In het winkelcentrum bij het Lissabonse metrostation Baixa-Chiado zie ik op een groot televisiescherm beelden van een praatprogramma. Geluid is er niet bij, maar constant staan er links in het scherm een paar dingen die we als kijkers tot ons moeten laten doordringen. Rechts in beeld praat een middelbare heer met kennelijke deskundigheid over wat links in beeld te leren is: Violencia doméstica, huiselijk geweld, met daaronder 2004-2018 504 mulheres, en weer daaronder 2018 zo- en zoveel mulheres. Het zullen wel dodelijke slachtoffers in Portugal zijn, geen daders. Vrouwelijke slachtoffers dus, want een mulher is een vrouw. Ik wacht een tijdje of er ook cijfers verschijnen over homens, mannen, maar nee… Ach nee, dat had ik toch ook nauwelijks verwacht? Gegeven die 504 vrouwen is het een redelijke schatting dat er in de genoemde periode zo’n 125 mannelijke dodelijke slachtoffers te betreuren waren. Die verhouding gaat tenminste elders in de westerse wereld ongeveer op. Maar het televisieprogramma maakt zijn kijkers hier niet wijzer over.
De droom van Mal Maguire, een Canadees mannelijk slachtoffer van huiselijk geweld, was het maken van een documentaire over mannen die geweld ondergaan van hun vrouwelijke partner. Toen hij zelf in die situatie verkeerde, was er nauwelijks hulp te verkrijgen. Er waren in Canada wel ca. 300 voorzieningen voor vrouwen, maar niets voor mannen. Een psycholoog en een psychologisch onderlegde rooms-katholieke geestelijke waren er gelukkig wel voor hem. Maar de wereld van de specifiek op partnergeweld gerichte hulpverlening werd en wordt in Canada gedomineerd door feministen. Dat geldt voor organisaties op dat gebied en voor de overheid, terwijl er aan de universiteiten door serieuze onderzoekers in de traditie van Murray Strauss nog altijd strijd geleverd moet worden. Ook daar heerst een doctrinaire ideologische visie, waarin slechts plaats is voor mannelijke daders en vrouwelijke slachtoffers.
Omdat Mal geen filmmaker is, ging hij op zoek naar professionals op het gebied van beeld en geluid. Enkelen waren wel geïnteresseerd in het project, maar durfden het niet aan: het onderwerp was te heikel. Een van hen sprak het onomwonden uit: als ik dit doe, kom ik op een zwarte lijst, dan word ik voor andere mogelijke opdrachten geboycot.
De documentaire lijkt er nu toch te komen. Een Nederlandse filmmaker geeft Mal de nodige ondersteuning, Janice Fiamengo steekt eens te meer haar nek uit en gaat proberen fondsen te werven. Ik hoop dat Mal zijn film krijgt. En dat hij ook in Nederland uitgezonden wordt. En in Portugal.
Vandaag twee thema’s: abortuswetgeving en partnergeweld. Ze worden verbonden door uitgelichte iconische bouwwerken en het gynocentrisme waarover het gisteren ook ging.
Onlangs tekende de gouverneur van de staat New York, Andrew Cuomo, een wet die abortus legaal maakt tot in het derde trimester, dus tot aan een voldragen zwangerschap. Zoals te verwachten, vrezen voorstanders geen kwalijke praktijken. Een zo dramatische beslissing als tot een late abortus zal nooit lichtvaardig genomen worden, veronderstelt men. En zulke complexe en delicate situaties laten zich niet in precieze wetsbepalingen vangen: de autonomie van de vrouw en de met haar overleggende artsen moet optimaal gegarandeerd zijn. Tegenstanders stellen vragen bij het criterium “gevaar voor de gezondheid van de moeder”: hoe ernstig gevaar? ook geestelijke gezondheid? wat valt daar allemaal onder?
Hoe je ook over deze wetgeving denkt – en ze gaat in een aantal opzichten verder dan het geldende Nederlandse recht – op zijn minst bevreemdend is het geweldige enthousiasme waarmee de New Yorkse senatoren hun eigen besluit beklonken: bij de ondertekening door Cuomo werd er luid en langdurig geapplaudisseerd, met veel stralende gezichten, echt een feestelijk moment. Dat past niet goed bij het onderwerp, zou je zeggen. Maar dat is het ‘m nu juist. Wat was het onderwerp van het tekenmoment: wetgeving over een hoe dan ook gruwelijke zaak of het goede gevoel dat de aanwezigen over zichzelf hadden? Zijzelf zouden nog iets anders zeggen: het is een geweldige stap in de verovering van rechten voor de vrouw. Voor velen is dat niet alleen het beheersende, maar praktisch het enige gezichtspunt in de discussies rond abortus.
Op 22 januari (de verjaardag van Roe vs Wade, de beslissing van het Hooggerechtshof uit 1973 om de restricties op abortus in bepaalde staten ongrondwettelijk te verklaren) werd het One World Trade Center in New York roze uitgelicht om de nieuwe wetgeving te vieren. Gaat dat niet heel erg ver? Niet als jouw progressiviteit niet enkel een standpunt onder andere standpunten is, maar een vorm van morele pioniersgeest of een soort publieke religie.
Zulk uitlichten als in New York gebeurt vaker. Na aanslagen in Parijs kleurden er rond de hele wereld bouwwerken met een symbolische status rood wit en blauw. “Samen sterk staan tegen geweld en ander onrecht, solidair zijn met slachtoffers” – dat lijkt de gedachte. In het New Yorkse geval zouden de slachtoffers dan zijn: vrouwen die geen abortus mogen laten plegen. Afgelopen november werden in Rotterdam de Erasmusbrug, de Euromast en de Hofpleinfontein in oranje licht gezet om aandacht te vragen voor geweld tegen vrouwen. Wat de beide stadsbesturen verbindt, is de gedachte dat vrouwen vanouds onderdrukt worden en daardoor straffeloos aangetast in hun lichamelijke en geestelijke integriteit, een historisch onrecht waartegen mannen als Cuomo en Aboutaleb opstaan, zij aan zij met hun strijdbare zusters. Die visie mag er zijn en haar plaats opeisen in de discussies. Maar ook op de eenzijdigheid ervan mag gewezen worden. Zorg om het lot van een volgroeide menselijke vrucht is geen vrouwvijandigheid en de dood van zulke kinderen geen reden voor een feestje. En ook tegen de flinkheid van het Rotterdamse stadsbestuur zijn heel redelijke bezwaren in te brengen.
Laten we de Amerikaanse abortusdiscussie aan de Amerikanen overlaten en ons beperken tot de sentimenten aan de Maas. Ik ben tegen geweld tegen vrouwen. Daar zitten Aboutaleb en ik op één lijn. Maar ik heb ook een grote hekel aan geweld tegen mannen. Niet dat ik deze tweede soort erger vind dan de eerste. Ook als bestuurlijk probleem weegt geweld tegen mannen wat mij betreft niet zwaarder, al komt het vaker voor. Nee, beide categorieën zijn even ernstig, dat lijkt me evident. Daar denken de Rotterdamse bestuurderen dus anders over. De sekse van het slachtoffer maakt voor hen alle verschil van de wereld. Dat roept toch wel de vraag op: hoe zouden de reacties geweest zijn als men op straat bloemen had uitgedeeld en de Euromast oranje had uitgelicht voor de blanke slachtoffers van geweld? of voor de niet-joodse? of exclusief voor de mannelijke?
Over de student die in Groningen door wildvreemden voor de grap werd neergeschoten en nu levenslang aan een rolstoel gebonden is kun je toch moeilijk zeggen: “Gelukkig is het geen vrouw, anders was het nog erger geweest.” Maar burgemeester Aboutaleb vindt van wel – en protesten daartegen blijven uit.
In mijn post van gisteren ging ik in op wat onder deze, op het oog zo wonderlijke, eenzijdigheid ligt: gynocentrisme; complexe biologische relaties tussen de seksen, met waarschijnlijk zowel sociale als hormonale en neurologische componenten. Die relaties zijn diep verankerd en vrijwel universeel. Maar de feministische wind die er in het Westen waait geeft er extra energie aan.
In dit ideologisch klimaat past de geplande vierdelige documentaire waarin Lorena Bobbitt uitgelicht wordt als (o, ironie!) slachtoffer van huiselijke geweld en heldin van het verzet hiertegen (zie mijn post van gisteren). Nou ja, het komt ook uit Amerika, mag je zeggen: het is daar allemaal nog een beetje erger dan in ons land. Zo zijn er in de Verenigde Staten ca. 2000 blijf-huizen voor vrouwen en daarnaast slechts 1, zegge één, voor mannen (zo was het tenminste in 2017, toen Cassie Jaye er de aandacht op vestigde in haar documentaire The Red Pill ). Amsterdam heeft sinds enige jaren een opvanghuis voor mannelijke slachtoffers van partnergeweld: één voorziening op 17 miljoen inwoners tegenover één op 330 miljoen – een gunstiger verhouding. Wat misschien meer zegt: onlangs bereikten realistische gegevens over huiselijk geweld (meestal tweezijdig, veel mannelijke slachtoffers) voor een kort moment onze mainstream media, zonder dat dit geluid onmiddellijk verdronken werd in een luid geschreeuw over “vrouwenhaat” of smalen over de losers in de manosphere.
Toch is ook in Nederland het gif van het feministisch perspectief alom aanwezig. Zelfs ministeries verspreiden desinformatie over de geweldsproblematiek volgens het “man=dader, vrouw=slachtoffer”-paradigma. En zoals we zagen: het stadsbestuur van Rotterdam zal niet tegen deze stroom in zwemmen. Krijgt de documentaire over Lorena Bobbitt ooit hier de aandacht van de media, dan zullen de kritische stemmen nog een hele strijd te voeren hebben.
Wie tegenwicht zoekt tegen feministische propaganda raad ik nogmaals het YouTubekanaal van Janice Fiamengo aan. Vandaag verscheen een korte video over de Lorena-docu:
Een man zit hopeloos onder de plak van zijn gewelddadige vrouw, beweert hij. Als zij een keer in diepe slaap is, snijdt hij haar schaamlippen af, die hij ergens langs een autoweg dumpt. Aanvankelijk beweert hij dat het allemaal is omdat zijn vrouw in bed een dildo prefereert boven hem, maar dat verhaal verandert hij later: ze is uiterst gewelddadig en dwingt hem op die manier tot seks. In de rechtszaal wordt hem deze wending in zijn getuigenis niet aangerekend. Bovendien heeft hij als in een roes gehandeld, zegt hij, dus kan zijn daad hem niet toegerekend worden. Hij toont geen enkel berouw, niet kort na het gebeuren, niet tijdens de rechtszaak, niet in de jaren daarna. Hij komt er zonder straf af. Buiten het gerechtsgebouw wordt hij moreel gesteund door in groten getale opgedaagde mannenrechtenactivisten. Van de broodjes van de hotdogs die daar verkocht worden zijn de randen afgesneden, om de verzetsdaad van de man te vieren. Allerwegen wordt het geval gnuivend ontvangen: smalende grappen over de vrouw, lachend maken mannen een knipgebaar als teken van strijdbare verbondenheid. De vrouw ondergaat een plastisch chirurgische operatie en ten bewijze van haar herwonnen seksualiteit treedt ze op in enkele pornofilms waarin haar vagina prominent in beeld verschijnt.
U herkent waarschijnlijk het beroemde verhaal van Lorena Bobbitt die in juni 1993 de penis van haar man afsneed. Voor elk element van bovenstaande spiegelversie is er een pendant in het werkelijke verhaal. Is uw weerzin tegen mijn variatie op het thema even groot? Bijvoorbeeld bij het knipgebaar? Of bij de hotdogbroodjes? Nee, groter, vermoed ik.
Al sinds de oertijd wordt er gevoellozer gereageerd op pijn en lijden van mannen dan op sores van vrouwen. Logisch: mannen moesten geschikt zijn voor jacht en noodtoestanden, voor verwonding en dood. In principe is dat nog steeds zo: alle 343 brandweerlieden die omkwamen op 9/11 waren mannen (al mag je ze geen firemen noemen, want dat is exclusief taalgebruik: firefighters is de politiek correcte benaming). Voor het voortbestaan van een familie of een volk heb je minder mannen nodig dan vrouwen. Vandaar de bescherming van de vrouw in alle samenlevingen: voor hen lopen de mannen wacht op de muren, overleggen over het beleid, komen in de vuurlinie. Men noemt dit “gynocentrisme”: het in het centrum stellen van vrouwelijke veiligheid en welbevinden. Een element hiervan is de zogenaamde “empathiekloof”: onze evolutionair gegroeide neiging meer mee te voelen met vrouwen dan met mannen.
Van die empathiekloof nog een ander voorbeeld. In 2014 ontvoerde Boko Haram in Nigeria 180 schoolmeisjes. Wereldwijd medeleven was het gevolg. Maar wat velen nog steeds niet weten: al eerder had Boko Haram scholen overvallen, honderden leerlingen gedood, eenmaal zelfs levend verbrand – en het waren allemaal jongens. Op een gemengde school werden de meisjes vrijgelaten, de jongens gedood. Omdat de terreurgroep zo niet de aandacht van de wereld kreeg, probeerde ze het eens met de ontvoering – niet het doden! – van meisjes en dat werkte wel. Zo deed Boko Haram zijn voordeel met de empathiekloof.
Het feminisme borduurt voort op deze patronen. Het eist al meer bescherming en bevoordeling van vrouwen en doet elk mannelijk protest smalend af als kleinzerigheid. Gynocentrisme en empathiekloof spelen een hoofdrol in de trend waarvan #metoo deel uitmaakt. Een valse beschuldiging van seksueel geweld richt dikwijls evenveel schade aan als een lijfelijke verkrachting, soms meer. Maar vrouwen komen er meestal makkelijk mee weg.
Terug naar Lorena Bobbitt. Want ze is zelf terug! Ditmaal als middelpunt van een documentaire over “haar kant van het verhaal”. Als niet alle tekenen bedriegen, wordt ze daarin gepresenteerd als poster child (publiek symbool) van de seksuele onderdrukking van vrouwen en de bittere noodzaak van #metoo.
Naar aanleiding hiervan bespreken in een lange-afstandsgesprek Janice Fiamengo (zie post van 26 januari), Paul Elam (A Voice for Men) en Tom Golden (auteur van o.a. The Way Men Heal) het echtpaar Bobbitt en de stuitende ontvangst die het verhaal ten deel viel. De geluids- en beeldkwaliteit is af en toe niet goed, vooral vanuit huize Fiamengo. Maar er komen een aantal interessante gedachten langs.
Janice Fiamengo onderstreept nog eens hoe anders alles zou zijn opgevat bij een omgekeerde rolverdeling (vanaf 7:00) – zoals ik dat hierboven deed.
Het gynocentrisme – onderstreept vooral Tom Golden met de beelden van een algemene inenting en van de Möbiusband – zit ongelooflijk diep. Maar dan overvalt je toch opeens het cynisme waarmee John Bobbitt werd bejegend, de grappen over zijn afgesneden penis – ook van de kant van mannen (hierover Paul Elam vanaf 12:15).
Volgens berichten heeft Lorena Bobbitt een bijzonder laag IQ en ook John heeft kennelijk het zwarte garen niet uitgevonden. Onderzoek wijst op een correlatie tussen IQ en geweld: hoe lager het IQ, des te groter de kans op geweld in conflictsituaties (vanaf 22:20). Dat is (draag ik zelf bij aan het gesprek) een element van de verklaring waarom er in het algemeen meer strafbaar geweld wordt gepleegd door mannen dan door vrouwen: gemiddeld is er geen verschil in intelligentie tussen de beide seksen, maar zowel in de top (geniale begaafdheid) als aan de onderkant van de statistieken (problematische intellectuele armoede) zijn mannen oververtegenwoordigd. Het is natuurlijk maar één factor en de gewelddadige impuls van vrouwen wordt zeker algemeen onderschat, alleen al in de sfeer van huiselijk geweld. Maar interessant is het.
Is het extra ontzien van vrouwen, tot en met de krankzinnige toegeeflijkheid tegenover een zieke geest als Lorena Bobbitt, geheel terug te voeren op culturele conditionering? Golden vertelt (vanaf 27:00) van een onderzoek waarover hij heeft gelezen. Men ving tranen van vrouwen op en bewaarde ze (vgl. Psalm 56:9) om ze vervolgens bij mannen op de bovenlip te smeren. Daarop volgde bij die mannen een daling van het testosterongehalte. Het kan dus heel goed zijn dat het in zo’n beetje elke cultuur aanwijsbare gynocentrisme een belangrijke chemische component heeft (vgl. de rol van feromonen bij seksuele aantrekking): geuren die een beschermend instinct wakker roepen. Dat instinct – zo verbind ik de punten – zal niet alleen onmiddellijk werken, maar ook tot een geconditioneerde reflex worden in de loop van de socialisatie. Het lijkt een belangrijk spoor van onderzoek.