-vrouw-verhoudingen. Dit trouwens niet in de laatste plaats omdat de fysieke infrastructuur van die samenleving op kritieke momenten altijd weer vraagt om de kracht, pioniersgeest, kundigheid, inzet en specifieke durf van mannen.

Wat in de aangehaalde passage staat over de vertroosting van zich te mogen zonnen in een mooie, zelfs edele persoonlijke identiteit verdient aparte aandacht. De geschetste nieuwe cultuurfase – de robotisering zal nog een intensivering betekenen – brengt nieuwe psychologische gegevens met zich mee: nieuwe problemen, nieuwe aberraties.

Er zit aan dat zich-rechtvaardig-voelen ook een theologische kant. In de afgelopen jaren heb ik enkele Latijnse teksten van Luther vertaald voor de wetenschappelijke uitgave van prof. Markus Matthias. Daarin gaat het veel over “rechtvaardiging”: hoe word je als mens rechtvaardig voor God, hoe kom je in de rechte verhouding tot hem te staan? en hoe blijf je in het goede spoor? Bij het antwoord op deze vragen speelden in vroomheid en theologie van de late Middeleeuwen “goede werken” een grote rol. Je moet daarbij denken aan herkenbaar vrome handelingen, zoals een bijdrage aan de bouw van een kerk of een bedevaart. Luther besefte dat hier iets heel erg wrong met de kern van de Bijbelse boodschap en hij sprak dat helder uit: het is van A tot Z God die het goed maakt met ons, niet wij met hem, zelfs niet met een heel klein eerste stapje. Het christelijk leven is daarom een geschenk en een veel meer spontane, minder pretentieuze, ook minder angstvallige zaak dan wat Luther om zich heen zag en wat door veel zielzorg nog gestimuleerd werd op de koop toe. Het verlangt niet dat je voortdurend kunt aanwijzen dat je aan de goede kant staat. Jezelf rechtvaardig voelen, liefst meer dan een ander, je aan dat gevoel bedrinken – het is natuurlijk allemaal in het protestantisme en bij Luther zelf ook voorgekomen. Maar in elk geval heeft hij omstreeks 1520 een centraal theologisch én psychologisch probleem in het volle licht gesteld. Er volgde een periode van verbreiding en intensivering van zulke Bijbelse beseffen. Ze nestelden zich nog sterker in de westerse beschaving – juist in die beschaving die heden ten dage zo graag als de bron van alle kwaad wordt aangewezen (“Hey hey, ho ho, western civ has got to go”). Het is geen toeval dat in onze tijd en in verband met de afkeer van al wat westers is het probleem van de zelfrechtvaardiging terugkomt. Schouderklopjes van een God zijn daarbij niet nodig, maar dat is minder belangrijk dan het lijkt. Het persoonlijke, overweldigende gevoel van rechtvaardig te zijn en gerechtvaardigd in een tomeloze woede heeft ook zonder die traditionele vorm een religieuze dimensie. Deze ligt in het streven naar wat Thomas Sowell noemt: kosmische gerechtigheid. (Voor Thomas Sowell, zie de post van 24 januari.)

Genoeg voor dit keer, misschien teveel om snel te verteren. Op allerlei elementen van het voorgaande hoop ik nog terug te komen. En zeker zal de naam van Janice Fiamengo daarbij regelmatig vallen.

De petjes van de Covington-jongens

Amerika is er nog mee bezig. Natuurlijk, Venezuela, de overheidssluiting en de strijd om de State of the Union beginnen de echo’s van Sandmann vs. Phillips (zie post van 23 januari) te overstemmen. Maar een deel van progressief Amerika kan zijn misstap nog niet erkennen. Sommigen graven zich een schuttersputje.

Eén variant op “en toch is het de schuld van Trump” krijgt veel aandacht: de jongens droegen MAGA-petjes, een bekend attribuut van Trump-aanhangers. Dat heeft op mij hetzelfde beangstigende effect, zei CNN-medewerkster Angela Rye, als de witte kap van de Ku Klux Klan. Actrice Alyssa Milano maakte die vergelijking al eerder en bleef erbij, in een commentaar op The Wrap: “Deze jongens, van een religieuze school, waren daar op een trip van de school om te protesteren tegen de rechten van een vrouw op reproductieve vrijheid. Sommige van die jongens droegen MAGA-petjes, een pet die synoniem geworden is met wit nationalisme en racisme. Sommigen maakten het gebaar van hakken met een tomahawk. Sommigen lachten. Toen ik die video zag, zag ik jongens die pronkten met hun entitlement en die hun toxic masculinity ten toon spreidden. Voor mij weerspiegelden ze het witte nationalisme en racisme waar die petjes op hun hoofd voor zijn komen te staan.” (Voor wie de opkomst van de identiteitsreligie niet gevolgd heeft: entitlement = de aanmatigende houding van wie denkt op van alles zomaar recht te hebben, met name als die persoon man en/of blank en/of hetero is; toxic masculinity = de gevaarlijk consequente vorm van traditionele mannelijkheid.)

Om te beginnen: was Obama nog president, dan zou niemand aanstoot nemen aan petjes met de tekst “Yes we can”. Dat op zich is al een aanwijzing dat je in de huidige VS veiliger liberal (= progressief) dan conservatief, Democraat dan Republikein kunt zijn.

Maar goed, Alyssa Milano formuleert (per ongeluk) zorgvuldig als ze spreekt van “het blanke nationalisme en racisme waar die petjes op hun hoofd voor zijn komen te staan“. Ze bedoelt het niet zo, maar inderdaad: de petjes hebben een betekenis gekregen door de definitiemacht van de tegenstanders van Trump. Echte white supremacists (= voorstanders van dominantie van het blanke ras) zijn er zeker in de VS, zoals er ook black supremacists zijn, Louis Farakhan is van het laatste een duidelijk voorbeeld. Maar onder de Trump-bewonderaars vormen racisten een kleine minderheid. Zeker zo verontrustend is wat er onder Democratische politici en kiezers leeft aan blankenhaat, mannenhaat en haat tegen de westerse beschaving.

Reeds vanaf 2000 bombardeerden Democraten en geestverwanten in de media de Bush-regering aanhoudend met het verwijt van “racisme”. Bush gaf daar noch als persoon noch met zijn beleid aanleiding toe, maar daar ging het niet om: beeldvorming was het doel. Dat was en is een belangrijk wapen om zwarte kiezers massaal binnen het Democratisch electoraat te houden. Dat onder Bush voor het eerst in de geschiedenis zwarte Amerikanen het land naar buiten toe vertegenwoordigden, met achtereenvolgens Colin Powell en Condoleezza Rice als minister van Buitenlandse zaken, het mocht niet helpen. Het beeld moest gevestigd worden: Republikeinen zijn openlijk of heimelijk racisten.

Vanaf 2016 is die campagne geïntensiveerd. Bij iedere handeling of uiting van de nieuwe president zoekt de pers naar een duiding als racisme (of islamofobie of vrouwenhaat of homofobie of transfobie – er is een heel ideologisch kretenapparaat ontwikkeld, maar “racisme” is de belangrijkste categorie, met “vrouwenhaat” als goede tweede). Noemt hij bij voorbeeld illegale immigratie een groot probleem (zoals tien jaar geleden prominente Democraten ook deden) en de toestanden aan de grens met Mexico een crisis (zoals indertijd Obama deed), dan is dat racisme: hij wil natuurlijk Amerika blank houden! Gebruikt hij intern over enkele rommelige Afrikaanse landen het soort stoere taal waar iemand als president Johnson bekend om stond? Racisme! Het gaat natuurlijk eigenlijk om de huidskleur van de inwoners…

Trump is af en toe klunzig. Een white supremacist, een echte dit keer, reed in augustus 2017 bij een akelig soort demonstratie (anti-zwart en antisemitisch) in Charlottesville op een groep voetgangers in en doodde daarbij de 32-jarige Heather Heyer. De hele dag al waren er, deels gewelddadige, confrontaties geweest tussen demonstranten en tegendemonstranten, terwijl een met geweren bewapende derde groep had gepretendeerd de orde te komen herstellen. In zijn eerste reactie betreurde de president uiteraard de dood van de vrouw, maar hij vermeed het ten aanzien van de onoverzichtelijke gebeurtenissen partij te kiezen. Begrijpelijk, als je weet hoezeer geweld en dreiging met geweld al sinds jaar en dag kenmerkend zijn voor bepaalde linkse activisten – ANTIFA heten ze: anti-fascisten – maar wijs was het niet. We wisten het al: in de genuanceerde benadering ligt niet Trumps kracht. Bij de verschillende betrokken groepen, zei hij, waren er goede mensen, maar was er ook verwerpelijk gedrag geweest. Een misser, die verontwaardiging wekte. Waarop Trump alsnog de pers bijeenriep en verklaarde: “Racisme is kwaadaardig; en wie in naam daarvan geweld bedrijven zijn misdadigers en schurken; dat omvat de KKK, neo-Nazis, white supremacists en andere haat-groepen.” Er is geen reden om aan te nemen dat hier ook maar één woord niet gemeend is.

De campagne om Republikeinen te doodverven als racisten dateert al van lang voor Trumps aantreden als president. Ze is deel van een electorale strategie en van de cultuurstrijd rondom de identiteitsideologie. Wat het eerste betreft: de Democraten moeten tot elke prijs de zwarte kiezer vasthouden en zoveel mogelijk hispanic immigranten het gevoel geven dat ze alleen onder een Democratische regering veilig zijn. Wat het identiteitsdenken betreft: het creëert zelf in de geesten de vijanden die het nodig heeft. Dat lukt verbazend goed: volgens een recent onderzoek is de meerderheid van de Democraten ervan overtuigd dat Republikeinen racisten zijn – nou ja, voor wat zo’n enquête waard is, om maar te zwijgen van de presentatie door journalisten. Maar toch, het succes van de campagne is onmiskenbaar.

Trumps populariteit en zijn overwinning in 2016 waren in hoge mate een reactie op dit alles. Conservatieve christenen, arbeiders in vervuilende industrieën of economisch neergaande gebieden, bewoners van de staten in het midden van het continent, jaar in jaar uit waren ze weggezet als bekrompen, fanatiek, naar het verleden gericht, vrouwenhaters dan wel vrouwelijke zelfhaters – en racisten natuurlijk: gevangen in angstige afweer van het paradijselijk veelkleurige, diverse Amerika dat eraan kwam. Het waren Hillary Clintons deplorables (“sneue types”), Obama’s clingers (“zich vastklampend” aan het verleden en aan hun wapens). Volgens Joe Biden maakten ze gemene zaak met the dregs of society (“de droesem van de maatschappij”). Het MAGA-petje was en is tegenover dit alles een symbool van herwonnen waardigheid.

Die waardigheid is het die hun niet wordt gegund – niet wordt gegund door de zelfverklaarde kosmopolieten in de grote steden aan de Oost- en de Westkust, niet door de multimiljonairs die de top van de twee partijen (en vooral van de Democratische) uitmaken, niet in de villa’s van Palo Alto waar Ms. Blasey Ford en haars gelijken wonen, niet in Hollywood, de habitat waarin Robert de Niro en Alyssa Milano gedijen. Vandaar dat die tieners met hun petje van Alyssa nog steeds de wind van voren krijgen – na alle haat en smerigheid die ze al te verduren hadden.

Dat de andere hoofdpersoon in het drama, Nathan Phillips, blijkt te hebben gelogen én over zijn Vietnam-veteraan zijn én over het verloop van de gebeurtenissen bij het Lincoln Memorial en dat hij bovendien op diezelfde vrijdag heeft getracht een rooms-katholieke eredienst te verstoren – het interesseert Alyssa en haar geloofsgenoten niet. Sterker nog, tot dit alles is Phillips gerechtigd: krachtens de mythe van “de edele wilde” en omdat we were all wounded at Wounded Knee. Deze blanco cheque zal Phillips zeker verzilveren. Grootmoedig als Winnetou, heeft hij zich al bereid verklaard leerlingen en docenten van Covington Catholic High School iets te komen leren over “diversiteit”. Hij hoeft niet op veel sarcasme te rekenen – niet bij Alyssa Milano, niet bij die Amerikaanse media waar Nederlandse journalisten veelal hun wijsheid uit putten. Als ik in de VS woonde, kocht ik nú een MAGA-petje.