Ik was achttien toen ik, waarschijnlijk in Hull (dat weet ik niet meer), in de trein stapte die mij naar de Schotse Hooglanden zou brengen. Bij het behalen van mijn gymnasiumdiploma hadden mijn ouders mij een aanzienlijk geldbedrag geschonken en een reis naar het eind van de wereld leek mij daarvan wel een goede besteding. Kyle of Lochalsh, in het verre westen van het land was mijn eerste bestemming, daarna zou ik naar Drumnadrochit aan Loch Ness gaan. Er zat iets van escapisme in: weg van de verstikkend vol groeiende moderne wereld. En een zekere troosteloosheid en ongastvrijheid van het landschap leek mij ook wel wat: dat zou mooi harmoniëren met mijn pessimistische kijk op de wereld, het leven en mijzelf.
In de trein raakte ik aan de praat met een andere Nederlander, een oudere heer. Het ging over de Hooglanden, Bonnie Prince Charlie en Walter Scott – in die tijd voor een VWO-klant geen buitenissige onderwerpen. Mijn reisgenoot sprak lovend over de roman Kidnapped van Robert Louis Stevenson.
Ik onthield het gesprek in de trein en de titel, maar jarenlang bleef het daarbij. Zelfs toen ik het boek eenmaal bij De Slegte was tegengekomen en had gekocht, kwam het alleen maar stil op de boekenplank te staan. Enkel bij het in- en uitpakken rond verhuizingen ging het door mijn vingers.
Zo gaat dat soms. Ik heb geen bucket list, zo’n lijst van alle dingen die je van jezelf nog moet doen voor Magere Hein toeslaat. In plaats daarvan wacht mij een behoorlijk aantal nog ongelezen boeken: evenzovele beloften aan mijzelf, arrows of desire zo u wilt. Kidnapped was er jarenlang een van, maar onlangs heb ik hem dan toch ter hand genomen – en vrijwel in één ruk uitgelezen.
Stevenson is een meesterverteller. Avontuur en spanning in overvloed, wie Engels leest moet het zichzelf maar eens gunnen. Hier wil ik alleen een paar dingen vermelden die mij opvielen en die een zekere actualiteit hebben.
De hoofdpersoon van het in 1751 in Schotland spelende verhaal, de jonge David Balfour, wordt ontvoerd (vandaar de titel) en meegenomen op een schip naar de Engelse koloniën in Amerika. De kapitein wil hem daar als slaaf verkopen. Goed om dat te beseffen: er heeft veel slavernij van blanken bestaan, niet alleen in moslim-landen, niet alleen in diverse vormen in het Europa van de Middeleeuwen, maar ook in de Europese koloniën van de moderne tijd. Vooral Ieren werden in de zeventiende eeuw in groten getale als slaaf over de Oceaan gevoerd. (Een boek hierover is White Cargo. The Forgotten History of Britain’s White Slaves in America [2008] van Don Jordan en Michael Walsh.) Denk nog eens aan wat de katholieke blanke jongens van Covington High School werd toegeroepen door zwarte sekteleden (zie mijn post van 23 januari): “Jullie opleiding en de hypotheken van jullie ouders worden betaald met het bloedvergieten van de slavernij.” Los van de onzinnigheid van zulke verbanden en zulke verwijten: onder de voorouders van leerlingen op Covington High School konden er heel wel zijn die in boeien naar Amerika kwamen.
In Stevensons verhaal maakt David Balfour kennis met een historische figuur: Alan Breck Stewart. Samen moeten ze een strijd op leven en dood leveren met een vijandige scheepsbemanning en samen moeten ze later ontkomen uit de Hooglanden als ze daar (ten onrechte) verdacht worden van de moord op een vertegenwoordiger van het Engelse gezag. Alan Breck is een geweldige vechtersbaas, een meester in de kunst van het overleven op de grens van de bewoonde wereld (hij zou goed een metgezel kunnen zijn van die andere David die moest vluchten), trots en ijdel, gauw beledigd en dan naar zijn zwaard grijpend, bereid zichzelf in een ballade te bezingen. Het zijn een paar van de eigenschappen die Schotten en anderen meenamen uit het grensgebied van de Engelse beschaving naar het zuiden van de Verenigde Staten en die hun daar de verachtelijke naam van crackers opleverden (zie mijn post van 24 januari over “Zwarte rednecks”).
Alan Breck hoort bij een wereld die verdwijnt. Enkele jaren eerder, in 1745, heeft Bonnie Prince Charlie een vergeefse poging gedaan de Engelse troon vanuit Schotland te heroveren voor de in ballingschap levende Stuarts. De Schotse clans konden in die strijd hun trotse afkeer van de Engelse beschaving uitleven. Maar ze verloren. Hun ruige leven en hun laatste strijd werden in de volgende eeuw een onderwerp voor romans als van Walter Scott en Robert Louis Stevenson – en vervolgens werd het allemaal de folklore van kilts en tartans. Het knappe van Stevenson is dat hij de figuur van Breck met sympathie schildert zonder het Schotse verleden kinderlijk te verheerlijken. Hij bereikt dat onder meer door de blik van David Balfour te gebruiken. De tiener is door heel het verhaal heen harde lessen aan het leren over mensen en het leven. In de leergierige onbevangenheid waarmee hij naar Breck kijkt krijgen zowel zijn scepsis als zijn bewondering de ruimte. Zelf heeft hij het leven nog voor zich liggen: het Schotse verleden zal hem nooit gevangennemen.
Ja, Alan Breck is het soort man waar feministen hun notie van toxic masculinity op baseren. Maar op zijn plaats en in zijn tijd is hij ook precies het soort man dat David Balfour nodig heeft. Zonder zijn vechtkunst waren Davids leven en daarmee het verhaal van Stevenson in de knop gebroken. Zijn uithoudingsvermogen, zijn kunst om onzichtbaar te blijven ook in een open landschap, zijn waaghalzerij soms – dat alles sleept David erdoor. Zijn ruige levensstijl past bij een ruige omgeving, die omgeving maakt mannen als hij mogelijk en noodzakelijk. Stevensons briljant vertelde verhaal maakt dingen zichtbaar waar het steriele getheoretiseer van feministen geen weet van heeft.
Met name blijft Stevenson mensen in een periode van culturele overgang – in de achttiende eeuw trok Schotland een beschavingsspurt: het werd het eerste land met schoolplicht – primair zien als karakters, als personen en niet als illustratie van een of andere “historische noodzaak”. Ja, Schotland moest de moderne tijd binnengaan – maar daarom hoeven we de Alan Brecks van die wereld nog niet aan de verachting prijs te geven. In onze tijd van globalisering gebeurt dat juist wel met wie niet meekomt en ook niet meewil met de beweerde historische noodzaak: zo iemand heet een clinger (Obama), een deplorable (Clinton) en wie zich er verwant mee voelt mag je in de VS zonder repercussies een cracker noemen.
Het is misschien geen toeval dat ik juist dezer dagen, vijfenveertig jaar na het gesprek in de trein, Kidnapped ben gaan lezen.
Over de huidige cultuurovergang en de clingers en deplorables: