Het narratief (n.a.v. Kavanaugh) (VI – intermezzo)

Waarom vordert deze serie zo langzaam, met horten en stoten? Zeker, een persoonlijk verlies heeft in het afgelopen half jaar mijn schrijflust vaak geblokkeerd. Maar dat is niet alles. Al weet ik prima wat ik wil zeggen, al kan ik me aardig uitdrukken (zij het volgens een regelmatig terugkerend commentaar: wel wat al te compact), juist het huidige thema voedt een verlammende onmacht. Het is alsof je voor de wateren van de Rietzee staat en de keus lijkt: verdrinken of door Farao’s leger in stukken gehakt worden. Je kunt geen kant op, al weet je dat er eigenlijk maar één richting is: vooruit. (Dat is de strekking van Luthers De servo arbitrio, een boek dat ik met vreugde heb vertaald.) Je wil vertrouwen dat het water zal wijken, maar de van achteren als donderwolken aanstormende paarden en strijdwagens doen de grond onder je voeten al dreunen en als je over je schouder kijkt, flitst en blikkert het onheilspellend over de hele breedte van je blikveld.

Maar goed, er zijn rimpelingen die beloven dat er zich vóór ons een pad tussen de watermuren zal vormen. Laat ik het maar even over zo’n rimpeling hebben, misschien helpt dat.

Tijdens een Trump-rally in Bossier City (Louisiana) noemde senator John Kennedy zich gisteren “een trotse deplorable”. U weet misschien dat deplorables een van Hillary Clintons minachtende termen was voor “de helft van de” – maar de strekking was onmiskenbaar: alle – Trump-aanhangers. (Zie op deze site nog eens aflevering 3 van Victor Davis Hanson: The Case for Trump, 4 april jl.) Het is een geuzennaam geworden. Het doet me goed dat ook senatoren zeggen: hier, bij deze mensen, wil ik staan en niet daarginds bij de keurige Republikeinen van het type Mitt Romney, laat staan bij al die tirannieke Democraten. Eén mogelijke en goede reactie op het narratief “Trump-aanhangers zijn zielige figuren” is inderdaad: “Ik laat me door iemand als jij, Hillary Rodham Clinton, graag zielig noemen! Het maakt alleen maar dat ik des te vastberadener zal staan voor mijn overtuigingen.”

Voor deze houding is Trump zelf, in heel zijn verschijning en optreden, momenteel de belangrijkste inspiratiebron. Hij maakt dat onder meer duidelijk in zijn reactie op het impeachment-verhaal zoals dat verteld wordt door de Democraten en hun roeptoeter, media als The Washington Post en CNN. Bij ons bieden kranten als Trouw en het AD alsmede de publieke omroep een wat minder kreterige, maar overigens onkritische versie van precies dat verhaal. Wat doe je ertegen? Canadese commentator Mark Steyn ziet het bij Tucker Carlson op Fox zo:

“In deze situatie stáát de president daar eigenlijk gewoon en zegt: ‘Toe maar, kom maar op! — Al zou je het doen [nl. de afzettingsprocedure voortzetten] dan nog zou ik in november meedoen en de verkiezing winnen’ — Zo doe je dat. Dit is waarom mensen op hem gestemd hebben: je achterban wil dat een kandidaat weerwerk geeft.”

Het zijn niet alleen Amerikaanse kiezers achter Trump of weifelachtige, met het bestaande verbonden, Republikeinen die uit die houding moed putten om hun rug te rechten. Ook voor mij is het een hart onder de riem. Vervolgens kan ik dan weer wat beter de schijnbare almacht van het “Trump-is-vreselijk”-narratief in Nederland relativeren. Ja, Trouw doet het slecht, maar binnen die redactie is Sije Slager een klein beetje minder erg dan Bas den Hond. De NRC is weer evenwichtiger dan Trouw. En in Leon de Winter (De Telegraaf) hebben we in elk geval één columnist die resistent lijkt tegen wat in de VS heet het Trump Derangement Syndrome. Zo krijg ik wat lucht.

“Aha!”, is hier de Pavlov-reactie van links waarop ik mag rekenen: “U valt voor een sterke man! U loopt in uw beklagenswaardige (deplorable!) verwarring en onzekerheid achter een populistische rattenvanger aan!” Ook dat een populair narratief – maar vooral een denkstoplap. Als de geschiedenis zich al herhaalt, dan in elk geval niet letterlijk. De grootste dreiging voor de humaniteit in Amerika en in Europa is ditmaal niet het autoritarisme van solitaire dictatoren. Veel gevaarlijker is het autoritarisme van krachtige ideologische stromingen en groepen, die aanhoudend druk uitoefenen op onderwijs, nieuwsvoorziening, rechtspraak en wetgeving. Kijk voorbij het politieke naar het culturele. De politiek immers ligt stroomafwaarts van de cultuur, volgens het adagium van Andrew Breitbart.

Kijk naar wat senator Kennedy tijdens de rally in Louisiana noemde: “de latte drinkende, avocado-toast etende insiderselite”. Kijk naar de Amerikaanse universiteiten, waar de klassieke opvatting van de vrijheid van meningsuiting uitdrukkelijk wordt aangevochten door docenten en studenten. Kijk hoe hetzelfde geldt voor de onschuldpresumptie (= je wordt geacht onschuldig te zijn totdat je schuld aan een misdrijf wettig en overtuigend bewezen is). Kijk hoe dat opgeven van westerse kernwaarden zich van daaruit verbreidt in pers, bestuur, wetgeving, rechtspraak. Kijk hoe niet alleen de familie Biden, maar ook internetgigant Google en de Amerikaanse basketbalbond, de NBA, tegen het totalitaire China aanschurken als het goed is voor hun portemonnee.

Donald Trump is tegenover dat alles een symbool van verzet. Zijn herverkiezing in 2020 – wie weet! – zou mij goed doen. Een nog belangrijker rimpeling in de doodswateren vóór ons is het groeiend verzet van veel conservatieve jongeren in de VS tegen de cultuur die ik schetste. Ik wijs nog eens op Candace Owens en haar gasten:

https://www.prageru.com/candace/

The Russia Hoax

Een onzin-verhaal, een hoax, zo heeft Donald Trump steeds de suggestie afgedaan dat hij tijdens zijn verkiezingscampagne in 2016 onder één hoedje zou hebben gespeeld met de Russen. Volgens de teleurgestelde Hillary-aanhangers (en die bevolkten een groot deel van de media) zat het zo: de Russen hadden Trumps verkiezing slinks bevorderd, hij zou het Amerikaanse beleid op het wereldtoneel aanpassen aan hun behoeften. Aan dit haakje werd het nog steeds lopende onderzoek van speciaal aanklager Robert Mueller opgehangen.

Dat onderzoek is politiek gemotiveerd. De lijn van de Democraten en media als CNN, MSNBC, Washington Post en andere was vanaf dag één van dit presidentschap: delegitimeren – Trump mag dan formeel ons staatshoofd zijn en volgens de regels verkozen, hij is toch een usurpator; je krijgt hem niet een-twee-drie weg natuurlijk, maar je kunt in elk geval onophoudelijk spreken over zijn afzetting en de gronden die je daarvoor ziet. En je kunt zijn handen binden met onderzoeken. Dat laatste lijkt al in de aanloop naar de verkiezingen door Trump-haters in de top van de FBI te zijn overwogen als Plan B, voor het onwaarschijnlijke geval dat Hillary niet de nieuwe president zou worden. Wanneer straks – eindelijk – Mueller met zijn eindverslag komt, zal er wel een soort interpretatie-oorlog losbarsten, met conclusies uiteenlopend van “zie je wel: samenspannen! landverraad! afzetten!” tot “zie je wel: een hoax!”

Los van de politieke waardering van een en ander is er de juridische kant. Hebben FBI, CIA en andere instanties binnen hun grondwettelijke en wettelijke bevoegdheden gehandeld? Er is tot nog toe geen enkele aanwijzing dat de president dat niet gedaan heeft. Veel duidt er echter op dat zijn tegenstanders binnen het regeringsapparaat een loopje hebben genomen met de wet en daarbij elkaar de hand boven het hoofd hebben gehouden.

Hoe merkwaardig bij voorbeeld dat (de uiteindelijk in mei 2017 door Trump ontslagen) FBI-directeur James Comey de resultaten van het FBI-onderzoek naar Hillary Clintons onwettige omgang met vertrouwelijke en topgeheime gegevens niet doorleidde naar de degenen die eventueel een beslissing tot vervolging konden nemen. En dan gebeurde dat ook nog eens in dezelfde tijd dat men de Trump-campagne begon te bespioneren, met misleiding van de rechter die daarvoor toestemming moest geven. Er zijn veel van zulke uiterst dubieuze momenten in “de jacht op Trump” (want zo mag je het toch wel noemen). Net als in de jacht op rechter Kavanaugh van afgelopen september-november lijkt het ook ditmaal progressief Amerika dat de beginselen van de rechtstaat ondergeschikt maakt aan gewenste politieke uitkomsten.

De juridische kant van de zaak wordt helder uiteengezet door Gregg Jarrett in zijn boek The Russia Hoax: The Illicit Scheme to Clear Hillary Clinton and Frame Donald Trump (2018).

Afbeeldingsresultaat voor the russia hoax afbeeldingen

De kracht van het boek ligt in twee zaken die de ervaren jurist verraden: 1. Jarrett verzamelt alle bekende feiten, zonder hele theorieën te bouwen op zijn beperkte speculaties over wat we niet weten; 2. hij legt die feiten naast alle eventueel relevante wetgeving, die hij zorgvuldig interpreteert. Het beeld dat je zo krijgt past beter in de sfeer van Fox News dan in die van CNN. Jarrett verschijnt dan ook regelmatig in Fox-programma’s. Op grond van de meer retorische passages van zijn boek is zijn politieke voorkeur wel te raden en behalve de titel wijst ook de ondertitel in een bepaalde richting: “De onwettige opzet om Hillary Clinton vrij te pleiten en Donald Trump erin te luizen”. Maar het gaat niet primair om een politieke, maar om een juridische stellingname. Wie de strekking van het betoog, in de ondertitel uitgedrukt, wil bestrijden zal daar een harde dobber aan hebben. Op essentiële punten kon het wel eens een onmogelijke opgave blijken.

The Russia Hoax is een boek van hoog juridisch en journalistiek niveau. Niet echt goedkoop (€ 30,99), maar voor journalisten die over de VS schrijven en voor ieder die de rechtstaat misschien wel het kostbaarste goed van de westerse beschaving vindt is het verplichte kost.

Het testosteronplafond

Toen ik op de ochtend van 9 november 2016 de NOS-site bezocht was ik uitermate verrast: Donald Trump had het hem geflikt! Niet dat ik het hem gunde, pas later zou de gunfactor toenemen. Ook toen al was ik echter niet onder de indruk van het verhaal “De jaren dertig keren terug! We beleven een opmars van sterke mannen! Trump is er een van! Democraten, antiracisten en antiseksisten, verenigt u!” Maar ik vond the Donald gewoon een rare snuiter die niet in het Witte Huis thuishoorde. Had ik in de VS gewoond, dan had ik waarschijnlijk tandenknarsend op Hillary gestemd, zo meende ik toen. Inmiddels weet ik meer van mevrouw Clinton en is mijn antipathie jegens haar dermate toegenomen dat ik het dilemma van miljoenen Amerikanen op die achtste november 2016 beter kan navoelen: moeten kiezen tussen twee onmogelijke kandidaten.

Echt blij met Hillary’s nederlaag (niet per se met Trumps overwinning) werd ik kort daarna. Ik las het bericht over een feestelijk moment dat was voorzien voor na haar onontkoombaar geachte triomf: in de hal waar zij haar speech zou houden zouden duizenden plastic snippers van het plafond neerdalen op de enthousiaste menigte, symbool van het doorbroken “glazen plafond”. Het was mij opeens een troost dat Hillary Clinton het Witte Huis niet gehaald had.

Ik schreef het gisteren al: in de identiteitspolitiek (waar ook Clinton haar kracht in had gezocht) speelt het feminisme de hoofdrol. De notie “glazen plafond” – meestal zonder aanhalingstekens gebruikt, als betrof het een objectief gegeven – vertegenwoordigt de diepe onwaarachtigheid die het hele feminisme doortrekt. Het begrip suggereert dat er geen zichtbare, rationele verklaring is voor het gegeven dat vrouwen in bepaalde sectoren van de maatschappij slechts in beperkte mate doordringen tot hogere, machtiger, meer status verlenende en beter betalende posities. Bij ontstentenis van zo’n verklaring blijft er maar één conclusie mogelijk, zo gaat men dan verder: vrouwen worden achtergesteld puur op grond van seksistische vooroordelen.

Er is echter wel degelijk een reeks factoren aan te wijzen die het fenomeen verklaren en die erop neerkomen dat mannen gewoon anders in elkaar zitten dan vrouwen. Ik noem een paar dingen, die onderling verband houden. Mannen zijn door de bank genomen meer competitief in de publieke sfeer. Ze zijn vaker bereid vrijwel zonder ophouden te werken aan de opbouw van iets of aan hun eigen loopbaan. Moeten ze zich persoonlijk meten met anderen, dan worden ze daarbij geholpen door hun mannelijke hormoonspiegel.

Ik kan verder gaan, maar deze paar factoren volstaan als draagvlak voor de stelling: het glazen plafond is helemaal niet van glas, is niet doorzichtig. Er is wel een plafond, maar men maakt dat doorzichtig door allerlei mogelijke verklaringen systematisch buiten beschouwing te laten. Laten we de factoren die beloven tot echt inzicht te leiden samenvatten in de term “testosteronplafond”. Dat is natuurlijk kort door de bocht: het verwijst naar de wetenschap, maar het pretendeert niet de bevindingen van neurologie, endocrinologie, persoonlijkheidsonderzoek enzovoorts in één term samen te vatten. De verwijzing is evenwel zinvol: het inzicht in structurele verschillen tussen mannen en vrouwen neemt in de genoemde wetenschappen alleen maar toe.

Voor wie even nadenkt brengen de paar genoemde factoren nog iets anders aan het licht. Ze verklaren niet alleen waarom vrouwen (althans zonder bevoordeling op grond van hun sekse) moeilijker bepaalde topfuncties bereiken. Ze verklaren ook waarom niet alle mannen die dat willen erin slagen en waarom niet alle mannen het nastreven. Immers, we hebben het over statistische verschillen tussen mannen en vrouwen. Dat zijn tevens statistische verschillen tussen mannen onderling. Niet alle mannen beschikken in gelijke mate over het pakketje eigenschappen waarmee je een directiezetel ambieert, er een serieuze kandidaat voor bent of dat doel ook daadwerkelijk bereikt. Tegen het testosteronplafond stoten mannen even hard hun hoofd als vrouwen – en meer mannen dan vrouwen – en mannen al veel langer dan vrouwen.

Moeten we de mannen die het niet of net niet redden tot op de power floors beklagen? Ach nee, ze kiezen zelf voor deze weg. De meeste mannen verdelen hun krachten over andere aspecten van het leven, vinden daar ook voor hun competitieve behoeften uitlaten. Gevolg: ze stoten hun hoofd niet. Wel past de kanttekening dat een mooie carrière en status de kansen van een man op de markt van seks en huwelijk verhogen. Voor veel vrouwen – niet in de laatste plaats feministische – maken de eigenschappen die tot status en een goed inkomen leiden iemand begeerlijk als partner. Mannen hebben in zoverre meer reden om competitief te zijn dan vrouwen. Vrouwen die zogenaamde “topfuncties” ambiëren hebben veelal een ander type motivatie: ze lijken meer bezig aan een ideologisch ideaalbeeld te voldoen.

Niet alle mannen die wel zouden willen of die het ernstig proberen redden het tot aan de top – dat is nu zo, dat was in de tijd van onze grootouders zo en als niet alle tekenen bedriegen was het honderdduizend jaar geleden ook al zo. We zagen in 2016 een gedoodverfde vrouwelijke presidentskandidaat gepasseerd worden. Maar hoe vaak zal niet een gedoodverfde mannelijke kandidaat gepasseerd zijn als nieuw stamhoofd? Hoeveel mannen zijn niet teleurgesteld in hun hoop partner in een accountants- of advocatenfirma te worden? Hoeveel mannen zijn in de loop der eeuwen een professoraat misgelopen bij gebrek aan een voldoende effectieve elleboogslijper – of gewoon aan een gezonde competitieve instelling? Het testosteronplafond is een realiteit, maar één waar het feminisme moeilijk zijn voordeel mee kan doen. Gebruik je eenmaal deze andere term, dan komen er dingen in beeld die door de mythe van het “glazen plafond” juist onzichtbaar gemaakt worden.

Met een “testosteronplafond” kunnen feministen niet veel. Stel je voor dat je voortdurend je betoog moest beginnen met: “natuurlijk stoten hier sinds mensenheugenis vrijwel alleen mannen hun hoofd”. Dat verzwakt de indruk van al het volgende. En moet je nu gaan zeggen dat de bult op het hoofd van die mannen hun verdiende loon is, maar dat vrouwen die hun lot delen een groot onrecht wordt aangedaan? Misschien zou iemand er nog een draai aan willen geven met: “het feminisme vecht ook voor mannen die de top niet halen, zodat ook die alsnog in de directiekamer terechtkomen”. Laat wie het wil het vooral geloven.

Het zal u nu duidelijk zijn met welke intentie journalisten hardnekkig blijven spreken van “het glazen plafond” – en dan zonder aanhalingstekens. Een begrip dat bij uitstek ideologisch is, een deel van de werkelijkheid wil afdekken, wordt ons dag in dag uit gepresenteerd als ongeveer zo waardevrij als “bruto binnenlands product” of “tweetakt motor” – en dat moet ook: de mensen mochten er eens over gaan nadenken. Onder die mediadruk kun je je machteloos voelen. Maar soms breekt dan ineens de werkelijkheid door de verstikkende beelden. Amerika heeft in Hillary Clinton tenminste nog één keer de identiteitspolitiek afgestraft. Misschien voor het laatst in lange tijd, wie weet. Hoe dan ook, het verhaal van de plastic snippers die niet mochten neerdalen terwijl de verslagen kandidate zat te mokken op haar hotelkamer maakte in mij een gevoel wakker dat mannen en vrouwen even vertrouwd is: leedvermaak.